202503503/1/R1.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Den hoorn, gemeente Midden-Delfland,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2025 heeft het college besloten tot opheffing en wijziging van locaties voor het aanbieden van afval door middel van minicontainers aan de Lookwatering 3 tot en met 13 in Den Hoorn.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2026, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door C.N. van Bergen Henegouwe, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Aanbiedlocatie CJ-8 voor de minicontainers van de Lookwatering 8 tot en met 13 ligt aan het einde van een doodlopend gedeelte van de weg Lookwatering. De weg gaat daar over in een fietspad en ligt langs een waterloop. Het voertuig dat het in de containers aangeboden afval inzamelt, moet om terug te kunnen rijden, keren bij de aanbiedlocatie. Daarvoor werd gebruik gemaakt van het perceel aan de [locatie 1]. Maar de eigenaar van dat perceel heeft laten weten dit gebruik niet langer toe te staan en het perceel te zullen afsluiten met een hek. Daardoor kan er niet meer worden gekeerd bij de aanbiedlocatie en zou het inzamelvoertuig achteruit moeten rijden over ongeveer 300 m. De reden voor het opheffen van de aanbiedlocatie is er hoofdzakelijk in gelegen dat volgens het college achteruitrijden verkeersonveilig is en niet is toegestaan volgens de gemeentelijke beleidscriteria zoals neergelegd in de Inrichtingscriteria inzamelvoorzieningen (hierna: inrichtingscriteria), vastgesteld door het college op 31 januari 2017.
[appellant] en anderen wonen aan de [locatie 2] tot en met [locatie 3]. Zij zijn het niet eens met de opheffing van de aanbiedlocatie, omdat zij daardoor worden aangewezen op de verder van hun woningen gelegen aanbiedlocatie aan de Victoria. De afstand vanaf hun woningen tot deze locatie is 250 tot 300 m. [appellant] en anderen kunnen ook gebruik maken van de aanbiedlocatie aan de Achterdijkshoorn op ongeveer 100 m afstand van hun woningen. Maar daarvoor moeten zij over een waterloop met een voetgangersbrug lopen.
Toetsingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
Het beroep
3. [appellant] en anderen betogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het verbod op achteruitrijden is volgens [appellant] en anderen niet zo absoluut als het college stelt. Volgens de inrichtingscriteria is achteruitrijden namelijk wel toegestaan als dit onder begeleiding gebeurt. Dit gebeurt in de praktijk ook. Zij wijzen er op dat de afvalinzamelaar, Avalex, nooit heeft meegedeeld dat het achteruit rijden onveilig zou zijn.
4. Het college heeft bij de vaststelling van het besluit de "Inrichtingscriteria inzamelvoorzieningen" van 31 januari 2017 gehanteerd. Daarin zijn de doelstellingen benoemd die het college wil bereiken bij de keuze van de locatie voor inzamelvoorzieningen. Daarbij is in bijlage I aan de hand van verschillende criteria uitgewerkt hoe die doelstellingen bereikt moeten worden. Het college wijst op criterium d6 waarin staat: "De inzamelvoorzieningen moeten zodanig bereikbaar zijn dat het inzamelvoertuig niet onbegeleid achteruit hoeft te rijden." De Afdeling acht dit uitgangspunt/criterium op zichzelf bezien niet onredelijk. Maar - anders dan het college stelt - houdt criterium d6 geen absoluut verbod in. Achteruitrijden is namelijk wel toegestaan als dit onder begeleiding gebeurt.
5. Het college heeft op de zitting erkend dat tot dusver de containers aan de bovengenoemde adressen aan de Lookwatering worden geleegd met een smalle achterlader en dat daarbij standaard begeleiders aanwezig zijn. Tegen die achtergrond is onduidelijk hoe het college de belangen van deze gebruikers bij de besluitvorming heeft betrokken. Door de opheffing van hun locatie zijn zij namelijk aangewezen op een locatie die verder weg ligt en naar gesteld lastig bereikbaar is met een minicontainer aan de hand. Het college heeft niet onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van een verkeersdeskundige, dat achteruit rijden met een smalle achterlader met begeleiders hier tot problemen voor de bestuurder van het ophaalvoertuig of tot verkeersonveilige situaties voor de bestuurder of andere weggebruikers heeft geleid of in de toekomst zal leiden. De stelling van het college dat Avalex heeft aangegeven dat er verkeersonveilige situaties ontstaan, is evenmin met nadere stukken, zoals verklaringen van Avalex, onderbouwd.
Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46. Het betoog slaagt.
6. Het beroep is gegrond. Het besluit van 26 april 2025 moet worden vernietigd.
7. Het college hoeft de proceskosten niet te betalen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van 26 april 2025, nummer 800549, van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, voor zover daarbij de aanbiedlocatie CJ-8 wordt opgeheven en de aanbiedlocatie voor de adressen Lookwatering 8 tot en met 13 zijn gewijzigd in locatie MA-2;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 194,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van dit bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
361