ECLI:NL:RVS:2026:3018

ECLI:NL:RVS:2026:3018

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202504190/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 6 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop [appellanten], onder oplegging van een dwangsom, gelast het tuinhuis en hekwerk op het perceel [locatie 1] in Nieuwveen (het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden. [appellanten] wonen op het perceel en hebben achter hun woning een tuinhuis gebouwd. Op het perceel is het bestemmingsplan "De Verwondering Noordereiland", vastgesteld op 12 juli 2018, van toepassing. [partij] woont op het perceel [locatie 2] in Nieuwveen, direct naast het perceel van [appellanten]. [partij] heeft een verzoek om handhaving ingediend. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het tuinhuis zonder de benodigde omgevingsvergunning is gebouwd, omdat het niet voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen. Volgens het college is het tuinhuis in strijd met de regels uit het bestemmingsplan. Het college heeft daarom besloten handhavend op te treden en heeft een dwangsom van € 2.000 per maand opgelegd met een maximum van € 20.000.

Uitspraak

202504190/1/R3.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2025 in zaak nr. 24/8796 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2024 heeft het college [appellanten], onder oplegging van een dwangsom, gelast het tuinhuis en hekwerk op het perceel [locatie 1] in Nieuwveen (het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het college beslist op het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar en het besluit van 6 maart 2024 in stand gelaten, met dien verstande dat het hekwerk ook mag worden teruggebracht tot 1 m.

Bij uitspraak van 27 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 november 2025, waar [appellant B], bijgestaan door mr. R.J. Grasmeijer, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door I. Kuipers en mr. M. van Eck, zijn verschenen. Ook is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) is ingediend vóór 1 januari 2024 en het bestuursorgaan naar aanleiding van dit verzoek na dit tijdstip een last onder dwangsom heeft opgelegd, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 van toepassing totdat dit besluit onherroepelijk wordt.

Naar aanleiding van een handhavingsverzoek dat vóór 1 januari 2024 is ingediend heeft het college bij besluit van 6 maart 2024 aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellanten] wonen op het perceel en hebben achter hun woning een tuinhuis gebouwd. Op het perceel is het bestemmingsplan "De Verwondering Noordereiland", vastgesteld op 12 juli 2018, van toepassing. [partij] woont op het perceel [locatie 2] in Nieuwveen, direct naast het perceel van [appellanten]. [partij] heeft een verzoek om handhaving ingediend.

3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het tuinhuis zonder de benodigde omgevingsvergunning is gebouwd, omdat het niet voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen. Volgens het college is het tuinhuis in strijd met de regels uit het bestemmingsplan. Het college heeft daarom besloten handhavend op te treden en heeft een dwangsom van € 2.000 per maand opgelegd met een maximum van € 20.000.

4. [appellanten] kunnen zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank. Volgens hen mocht het tuinhuis vergunningvrij gebouwd worden. Zoals uitdrukkelijk bevestigd op de zitting, beperkt het geschil in hoger beroep zich tot de vraag of vergunningvrij kon worden gebouw op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor).

Mocht er toch sprake zijn van een overtreding, dan had het college volgens [appellanten] moeten afzien van handhavend optreden vanwege bijzondere omstandigheden.

5. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroepsgronden

Vergunningvrij bouwen op grond van artikel 2 van bijlage II van het Bor

6. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het tuinhuis niet vergunningvrij gebouwd mocht worden op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor. Zij voeren een aantal argumenten aan die de Afdeling hierna zal behandelen.

Vergunningvrij: Achtererfgebied

6.1. [appellanten] voeren aan dat de gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone" zijn aan te merken als "erf" en "achtererfgebied" in de zin van het Bor, en daar dus vergunningvrij gebouwd mag worden. Zij wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5247, waaruit volgt dat de gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone" onderdeel zijn van het bouwperceel.

6.1.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone" geen onderdeel zijn van het erf en achtererfgebied als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Dat deze gronden onderdeel zijn van het bouwperceel, betekent volgens het college niet dat ze ook onderdeel zijn van het erf. De planregels voor de bestemming "Tuin - Oeverzone" bevatten namelijk sterke belemmeringen om deze gronden te gebruiken en feitelijk in te richten ten dienste van het hoofdgebouw. Er mogen namelijk geen gebouwen geplaatst worden. Op de zitting heeft het college nog gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2710. Volgens het college volgt uit die uitspraak dat in een bestemmingsplan niet alle mogelijkheden uitgesloten hoeven zijn om de inrichting als erf te verbieden.

6.1.2. Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk is op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor, onder bepaalde voorwaarden omgevingsvergunningsvrij als het in het achtererfgebied staat. Voor het antwoord op de vraag of het perceelgedeelte waarop het bijgebouw staat tot het achtererfgebied behoort, is van belang of het kan worden aangemerkt als erf in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor.

Op grond van artikel 1 van bijlage II van het Bor wordt onder erf verstaan: "al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden".

6.1.3. Het tuinhuis staat gedeeltelijk op gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone".

Op grond van artikel 4.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor oeverzones, behorende bij de op aangrenzende gronden gelegen gebouwen, met de daarbij behorende tuinen, terrassen, vlonders en keerwanden.

Op grond van artikel 4.2.1 van de planregels zijn op de gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone" geen gebouwen toegestaan. Op grond van artikel 4.2.2 van de planregels, zijn alleen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan: terrassen, vlonders en keerwanden.

6.1.4. De Afdeling komt tot het oordeel dat de gronden waarop het tuinhuis staat met de bestemming "Tuin - Oeverzone" onderdeel zijn van het erf en daarmee achtererfgebied zijn, als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Dit betekent dat artikel 2 van bijlage II van het Bor in beginsel daarop van toepassing is. De Afdeling overweegt in dat verband dat de planregels niet in de weg staan aan de mogelijkheid de gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone" in te richten als erf. Het enkel in de planregels niet toestaan van gebouwen op deze gronden, acht de Afdeling daarvoor onvoldoende. De gronden mogen op grond van de planregels namelijk gebruikt worden als tuin ten behoeve van de woning en de bestemming is daarmee gerelateerd aan het hoofdgebouw. Ook zijn er, hoewel beperkt, ter plaatse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan aan de woning. Verder is in het plan geen verbod of beperking opgenomen voor het aanbrengen van normale bij de woning behorende buiteninrichting, zoals bijvoorbeeld terrasverharding, siertuin of vijverpartijen. De gronden mogen daarom naar het oordeel van de Afdeling feitelijk worden ingericht ten dienste van de woning.

Dat in de plantoelichting staat dat de gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone" niet beschouwd worden als "erfgebied" in de zin van het Bor, doet hier niet aan af, alleen al niet omdat de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Voor de vraag of de inrichting van de gronden als erf is verboden, zijn de planregels bepalend. Zoals hiervoor overwogen, zijn de planregels duidelijk en wordt de inrichting als erf daarin niet verboden.

Tot slot ziet de Afdeling in de uitspraak van 3 juli 2024 waar het college naar verwijst ook geen aanleiding voor een ander oordeel. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat met een planregeling waarin was opgenomen dat delen van een perceel niet als achtererfgebied worden aangemerkt, de inrichting van die gronden als erf niet was verboden. In deze procedure gaat het niet om een vergelijkbare planregeling.

Het betoog slaagt in zoverre.

6.1.5. Dat dit deel van het betoog slaagt, betekent nog niet dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Dat is alleen het geval als de Afdeling, anders dan de rechtbank, tot het oordeel komt dat het tuinhuis voldoet aan alle voorwaarden uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor, en daarom zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Tussen partijen is in geschil of het tuinhuis voldoet aan de maximale bouwhoogte om vergunningvrij te mogen worden gebouwd. Daar zal de Afdeling hierna op ingaan.

Vergunningvrij: hoogte van het tuinhuis

6.2. [appellanten] voeren aan dat het tuinhuis voldoet aan de maximale bouwhoogte van 3 m, zoals volgt uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder b, en onder 1°, van bijlage II van het Bor.

Zij voeren aan het college de hoogte van het tuinhuis op een verkeerde wijze heeft gemeten. Niet de meetmethode uit bijlage II van het Bor, maar de wijze van meten uit het geldende bestemmingsplan had gebruikt moeten worden. Daarbij moet gemeten worden aan de hand van het bouwpeil dat bij aankoop van het perceel is vastgesteld op -4,70 m NAP. Volgens [appellanten] heeft de inspecteur van de gemeente ten onrechte gemeten op een plek waar het peil -4,90 m NAP is. Daardoor komt de meting van het college 20 cm te hoog uit. [appellanten] voeren daarnaast aan dat het stukje daktrim een ondergeschikt onderdeel van het tuinhuis is, wat ten onrechte meegenomen is in de meting van de hoogte. Gemeten vanaf het juiste peil en zonder daktrim, is er volgens [appellanten] geen sprake van een overschrijding van de maximale hoogte van 3 m om vergunningvrij te mogen bouwen.

Verder voeren [appellanten] aan dat het tuinhuis, na aanpassingen aan de tuin, ook gemeten volgens de meetmethode uit het Bor, voldoet aan de maximale hoogte van 3 m. Dit blijkt uit de rapportage van Van Drie Maatvoering.

6.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het tuinhuis, omdat dit niet voorzien is van een schuin dak en voor een groot deel verder dan 4 m van het hoofdgebouw staat, op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder b, onder 1°, van bijlage II van het Bor, maximaal 3 m hoog mag zijn om vergunningvrij te mogen worden gebouwd.

6.2.2. In het controlerapport van 27 februari 2024 staan de meetresultaten van controles die zijn uitgevoerd op 17 januari 2023 en 23 oktober 2023. Op 17 januari 2023 is een hoogte van 3,26 m gemeten en op 23 oktober 2023 een hoogte van 3,28 m. Uit het controlerapport blijkt dat is gemeten vanaf de bestrating links van de toegangsdeur van het tuinhuis tot de bovenzijde van de daktrim. Het college heeft in zijn besluiten de meest recente meting van 3,28 m aangehouden.

6.2.3. De Afdeling overweegt dat het college terecht de meetmethode uit het bijlage II van het Bor heeft gebruikt. Metingen in het kader van de beoordeling of een bouwwerk vergunningvrij is op grond van het Bor, moeten verricht worden volgens de meetmethode beschreven in artikel 1, tweede lid, van bijlage II van het Bor, tenzij anders is bepaald. [appellanten] stellen zich overigens ook zelf op het standpunt dat de planregels niet van toepassing zijn, omdat die het tuinhuis niet toestaan. In dit geval gaat het om het meten van de hoogte van het tuinhuis voor de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder b, en onder 1°, van bijlage II van het Bor. In dat artikel is niet bepaald dat een andere meetmethode gebruikt moet worden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1253, onder 3.1.

Dit betekent dat moet worden gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. Verder blijven uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing. Met de rechtbank overweegt de Afdeling dat uit het controlerapport van 27 februari 2024 volgt dat het college heeft gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Uit deze meting blijkt dat het tuinhuis meer dan 3 m hoog is.

Dat er volgens [appellanten] is gemeten op een ongunstige plek waar het peil lager ligt dan het bij aankoop vastgestelde bouwpeil, leidt niet tot het oordeel dat de hoogtemeting van het college onjuist is. Het college heeft terecht en op juiste wijze de meetmethode uit bijlage II van het Bor toegepast en daarin is het peil niet relevant.

6.2.4. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de daktrim buiten beschouwing gelaten moet worden, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de zienswijze van [appellanten] van 27 november 2023 blijkt dat de daktrim ongeveer 5 cm hoog is. Gelet op de hoogte van het tuinhuis die het college heeft gemeten en de hoogte van de daktrim, overweegt de Afdeling dat zelfs als de daktrim buiten beschouwing wordt gelaten, het tuinhuis, gelet op de meting door het college, nog steeds hoger is dan 3 m. Alleen daarom al kan dit argument niet leiden tot een geslaagd betoog.

6.2.5. Over de rapportage van Van Drie Maatvoering overweegt de Afdeling tot slot het volgende. Bij de beoordeling van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom gaat de Afdeling uit van de feiten zoals die zich ten tijde van het nemen van het besluit voordeden. Omdat het rapport van Van Drie Maatvoering gaat over de situatie nadat [appellanten] het terrein rond het tuinhuis hebben gewijzigd en dit heeft plaatsgevonden na de beslissing op bezwaar, kan dit rapport alleen daarom al niet worden betrokken bij die beoordeling.

6.2.6. Gelet op voorgaande overwegingen komt de Afdeling tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het tuinhuis hoger is dan 3 m en daarom niet voldoet aan maximale bouwhoogte zoals volgt uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder b, en onder 1°, van bijlage II van het Bor.

In zoverre slaagt het betoog niet.

Vergunningvrij: conclusie

6.3. Gelet op het oordeel onder 6.2.6, voldoet het tuinhuis niet aan alle voorwaarden uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het tuinhuis niet op grond van artikel 2 van bijlage II van het Bor zonder een omgevingsvergunning gebouwd mocht worden.

Het betoog slaagt niet.

Nieuw recht

7. [appellanten] betogen dat het tuinhuis ook vergunningvrij is op grond van artikel 22.36, onder a, onder 2, van de regels van het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop (het omgevingsplan).

7.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, volgt, kortgezegd, dat als het tuinhuis onder nieuw recht, dat wil zeggen het recht zoals dat geldt vanaf 1 januari 2024, wel vergunningvrij zou zijn, het college om die reden alsnog niet bevoegd zou zijn om handhavend op te treden.

De Afdeling stelt evenwel vast dat artikel 22.36, aanhef en onder a, onder 2, in samenhang gelezen met artikel 22.27, onder a, van de regels van het omgevingsplan, dezelfde strekking heeft als artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder b, van bijlage II van het Bor. Daarnaast is de meetmethode, opgenomen in artikel 22.24, eerste lid, van de regels van het omgevingsplan, hetzelfde als de meetmethode uit bijlage II van het Bor. Gelet op het oordeel onder 6.2.6 en 6.3 overweegt de Afdeling daarom dat het tuinhuis evenmin voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen en het in stand houden van bijbehorende bouwwerken uit artikel 22.36, aanhef en onder a, onder 2, van de regels van het omgevingsplan. Het tuinhuis mocht dus ook niet op grond van het nieuwe recht zonder omgevingsvergunning gebouwd worden.

Het betoog slaagt niet.

Afzien van handhaving

8. [appellanten] betogen verder dat het college had moeten afzien van handhavend optreden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Zij voeren daarvoor twee argumenten aan die hieronder worden behandeld.

8.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.

Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Afzien van handhaving: geringe overschrijding

8.2. [appellanten] voeren aan dat handhavend optreden onevenredig is omdat de gestelde overschrijding van de maximale bouwhoogte zeer beperkt is. De overschrijding van minder dan 10% is nauwelijks waarneembaar en er is geen sprake van schaduwwerking bij de buren. Daarom is niet duidelijk wat het doel van handhaving is. Afbreken en enkele centimeters lager herbouwen leidt niet tot een wezenlijk andere ruimtelijke situatie en daar zijn kosten aan verbonden. [appellanten] wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:455, waarin is geoordeeld dat handhavend optreden vanwege 0,5 m afwijken van de bouwvergunning onevenredig was.

8.2.1. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 6.3 en 7.1, mocht het tuinhuis niet zonder omgevingsvergunning worden gebouwd op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor.

De Afdeling overweegt dat het zonder de benodigde omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk geen geringe overtreding is. Dat de maximale bouwhoogte om vergunningvrij te kunnen bouwen met slechts 0,28 m wordt overschreden, maakt dit niet anders. Nu artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is overtreden en, zoals hiervoor overwogen onder 8.1, met handhaving van de wet het algemeen belang is gediend, ziet de Afdeling in de gestelde omstandigheid dat het tuinhuis geen hinder zou veroorzaken, wat daar ook van zij, geen reden dat het college had moeten afzien van handhaving. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat het laten verwijderen van het tuinhuis financiële gevolgen met zich brengt, overweegt de Afdeling dat zij op eigen risico het tuinhuis hebben gebouwd zonder de daarvoor benodigde vergunning. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4174, onder 11.1.

De Afdeling overweegt verder dat de situatie in de door [appellanten] genoemde uitspraak van 24 juli 2013 niet vergelijkbaar is, alleen al niet omdat het daar ging om de situatie dat is afgeweken van een verleende vergunning, terwijl in dit geval geen vergunning is aangevraagd of verleend.

In zoverre slaagt het betoog niet.

Afzien van handhaving: gelijke gevallen

8.3. [appellanten] voeren aan dat er in buurt vergelijkbare bouwwerken zijn die ook gebouwd zijn op gronden met de bestemming "Tuin - Oeverzone", waar het college niet handhavend tegen optreedt. Zij hebben een overzicht gegeven van vergelijkbare bouwwerken.

Ook voeren zij aan dat het college eerder niet handhavend heeft opgetreden tegen een vergunningvrij bouwwerk dat 3,16 m was.

8.3.1. Het college stelt dat er geen handhavingsverzoeken zijn gedaan ten aanzien van de volgens [appellanten] vergelijkbare gevallen. Op grond van het "Beleidsplan Veiligheid en Handhaving 2023-2026" (het handhavingsbeleid) is de prioriteit voor handhaving van strijd met het bestemmingsplan laag. Het college treedt enkel handhavend op als er een handhavingsverzoek is ingediend.

Verder stelt het college dat ook de genoemde situatie met het bijgebouw van 3,16 m niet vergelijkbaar is. In dat geval was er sprake van een aanbouw waar een omgevingsvergunning voor is verleend en was er ook geen handhavingsverzoek ingediend.

8.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982, mogen bij handhaving prioriteiten gesteld worden. Dit is toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Prioriteitstelling in handhavingsbeleid mag inhouden dat bij bepaalde overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of er handhavend moet worden opgetreden.

In bijlage A van het handhavingsbeleid staat dat gebruik in strijd met het bestemmingsplan zonder gevaar of overlast lage prioriteit krijgt. Daarnaast staat in paragraaf 8.2 van het handhavingsbeleid dat tegen overtredingen met laag risico alleen bij een formeel verzoek om handhaving wordt opgetreden.

Gelet hierop en omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er ook handhavingsverzoeken zijn ingediend met betrekking tot de volgens [appellanten] vergelijkbare bouwwerken in de buurt, is in zoverre al geen sprake van gelijke gevallen met de situatie van [appellanten], waar immers wel een verzoek om handhaving is ingediend.

8.3.3. Over het niet handhavend optreden tegen een bouwwerk dat volgens [appellanten] 3,16 m hoog is, overweegt de Afdeling het volgende.

Voor die aanbouw van 3,16 m was een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend, zodat het geschil het bouwen in afwijking van een verleende vergunning betrof. [appellanten] hebben daarentegen geen omgevingsvergunning aangevraagd voor hun tuinhuis. Alleen daarom al is geen sprake van een gelijk geval waarin het college aanleiding had moeten zien om niet handhavend op te treden.

8.3.4. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college niet in strijd met gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schadd

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

1076

BIJLAGE

Besluit omgevingsrecht

Bijlage II

Artikel 1

1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

[…]

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

2. Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in deze bijlage in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

a. afstanden loodrecht,

b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en

c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven.

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. […]

b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1) indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2) […]

Bestemmingsplan De Verwondering Noordereiland

Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin - Oeverzone' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. oeverzones, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;

met de daarbij behorende:

b. tuinen;

c. terrassen, vlonders en keerwanden.

Artikel 4.2.1

Op, in of boven deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan.

Artikel 4.2.2.

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a. uitsluitend terrassen, vlonders en keerwanden zijn toegestaan;

b. de bouwhoogte van een keerwand mag niet meer dan 0,50 m bedragen.

Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop

Artikel 22.24

1. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

a. afstanden loodrecht;

b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en

c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

Artikel 22.27

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. op de grond staand;

2. gelegen in achtererfgebied;

3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4. niet hoger dan 5 m;

5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

b. […]

Artikel 22.36

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. […]

2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

ii. […]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand