ECLI:NL:RVS:2026:3015

ECLI:NL:RVS:2026:3015

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202504491/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellante] om zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 afgewezen. [appellante] heeft op 28 augustus 2023 een aanvraag om zorgtoeslag ingediend voor 2020 en 2021. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat hij deze te laat heeft ontvangen. Volgens de Dienst Toeslagen had [appellante], gelet op artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de aanvraag voor 2020 vóór 1 september 2021 en de aanvraag voor 2021 vóór 1 september 2022 moeten indienen. In haar bezwaarschrift heeft [appellante] onder meer te kennen gegeven dat zij ook zorgtoeslag voor 2019 wil ontvangen. In het besluit van 21 maart 2024, waarbij het besluit van 17 oktober 2023 is gehandhaafd, heeft de Dienst Toeslagen ook voor dat jaar geweigerd om haar zorgtoeslag toe te kennen.

Uitspraak

202504491/1/A2.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 26 juni 2025 in zaak nr. 24/3708 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellante] om zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] heeft op 28 augustus 2023 een aanvraag om zorgtoeslag ingediend voor 2020 en 2021. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat hij deze te laat heeft ontvangen. Volgens de Dienst Toeslagen had [appellante], gelet op artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de aanvraag voor 2020 vóór 1 september 2021 en de aanvraag voor 2021 vóór 1 september 2022 moeten indienen.

In haar bezwaarschrift heeft [appellante] onder meer te kennen gegeven dat zij ook zorgtoeslag voor 2019 wil ontvangen. In het besluit van 21 maart 2024, waarbij het besluit van 17 oktober 2023 is gehandhaafd, heeft de Dienst Toeslagen ook voor dat jaar geweigerd om haar zorgtoeslag toe te kennen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, onder meer, de volgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd.

2.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3125) volgt dat de in artikel 15, eerste lid, van de Awir gestelde termijn voor het aanvragen van zorgtoeslag dwingendrechtelijk is. Van deze termijn kan worden afgeweken als de aanvrager uitgenodigd is om over het berekeningsjaar aangifte inkomstensbelasting te doen binnen een termijn die na 1 september volgende op het berekeningsjaar verloopt. Uit de door [appellante] overlegde stukken is niet gebleken dat deze situatie zich hier voordoet. Ook haar stelling dat zij geen aangifte inkomstenbelasting kon doen, omdat zij in Duitsland woont, kan aan het dwingendrechtelijke karakter van deze termijn niet afdoen. In het buitenland wonende Nederlanders zijn onder omstandigheden ook (inkomsten)belastingplichtig in Nederland. De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, waar [appellante] een beroep op heeft gedaan, is niet van toepassing, omdat die uitspraak gaat over artikel 6:11 van de Awb. Dit artikel ziet op de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep en niet op de termijn voor het indienen van een aanvraag om zorgtoeslag.

2.2. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Uit het wettelijk systeem volgt dat het initiatief voor het aanvragen van zorgtoeslag bij de aanvrager ligt. Dat [appellante] te laat was met het indienen van haar aanvraag, omdat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om dit te doen, komt dan ook voor haar rekening. De Dienst Toeslagen is op grond van artikel 15, zevende lid, van de Awir niet verplicht om aan een potentiële aanvrager een aanvraagformulier toe te zenden. Verder is de Dienst Toeslagen een ander bestuursorgaan dan de Belastingdienst en verrichten zij afzonderlijk en los van elkaar werkzaamheden. De Dienst Toeslagen beschikt dus, anders dan [appellante] stelt, niet automatisch over de inkomensgegevens die aanwezig zijn bij de Belastingdienst. Ook het beroep op artikel 21a van de Awir kan niet slagen. [appellante] heeft immers geen kinderopvangtoeslag ontvangen over de jaren 2019, 2020 en 2021, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Dienst Toeslagen ten tijde van het besluit van 21 maart 2024 niet bevoegd was om op de aanvraag om zorgtoeslag te beslissen en heeft verzuimd om deze aanvraag naar het bevoegde bestuursorgaan - de Belastingdienst - door te sturen.

3.1. Dit betoog slaagt niet. De Dienst Toeslagen is een zelfstandig bestuursorgaan in de zin van artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Awb dat op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag bevoegd is om een besluit te nemen over een aanvraag om zorgtoeslag. De Dienst Toeslagen was niet gehouden om de aanvraag van [appellante] door te zenden naar een ander bestuursorgaan.

4. [appellante] betoogt verder dat zij in een bij de Sociale Verzekeringsbank ingediend bezwaarschrift van 14 november 2019, in een bij de Belastingdienst ingediend bezwaarschrift van 30 maart 2020 en in een bij de Belastingdienst ingediend verzoek om teruggaaf van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 28 mei 2020 (ook) tijdig een aanvraag om verlening van zorgtoeslag heeft ingediend. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1160, waaruit volgens haar volgt dat bij een gebonden recht als de zorgtoeslag geen ruimte bestaat voor een strikte, discretionaire toepassing die leidt tot verlies van een aanspraak. Omdat niet tijdig op haar aanvraag is beslist, heeft zij recht op schadevergoeding.

4.1. [appellante] heeft de bezwaarschriften van 14 november 2019 en 30 maart 2020 niet overgelegd. Uit de door haar gegeven omschrijving van de inhoud van deze stukken blijkt niet van een intentie om zorgtoeslag aan te vragen. Hetzelfde geldt voor de inhoud van het door haar overgelegde verzoek van 28 mei 2020. Haar betoog dat zij daarmee tijdig een aanvraag om zorgtoeslag heeft ingediend wordt daarom gepasseerd. Ook het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1160, slaagt niet. Uit die uitspraak volgt niet dat de Dienst Toeslagen in het geval van [appellante] gehouden was om haar zorgtoeslag toe te kennen. Het toepasselijke wettelijke kader is te vinden in artikel 15, eerste lid, van de Awir. Die bepaling vereist een tijdige aanvraag. Die heeft [appellante] niet ingediend. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht afgewezen.

Het betoog slaagt niet.

5. De gronden die [appellante] in hoger beroep voor het overige aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij hierover ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. De Dienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

452-1190

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand