202203982/3/R4.
Datum beslissing: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek om verschoning (ex artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht: hierna: Awb) van:
mr. H.J.M. Besselink
Procesverloop
Ten aanzien van zaak nr. 202203982/1/R4, die op 29 mei 2026 op zitting zal worden behandeld, heeft staatsraad mr. H.J.M. Besselink, die als voorzitter van de meervoudige kamer belast is met de behandeling van deze zaak, op 26 mei 2026 het verzoek gedaan zich te mogen verschonen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:19, eerste lid, van de Awb kan op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
In artikel 8:15 is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. De staatsraad heeft te kennen gegeven dat hij bij de voorbereiding van deze zaak heeft geconstateerd dat hij in zijn vorige functie als advocaat één van de partijen in het geschil heeft geadviseerd over een rechtsvraag die in het bovengenoemde zaak nr. aan de orde kan komen. Om iedere schijn van vooringenomenheid bij de behandeling van deze zaak te voorkomen, heeft de staatsraad verzocht zich te mogen verschonen.
3. De Afdeling acht, gezien deze motivering, inwilliging van het verzoek gerechtvaardigd.
4. Gelet op het vorenstaande, wordt het verzoek toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, mr. E.J. Daalder en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
867