ECLI:NL:RVS:2026:3008

ECLI:NL:RVS:2026:3008

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202303538/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 augustus 2022 heeft de burgemeester van Den Haag aan [appellante] op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) een huis- en contactverbod opgelegd van 16 augustus 2022 tot en met 26 augustus 2022. Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de burgemeester het huis- en contactverbod verlengd tot 13 september 2022. [appellante] woonde met haar minderjarige dochter, haar ex-partner [ex-partner] en diens drie minderjarige kinderen in een woning aan de [locatie] in Den Haag. Ook verbleven de meerderjarige zoon van [appellante] en diens vriendin regelmatig in de woning. De burgemeester heeft op 16 augustus 2022 op grond van de Wth een huis- en contactverbod aan [appellante] opgelegd voor de periode van tien dagen, van 16 augustus 2022 tot en met 26 augustus 2022. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van [appellante] een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [ex-partner] en zijn kinderen opleverde, dan wel een vermoeden daarvan, waardoor een afkoelingsperiode noodzakelijk was.

Uitspraak

202303538/1/A3.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2023 in zaak nr. C/09/635519 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2022 heeft de burgemeester aan [appellante] op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) een huis- en contactverbod opgelegd van 16 augustus 2022 tot en met 26 augustus 2022.

Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de burgemeester het huis- en contactverbod verlengd tot 13 september 2022.

Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen de besluiten van 16 augustus 2022 en 25 augustus 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door K. Mohasselzadeh, advocaat in Voorburg, vergezeld door E.A. Chuprova, tolk, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dalen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] woonde met haar minderjarige dochter, haar ex-partner [ex-partner] en diens drie minderjarige kinderen in een woning aan de [locatie] in Den Haag. Ook verbleven de meerderjarige zoon van [appellante] en diens vriendin regelmatig in de woning. De burgemeester heeft op 16 augustus 2022 op grond van de Wth een huis- en contactverbod aan [appellante] opgelegd voor de periode van tien dagen, van 16 augustus 2022 tot en met 26 augustus 2022. Op 25 augustus 2022 heeft de burgemeester dit huis- en contactverbod verlengd tot 13 september 2022.

Uitspraak rechtbank

2. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van [appellante] een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [ex-partner] en zijn kinderen opleverde, dan wel een vermoeden daarvan, waardoor een afkoelingsperiode noodzakelijk was. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester het huisverbod redelijkerwijs heeft kunnen verlengen, omdat de dreiging van het gevaar, dan wel het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzette.

Hoger beroep

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs heeft kunnen besluiten om een huisverbod aan [appellante] op te leggen. Hiertoe voert zij aan dat niet haar aanwezigheid, maar de aanwezigheid van [ex-partner] een onmiddellijk en ernstig gevaar vormde in de zin van artikel 2 van de Wth. [ex-partner] mishandelde haar namelijk. Het huisverbod had daarom niet aan haar, maar aan [ex-partner] opgelegd moeten worden. Verder voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar zoon de agressor of aanstichter van het geweld was en dat de burgemeester op basis daarvan mocht concluderen dat van [appellante] en haar zoon het meeste gevaar en risico uitging. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat de zoon van [appellante] geweld heeft gebruikt. Hij is enkel getuige geweest van de mishandeling van [appellante] door [ex-partner].

[appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de belangen van de kinderen van [ex-partner] zwaarder mocht laten wegen dan de belangen van [appellante] en haar kinderen.

3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. In artikel 9, eerste lid, van de Wth, staat dat de burgemeester een huisverbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:309, is een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid tot het opleggen ervan is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst.

3.3. Uit de stukken volgt dat de burgemeester het huisverbod heeft opgelegd naar aanleiding van een incident op 15 augustus 2022, waarbij [appellante] is mishandeld door [ex-partner]. [appellante] heeft van de mishandeling aangifte gedaan. Op basis van dit incident kan naar het oordeel van de Afdeling niet vastgesteld worden dat juist de aanwezigheid van [appellante] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van achterblijvers, dan wel dat een ernstig vermoeden van dit gevaar bestond. Ook uit de eerdere incidenten tussen [appellante] en [ex-partner] kan dat, zonder nadere motivering, niet worden geconcludeerd. Verder heeft de burgemeester naar het oordeel van de Afdeling de belangen van de minderjarige dochter van [appellante] onvoldoende in de belangenafweging meegenomen. De burgemeester heeft de minderjarige dochter van [appellante] niet gehoord over het voornemen om aan haar moeder een huisverbod op te leggen, terwijl dit besluit haar belangen raakt. Verder volgt uit het besluit van 16 augustus 2022 niet waarom de belangen van [ex-partner] en zijn kinderen zwaarder wegen dan de belangen van de dochter van [appellante] die naar aanleiding van het huisverbod door de politie ook uit de woning werd gezet.

Gelet op het voorgaande zijn de besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

3.4. Gelet op het voorgaande behoeft het overige betoog van [appellante] geen bespreking meer.

Slotsom

4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de besluiten van 16 augustus 2022 en 25 augustus 2022 wegens strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2023 in zaak nr. C/09/635519;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de burgemeester van Den Haag van 16 augustus 2022 en 25 augustus 2022;

V. veroordeelt de burgemeester van Den Haag tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.

w.g. De Groot

voorzitter

w.g. De Bakker

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

1031

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.F. de Groot
  • mr. M. Soffers
  • mr. V.V. Essenburg

Griffier

  • mr. R.E. de Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand