ECLI:NL:RVS:2026:3014

ECLI:NL:RVS:2026:3014

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202600781/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 12 november 2025 heeft de examinator een door [appellante] gemaakte praktische toets, behorend tot de Lijn Tandheelkundige Vaardigheden 2B, opnieuw met een onvoldoende beoordeeld. In het studiejaar 2024-2025 heeft [appellante] op 26 augustus 2025 deelgenomen aan de vijfde herkansing voor een praktische toets van het vak Lijn Tandheelkundige Vaardigheden 2B. Bij beslissing van diezelfde dag heeft de examinator de toets met toepassing van het zogenoemde knock-outcriterium op het onderdeel outline met een onvoldoende beoordeeld. Het knock-outcriterium houdt in dat, als aan dat criterium is voldaan, meteen een onvoldoende wordt gegeven. Het wordt toegepast omdat het gaat om een vaardigheid die studenten in het derdejaars-kliniek op patiënten moeten toepassen, waarbij de patiëntveiligheid voorop staat. [appellante] heeft volgens de docent op meerdere plekken onnodig te veel gezond weefsel weggeboord.

Uitspraak

202600781/1/A2.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante],

appellante,

en

het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 12 november 2025 heeft de examinator een door [appellante] gemaakte praktische toets, behorend tot de Lijn Tandheelkundige Vaardigheden 2B, opnieuw met een onvoldoende beoordeeld.

Bij beslissing van 17 februari 2026 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandverlener in Enschede, is verschenen. Het CBE, vertegenwoordigd door mr. M. Lukić, vergezeld door [personen], heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] volgt de bacheloropleiding Tandheelkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

2. In het studiejaar 2024-2025 heeft [appellante] op 26 augustus 2025 deelgenomen aan de vijfde herkansing voor een praktische toets van het vak Lijn Tandheelkundige Vaardigheden 2B. Bij beslissing van diezelfde dag heeft de examinator de toets met toepassing van het zogenoemde knock-outcriterium op het onderdeel outline met een onvoldoende beoordeeld. Het knock-outcriterium houdt in dat, als aan dat criterium is voldaan, meteen een onvoldoende wordt gegeven. Het wordt toegepast omdat het gaat om een vaardigheid die studenten in het derdejaars-kliniek op patiënten moeten toepassen, waarbij de patiëntveiligheid voorop staat. [appellante] heeft volgens de docent op meerdere plekken onnodig te veel gezond weefsel weggeboord.

3. Bij beslissing van 30 oktober 2025 heeft het CBE het door [appellante] tegen de beslissing van 26 augustus 2025 ingestelde administratief beroep gegrond verklaard. Volgens het CBE was de beoordeling onvoldoende gemotiveerd en was daardoor niet voldaan aan de vereisten van transparantie en controleerbaarheid. Het CBE heeft de examinator opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen met een deugdelijke en navolgbare motivering op basis van het nog beschikbare materiaal.

4. Naar aanleiding van de beslissing van het CBE zijn drie herbeoordelingen uitgevoerd door drie beoordelaars. De eerste twee beoordelaars hebben hierbij gebruikt gemaakt van het beoordelingsformulier van het studiejaar 2024-2025 en de derde van het beoordelingsformulier van het studiejaar 2025-2026. De uitkomst van de herbeoordelingen was in alle gevallen hetzelfde - een onvoldoende - vanwege de toepassing van het knock-outcriterium op het onderdeel outline. Naar aanleiding daarvan heeft de examinator de in het procesverloop van deze uitspraak vermelde beslissing van 12 november 2025 genomen. [appellante] is het daar niet mee eens en heeft opnieuw administratief beroep ingesteld.

Beslissing van het CBE

5. Het CBE heeft in de beslissing van 17 februari 2026 vooropgesteld dat zijn bevoegdheid in dit geval beperkt is tot de vraag of de beoordeling van de beoordelaars in strijd is met artikel 7.61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (Whw). Het CBE toetst of de beoordeling in inhoudelijk opzicht niet kennelijk onredelijk is en of deze op een juiste wijze tot stand is gekomen. Het is niet aan het CBE om zelf een inhoudelijke herbeoordeling te verrichten.

Volgens het CBE zijn de twee herbeoordelingen die zijn verricht met het beoordelingsformulier van het studiejaar 2024-2025, voldoende transparant, inzichtelijk en controleerbaar gemotiveerd. Dat één van de beoordelaars ook bij de vorige beoordeling was betrokken, betekent niet de beslissing van 12 november 2025 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat niet is vereist dat de herbeoordeling door een nieuwe beoordelaar moet plaatsvinden. Daarnaast zijn de herbeoordelingen blind uitgevoerd.

Ten aanzien van de derde herbeoordeling heeft het CBE overwogen dat het gebruik van een beoordelingsformulier uit het studiejaar 2025-2026 niet onzorgvuldig is, omdat de inhoudelijke beoordelingscriteria niet zijn gewijzigd en de aanvullende motivering in de bestreden beslissing is opgenomen. Hieruit volgt dat de herbeoordeling als geheel voldoende transparant en controleerbaar is onderbouwd.

Verder is, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, niet in strijd met het verbod op reformatio in peius gehandeld, omdat de uitkomst van de toets door de herbeoordeling niet is gewijzigd en geen andere cijferregistratie heeft plaatsgevonden. Dat op sommige onderdelen lagere scores zijn toegekend, leidt niet tot een ander oordeel, omdat die onderdelen geen zelfstandige invloed hebben gehad op de eindbeoordeling. [appellante] is dan ook niet in een slechtere rechtspositie gekomen dan voor de herbeoordeling.

Beoordelingskader

6. Op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende de beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling. Deze bepaling is opgenomen in hoofdstuk 8 van de Awb. Dit hoofdstuk bevat bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter en is daarmee alleen van toepassing op de beroepsprocedure bij de bestuursrechter.

6.1. Gelet op de voor de behandeling van het administratief beroep geldende bepalingen en uitgangspunten mag het CBE op grond van artikel 7.61, tweede lid, van de Whw slechts beoordelen of het beroepen besluit is genomen in strijd met het recht en mag het, gezien het vijfde lid van deze bepaling, niet zelf in de zaak voorzien. De beslissing van het CBE in administratief beroep kan daarom niet gelijk worden gesteld met een besluit inhoudende de beoordeling van een kennen of kunnen als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De bestuursrechter is in dat geval bevoegd van een beroep tegen een besluit van de administratieve beroepsinstantie kennis te nemen, maar mag dat besluit slechts toetsen aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. Die beoordeling kan, kortom, geen betrekking hebben op de inhoud van het afgelegde examen of de afgelegde toets (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1428, onder rechtsoverwegingen 8 en 9).

Beoordeling van het beroep

7. De Afdeling zal hierna ingaan op de gronden die [appellante] tegen de beslissing van 17 februari 2026 heeft aangevoerd.

Geen uitvoering gegeven aan de eerdere beslissing van het CBE

8. [appellante] betoogt dat geen uitvoering is gegeven aan de eerdere beslissing van het CBE van 20 oktober 2025, omdat geen volledige herbeoordeling heeft plaatsgevonden, terwijl het CBE dat wel had opgedragen. Doordat er slechts een gedeeltelijke herbeoordeling heeft plaatsgevonden, is de beslissing onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.

8.1. Uit de beslissing van 20 oktober 2025 volgt niet dat de examinator tot een volledige herbeoordeling van de praktische toets moest overgaan. Het CBE heeft de examinator opgedragen om een nieuwe beslissing met een deugdelijke en navolgbare motivering te nemen. Dat oordeel hield verband met het ontbreken van een nadere en concrete onderbouwing voor de toepassing van het knock-outcriterium en met de onduidelijkheid van de op het beoordelingsformulier gemaakte aantekeningen. Het CBE vond een nieuwe toetsafname niet noodzakelijk, omdat de examinator heeft toegelicht dat de gebruikte elementen niet tijdens het toetsmoment, maar achteraf worden beoordeeld en deze elementen zijn bewaard.

Het betoog slaagt niet.

Herbeoordeling is niet controleerbaar en niet transparant

9. [appellante] betoogt verder dat de herbeoordeling willekeurig en onvoldoende controleerbaar is, omdat er geen duidelijke grensafbakening is tussen het knock-outcriterium en de mogelijkheid op het beoordelingsformulier om 0 punten toe te kennen wegens het opofferen van gezond weefsel.

9.1. Dat, naast de mogelijkheid om voor een onderdeel 0 punten toe te kennen, ook het knock-outcriterium kan worden toegepast, maakt op zichzelf niet dat de beoordeling willekeurig of onvoldoende controleerbaar is. Van belang is dat in dit geval uit de herbeoordeling blijkt op welke wijze de beoordeling tot stand is gekomen en dat deze voldoende inzichtelijk en controleerbaar is gemotiveerd.

Het betoog slaagt niet.

Onzorgvuldige en niet-onafhankelijke herbeoordeling

10. [appellante] betoogt dat, volgens het Protocol Toets Excaveren en Prepareren Ba2-lijn TV2A, studiejaar 2024-2025 (Protocol), het onderdeel outline van de toets door één docent had moeten worden beoordeeld en niet, zoals in haar geval is gebeurd, door twee docenten. De procedurele uitvoering van de herbeoordeling is daarmee in strijd met het Protocol. Daarnaast volgt uit de beoordelingsformulieren dat de twee docenten gezamenlijk de herbeoordeling hebben uitgevoerd. Hun namen zijn immers op beide beoordelingsformulieren vermeld. Hieruit blijkt dat overleg heeft plaatsgevonden. Dit wekt de schijn dat geen onafhankelijke herbeoordeling heeft plaatsgevonden.

10.1. De Afdeling volgt [appellante] niet in het betoog dat bij de herbeoordeling in strijd met het Protocol is gehandeld. Op de derde pagina van het Protocol staat dat alle stappen door twee docenten worden beoordeeld, dat enkele stappen direct door twee docenten ter plaatse worden beoordeeld en dat de laatste stappen direct door de eerste docent worden beoordeeld en achteraf door de tweede docent, zodat de beoordeling niet wordt beïnvloed door de tijd en om toetstijd te besparen. Het onderdeel outline is één van de laatste stappen. Dat op de beoordelingsformulieren de namen van twee docenten zijn vermeld, betekent daarom niet dat de herbeoordeling niet onafhankelijk heeft plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, uit het Protocol een betrokkenheid van twee docenten bij de beoordeling volgt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de docenten vooringenomen of zonder de vereiste onafhankelijkheid hebben gehandeld.

Het betoog slaagt niet.

Gebruik van een beoordelingsformulier uit een ander studiejaar

11. [appellante] betoogt verder dat één van de drie docenten bij de herbeoordeling gebruik heeft gemaakt van een beoordelingsformulier van het studiejaar 2025-2026, terwijl een toets moet worden beoordeeld aan de hand van de ten tijde van de toets toepasselijke criteria die, in dit geval, zijn vermeld in het beoordelingsformulier van het studiejaar 2024-2025. Dit betekent dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld. Een toets moet worden beoordeeld aan de hand van criteria die vooraf aan de betrokken student bekend zijn gemaakt. Daarbij is van belang dat het beoordelingsformulier van het studiejaar 2024-2025 andere termen bevat en gedetailleerdere definities die ten tijde van de toets niet kenbaar waren voor [appellante].

11.1. Zoals hiervoor is overwogen, worden alle stappen van de toets door twee docenten beoordeeld. Omdat, naast de docent die het beoordelingsformulier van 2025-2026 heeft gebruikt, twee docenten de herbeoordeling hebben uitgevoerd aan de hand van het beoordelingsformulier van het studiejaar 2024-2025, bestaat alleen al daarom geen grond voor het oordeel dat de herbeoordeling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt niet.

Reformatio in peius

12. [appellante] betoogt dat in strijd met het verbod op reformatio in peius is gehandeld. Zij voert aan dat feitelijk gezien een verslechtering op sommige onderdelen van de toets heeft plaatsgevonden. Zo is de score op glazuur-dentinegrens in de herbeoordeling verlaagd van 20 naar 5 punten, terwijl dit onderdeel eerder niet ter discussie stond. Dit duidt op een onzorgvuldige procesgang, waarbij de herbeoordeling is aangegrepen om haar positie op onderdelen te verzwakken.

12.1. [appellante] mag door de beslissing van het CBE in beginsel niet in een slechtere positie belanden dan waarin zij zou hebben verkeerd als zij geen rechtsmiddel tegen deze beslissing zou hebben aangewend. Dit is het verbod op reformatio in peius. Hoewel uit de stukken volgt dat bij de herbeoordeling een verslechtering heeft plaatsgevonden op sommige onderdelen van de toets, is het eindresultaat, een onvoldoende, ongewijzigd gebleven. Gelet hierop is de rechtspositie van [appellante] niet verslechterd.

Het betoog slaagt niet.

Strijd met de goede procesorde

13. [appellante] betoogt tot slot dat het CBE in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, omdat zij het volledige dossier pas op 26 januari 2026 heeft ontvangen, terwijl de zitting bij het CBE heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Zij is daardoor onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zich adequaat voor te bereiden.

13.1. Niet in geschil is dat [appellante] het volledige dossier pas twee dagen vóór de zitting heeft ontvangen. Gelet op dit korte tijdsverloop is zij beperkt in haar mogelijkheden om zich adequaat op de zitting voor te bereiden. Hoewel het betoog terecht is voorgedragen, leidt het niet tot gegrondverklaring van het beroep, omdat de Afdeling aanleiding ziet om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daarbij is van belang dat het deels ging om dossierstukken waarover [appellante] al beschikte, zoals de eerdere beslissing van het CBE van 30 oktober 2025, de oorspronkelijke beoordeling en de drie herbeoordelingen. Het CBE heeft de ontbrekende dossierstukken naar aanleiding van een verzoek van [appellante] van 26 januari 2026 nog diezelfde dag verstrekt. Niet aannemelijk is dat [appellante] door het late moment van toezending van de dossierstukken is benadeeld.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond.

15. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2660), wordt bij het passeren van een gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken en een vergoeding van het griffierecht gelast. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om daarvan in dit geval af te zien. Daarom moet het CBE de proceskosten en het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit van Amsterdam in de door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit van Amsterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

452-1189

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand