202504123/1/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2025 in zaak nr. 24/10881 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Alblasserdam.
Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de burgemeester een woning aan de [locatie] in Alblasserdam voor drie maanden gesloten.
Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Stichting Woonkracht10 heeft als derde-belanghebbende een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Roos, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Braadman en J. van Herwijnen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] huurde een woning aan de [locatie] in Alblasserdam. Naar aanleiding van een tip bij Meld Misdaad Anoniem (MMA) heeft de politie op 16 februari 2024 een onderzoek in de woning ingesteld. In de daarover op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 27 februari 2024 staat dat in de woning een hennepkwekerij werd aangetroffen. De kwekerij bestond uit meerdere kweekruimtes op de bovenverdieping van de woning. Er werden 326 moederhennepplanten en 4.788 hennepstekken aangetroffen. Verder zijn er assimilatielampen, koolstoffilters, tijdklokken, een afzuiginstallatie, verwarming en een waterzak aangetroffen. Ook is vastgesteld dat de elektriciteit voor de kwekerij illegaal werd afgetapt.
Besluitvorming
2. De burgemeester heeft besloten om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig het Drugs- en coffeeshopbeleid gemeente Alblasserdam 2017 (Drugs- en coffeeshopbeleid) voor de duur van drie maanden te sluiten. Volgens de burgemeester is de sluiting noodzakelijk, omdat het gaat om een ernstig geval vanwege de grote hoeveelheid hennepplanten en -stekken, de professionele opzet van de hennepkwekerij die verdeeld was over meerdere kweekruimten en de diefstal van elektriciteit. Ook heeft het college van belang geacht dat de hennepkwekerij werd ontdekt door een tip bij MMA en dat de sluiting een belangrijk signaal aan de melder afgeeft dat het nut heeft om criminaliteit te melden. Na afweging van alle betrokken belangen heeft de burgemeester geen aanleiding gezien om van de sluiting af te zien. Het door [appellant] tegen de sluiting gemaakte bezwaar heeft de burgemeester met het besluit van 22 oktober 2024 ongegrond verklaard.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting noodzakelijk was. Volgens [appellant] gaat het niet om een ernstig geval in de zin van het Drugs-en coffeeshopbeleid en had de burgemeester daarom moeten volstaan met een waarschuwing. Hiertoe voert hij aan dat het enkele feit dat het gaat om een professionele hennepkwekerij onvoldoende is om te spreken van een ernstige situatie. Gelet op het Drugs- en coffeeshopbeleid moeten er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om van een ernstig geval te kunnen spreken. Deze bijzondere omstandigheden zijn niet aanwezig.
[appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting evenwichtig was. Hiertoe voert hij aan dat de burgemeester de belangen van [appellant] onvoldoende in de belangenafweging heeft meegenomen. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
3.1. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
3.2. De Afdeling komt net als de rechtbank tot het oordeel dat de sluiting noodzakelijk was. In het Drugs- en coffeeshopbeleid staat dat sprake kan zijn van een ernstig geval bij een combinatie van kweken/telen en aanwezigheid van softdrugs. Dat is hier het geval. Uit de bestuurlijke rapportage van 27 februari 2024 volgt dat een zeer professionele hennepkwekerij werd aangetroffen die bestond uit meerdere kweekruimtes op de bovenverdieping van de woning waarbij 326 moederhennepplanten en 4.788 hennepstekken werden aangetroffen. De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de combinatie van de hoeveelheid aangetroffen moederplanten en stekken en de opzet van de hennepkwekerij kan worden afgeleid dat de hennepkwekerij een productielocatie was voor hennepkwekerijen elders en daarmee onderdeel van de georganiseerde handel in softdrugs. Gelet op het voorgaande was sprake van een ernstig geval en mocht de burgemeester afwijken van de handhavingsmatrix van het beleid door geen waarschuwing te geven, maar direct tot sluiting over te gaan. Hierbij weegt de Afdeling ook mee dat de hennepkwekerij is aangetroffen naar aanleiding van een MMA-melding.
3.3. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de sluiting evenwichtig was. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de burgemeester in het besluit van 22 oktober 2024 de belangen van [appellant] in de belangenafweging meegenomen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd waarom de burgemeester zijn belangen zwaarder had moeten laten wegen dat het belang bij sluiting. Daar komt nog bij dat [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet van de hennepkwekerij wist. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verklaard dat hij, toen hij niet in de woning verbleef, regelmatig zijn post in de woning kwam ophalen. Gelet op de omvang van de aangetroffen hennepkwekerij moet [appellant] de aanwezigheid daarvan hebben opgemerkt. Bovendien was hij zelf in de woning aanwezig toen de politie de woning was binnengevallen. Dat hij pas op de dag van de inval de hennepkwekerij had ontdekt, acht de Afdeling onvoldoende geloofwaardig. Bovendien komt dit niet overeen met een eerdere verklaring van [appellant] dat hij drie dagen vóór de inval op de hoogte is geraakt van de hennepkwekerij.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
1031