ECLI:NL:RVS:2026:3020

ECLI:NL:RVS:2026:3020

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202502137/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 december 2022 heeft de raad voor rechtsbijstand de aanvraag om toevoeging van [appellant] afgewezen. [appellant] was toen het besluit van 21 december 2022 werd genomen gedetineerd. Vanwege een incident is hij in afzondering geplaatst. Ook in afzondering hebben gedetineerden het recht om per dag één uur te luchten. Op 6 en 7 november 2022 heeft [appellant] echter twee dagen niet kunnen luchten. Hij heeft een toevoeging aangevraagd voor het indienen van een klacht bij de Commissie van Toezicht. De raad heeft die aanvraag afgewezen op grond van zelfredzaamheid, zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). In bezwaar heeft de raad die beslissing in stand gelaten. Aan de ongegrondverklaring van het beroep heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de raad beoordelingsruimte heeft bij de beoordeling of het gaat om een belang waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de rechtzoekende zelf kan worden overgelaten.

Uitspraak

202502137/1/A2.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 27 februari 2025 in zaak nr. 23/2340 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2022 heeft de raad de aanvraag om toevoeging van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Uslu, advocaat in Nuth, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] was toen het besluit van 21 december 2022 werd genomen gedetineerd. Vanwege een incident is hij in afzondering geplaatst. Ook in afzondering hebben gedetineerden het recht om per dag één uur te luchten. Op 6 en 7 november 2022 heeft [appellant] echter twee dagen niet kunnen luchten. Hij heeft een toevoeging aangevraagd voor het indienen van een klacht bij de Commissie van Toezicht. De raad heeft die aanvraag afgewezen op grond van zelfredzaamheid, zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). In bezwaar heeft de raad die beslissing in stand gelaten.

De uitspraak van de rechtbank

2. Aan de ongegrondverklaring van het beroep heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de raad beoordelingsruimte heeft bij de beoordeling of het gaat om een belang waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de rechtzoekende zelf kan worden overgelaten. De raad heeft hiervoor ‘werkinstructie Z080 geschillen / klachtzaken gedetineerden’ opgesteld. Op grond hiervan kan bij uitzondering een toevoeging worden toegekend als het gaat om een zwaarwegend belang. Er kan sprake zijn van een zwaarwegend belang als de persoonlijke integriteit van de rechtzoekende aanmerkelijk wordt aangetast. In het geval van persoonlijke verzorging, zoals luchten, is dat niet zonder meer het geval. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat het gaat om feitelijke of juridische complexiteit. Niet is gebleken waarom [appellant] niet zelf een klacht kon indienen. Ook is het indienen van een klacht over deze feitelijke situatie niet ingewikkeld. Dat een deel van de klacht gegrond is verklaard, doet niets af aan eenvoud van de klacht.

Het hoger beroep en de beoordeling daarvan

3. [appellant] betoogt dat in dit geval volgens de werkinstructie zelf de aard van het recht dat is geschonden een zwaarwegend belang oplevert. Het niet luchten staat op de kenniswijzer van de raad namelijk genoemd als aantasting van de persoonlijke integriteit. Volgens [appellant] heeft de rechtbank de werkinstructie verkeerd uitgelegd door uit te gaan van cumulatieve criteria, terwijl slechts aan één van beide hoeft te zijn voldaan. Omdat het gaat om twee afzonderlijke criteria, speelt de juridische of feitelijke complexiteit in deze zaak geen rol meer. Het belang levert een op zichzelf staande reden op en de rechtbank had enkel daarover moeten oordelen.

3.1. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn lezing van de uitspraak van de rechtbank dat de uitzonderingen die uit de werkinstructie volgen, namelijk dat toch een toevoeging kan worden verstrekt vanwege de feitelijke, dan wel juridische complexiteit, dan wel vanwege een zwaarwegend belang, cumulatieve criteria zijn. De rechtbank heeft in haar oordeel beide mogelijkheden op de inhoud beoordeeld. Uit de uitspraak volgt, terecht, niet dat de rechtbank een cumulatie vereist.

4. De gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 14 tot en met 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt hieraan toe dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem genoemde gevallen met zijn situatie vergelijkbaar zijn. Indien in die gevallen ten onrechte een toevoeging is verleend, dan noopt het gelijkheidsbeginsel er niet toe dat de raad gehouden is deze fout te herhalen.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

284-1043

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. O. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand