202501375/1/A2.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2025 in zaak nrs. 23/4267 en 24/1454 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2021 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering van € 5.000,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekend.
Bij besluit van 1 april 2022 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de uitkering aangepast naar € 10.000,00.
Bij besluit van 11 april 2022 heeft de CSG aan [appellante] eveneens een uitkering van € 5.000,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekend.
Besluit van 7 februari 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de uitkering aangepast naar € 20.000,00. De CSG heeft in dit besluit aangegeven dat bedrag te verrekenen met de bedragen die [appellante] reeds heeft ontvangen.
Bij uitspraak van 23 januari 2025 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 1 april 2022 en 7 februari 2024 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de CSG opgedragen om opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep tegen het besluit van 1 april 2022 is geregistreerd onder nummer 23/4267 en het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 onder nummer 24/1454.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 5 december 2025 heeft de CSG de bezwaren van [appellante] gegrond verklaard en de hoogte van de uitkering aangepast.
[appellante] heeft gronden van beroep tegen dat besluit aangevoerd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.M. Hepping, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft drie aanvragen ingediend voor uitkeringen uit het schadefonds. De eerste twee aanvragen zien op twee zedenmisdrijven, gepleegd in de jaren ’90. De derde aanvraag ziet op huiselijk geweld in de periode van 2009 tot 2014.
Besluitvorming
2. Voor de eerste twee aanvragen heeft de CSG in haar besluit van 27 augustus 2021 € 5.000,00 toegekend voor beide misdrijven tezamen. In het besluit van 1 april 2022 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog per misdrijf € 5.000,00 (letselcategorie 3) toegekend, dus in totaal € 10.000,00. Voor de derde aanvraag heeft de CSG bij besluit van 11 april 2022 € 5.000,00 (letselcategorie 3) aan [appellante] toegekend.
3. Naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 11 april 2022 heeft de CSG een medisch adviseur ingeschakeld. De medisch adviseur heeft vastgesteld dat bij [appellante] sprake is van ernstig psychisch letsel met blijvende (gedeeltelijke) afhankelijkheid en beperkingen en heeft geadviseerd letselcategorie 5 toe te kennen. De CSG is dat advies bij besluit van 7 februari 2024 gevolgd. Omdat het volgens de CSG niet mogelijk is om vast te stellen welk letsel het gevolg is geweest van welk geweldsmisdrijf, heeft de CSG besloten dat [appellante] recht heeft op één uitkering van € 20.000,00. Omdat [appellante] bij het besluit van 1 april 2022 en bij het besluit van 11 april 2022 in totaal al € 15.000,00 heeft gekregen, heeft de CSG in het besluit van 7 februari 2024 een verrekening toegepast en een aanvullende uitkering van € 5.000,00 toegekend.
Wettelijk kader
4. Artikel 3, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) luidt:
"1. Uitkering kan worden gedaan
a. aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf dan wel schuldverkrachting of schuldaanranding, ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen;
[…]"
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat, anders dan [appellante] meent, uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg niet zonder meer volgt dat het uitgesloten is dat er één uitkering voor letsel, voortkomend uit meerdere misdrijven, kan worden toegekend. De commissie heeft kunnen beslissen om onder verrekening van het al eerder uitgekeerde bedrag, voor alle misdrijven tezamen één bedrag toe te kennen. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3676.
6. Over het betoog van [appellante] dat de CSG letselcategorie 6 had moeten toepassen in plaats van letselcategorie 5 heeft de rechtbank het volgende overwogen. De vraag die voorligt is of het psychisch letsel en de aanwezigheid van behandeltrajecten gedurende vele jaren leiden tot zeer grote of volledige afhankelijkheid zodat [appellante] in aanmerking kan komen voor een uitkering in letselcategorie 6. Voor het antwoord op die vraag is de CSG afgegaan op het advies van Westra van 13 december 2023 en 11 oktober 2024. Dit laatste advies is summier en onvoldoende inzichtelijk. Weliswaar heeft Westra in dit advies ook de brief van Abucare24 van 27 september 2024 meegenomen, maar Westra heeft niet gemotiveerd waarom uit de stukken die [appellante] heeft aangeleverd niet blijkt dat er bij [appellante] sprake is van zeer grote of volledige afhankelijkheid als bedoeld in de criteria voor letselcategorie 6. [appellante] heeft zich ingespannen om zoveel mogelijk medische en andere stukken aan te leveren. Daaruit komt naar voren dat zij langdurig onder behandeling is geweest en dat nog is. De rechtbank kan niet beoordelen hoe Westra tot de slotsom is gekomen dat lestelcategorie 6 niet is aangewezen. Dat betekent dat de CSG, gelet op artikel 3:2 van de Awb, niet zonder meer mocht afgaan op de adviezen van Westra van 13 december 2023 en 11 oktober 2024.
Hoger beroep
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG voor alle misdrijven tezamen één uitkering kan toekennen. Volgens haar staat in artikel 3, eerste lid, van de Wsg en in het beleid van de CSG dat voor elk geweldsmisdrijf apart een uitkering wordt toegekend. De reeds toegewezen uitkeringen kunnen niet zomaar worden verrekend. De wet stelt geen maximum aan de in te dienen aanvragen.
7.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] erkend uitdrukkelijk akkoord te hebben gegeven aan de CSG om de eerste twee aanvragen samen te behandelen.
7.2. De Afdeling overweegt dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 specifiek gaat over de Tijdelijke regeling in welk kader beleid is ontwikkeld dat als sprake is van meerdere gevallen van seksueel misbruik één bedrag wordt toegekend. De Afdeling heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de vraag of volgens de reguliere procedure verschillende (in tijd en plaats geheel los van elkaar staande) geweldsmisdrijven bij elkaar kunnen worden genomen en vervolgens slechts één uitkering kan worden toegekend. Uit de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven valt dit niet af te leiden. Daarin staat wel beleid over de situatie dat sprake is van meerdere letsels als gevolg van één misdrijf. In dat geval is het meest ernstige letsel leidend bij het bepalen van de hoogte van de uitkering. Dat wil zeggen dat de hoogte van de uitkering wordt bepaald op basis van de letselcategorie die past bij het meest ernstige letsel. Bij minstens drie verschillende fysieke letsels die in dezelfde letselcategorie vallen, wordt de categorie wel met één verhoogd.
7.3. Op de zitting bij de Afdeling heeft de CSG toegelicht dat de letsellijst uit twee delen bestaat: (1) fysiek letsel en (2) psychisch letsel. Deel 2 bestaat uit onderdeel 2A en onderdeel 2B. Onderdeel 2A ziet op ernstig psychisch letsel op basis van het gewelds- of seksueel misdrijf. Die lijst geeft een indicatie bij welke gewelds- of seksuele misdrijven de CSG zonder beoordeling van medische informatie ernstig psychisch letsel kan vooronderstellen en welke letselcategorie daarbij past. Dat betekent dat de ernst van een misdrijf de hoogte van een uitkering bepaalt. Aanvragen worden in dat geval apart beoordeeld. Uitkeringen die op grond van onderdeel 2A worden verstrekt bedragen maximaal € 20.000,00 (letselcategorie 5). De CSG heeft toegelicht dat de drie misdrijven die jegens [appellante] zijn gepleegd op grond van onderdeel 2A onder letselcategorie 3 vallen. [appellante] zou met toepassing van onderdeel 2A drie keer € 5.000,00 ontvangen. De CSG heeft verder toegelicht dat onderdeel 2B ziet op de beoordeling van psychisch letsel op basis van medische informatie. Hierbij wordt niet de ernst van een misdrijf maar de ernst van het psychisch letsel beoordeeld. Uitkeringen die op grond van onderdeel 2B worden verstrekt bedragen maximaal € 35.000,00 (letselcategorie 6).
7.4. De Afdeling stelt vast dat de CSG heeft onderzocht op welke manier de hoogst mogelijke uitkering aan [appellante] kon worden uitgekeerd. Daarom is niet per misdrijf een uitkering verstrekt, maar is de uitkering gebaseerd op het psychisch letsel dat [appellante] heeft opgelopen als gevolg van de drie misdrijven. De CSG heeft gemotiveerd dat in het geval van [appellante] één uitkering op grond van onderdeel 2B hoger uitvalt dan het totaal van de drie uitkeringen die op grond van onderdeel 2A zouden kunnen worden toegekend.
7.5. Op de zitting bij de Afdeling heeft de CSG toegelicht dat alleen meerdere uitkeringen op grond van onderdeel 2B kunnen worden toegekend als een arts kan vaststellen dat bepaald letsel het gevolg is van een misdrijf, een persoon daarvan is hersteld, en vervolgens nieuw letsel is bekomen. De CSG heeft toegelicht dat artsen dat vaak niet kunnen vaststellen. Integendeel, artsen geven vaak aan dat als een persoon slachtoffer is geworden van meerdere misdrijven, psychisch letsel niet kan worden gelieerd aan één van die misdrijven. De CSG heeft toegelicht dat in het geval van [appellante] het geconstateerde letsel niet aan één van de misdrijven kan worden toegerekend. De Afdeling volgt het standpunt van de CSG dat in het geval van [appellante] daarom in ieder geval niet drie uitkeringen op grond van onderdeel 2B kunnen worden toegekend.
7.6. De Afdeling is verder van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat als de CSG op grond van onderdeel 2A per aanvraag een uitkering aan [appellante] had toegekend, letselcategorie 4 of hoger van toepassing was geweest. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] weliswaar verwezen naar medische rapportages, maar juist onderdeel 2B ziet op beoordeling van psychisch letsel op basis van medische informatie. Bij een uitkering op grond van onderdeel 2A wordt medische informatie niet betrokken.
7.7. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de CSG voldoende heeft gemotiveerd hoe zij tot haar standpunt is gekomen. Omdat het psychisch letsel niet kan worden toegerekend aan één misdrijf, heeft de CSG voor alle misdrijven tezamen één bedrag mogen toekennen.
Het betoog slaagt niet.
Beroep tegen het besluit van 5 december 2025
8. Het besluit van 5 december 2025 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. In dit besluit heeft de CSG zich op het standpunt gesteld dat sprake is van zeer grote en blijvende afhankelijkheid, waardoor een tegemoetkoming uit letselcategorie 6 passend is. De CSG heeft daarom een aanvullende uitkering van € 15.000,00 uit het Schadefonds aan [appellante] toegekend.
8.1. Het besluit van 5 december 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
8.2. [appellante] heeft tegen het besluit van 5 december 2025 geen gronden aangevoerd die niet al eerder in deze uitspraak zijn besproken. Uit het oordeel van de Afdeling over deze gronden volgt dat de CSG één uitkering mocht verstrekken voor meerdere misdrijven.
8.3. Het beroep tegen het besluit van 5 december 2025 is ongegrond.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond.
10. Het beroep tegen het besluit van 5 december 2025 is ook ongegrond.
11. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep ongegrond;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 5 december 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
1033