202502088/1/R1.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Vlissingen,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college onder meer de locatie ter hoogte van het adres [locatie] in Vlissingen aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC).
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 maart 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J. Bijl en T.F. Lina, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] woont op het adres [locatie]. De ORAC is voorzien bij de toegang tot de achtertuin van dit adres.
2. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
3. [appellant] betoogt dat het college deze locatie niet heeft kunnen aanwijzen. Hij voert aan dat de ORAC geurhinder en, met name in de nacht, geluidhinder veroorzaakt en ongedierte aantrekt. Ook tast de ORAC zijn uitzicht aan en wordt er naast de inwerpzuil afval geplaatst. Op de zitting heeft [appellant] verduidelijkt dat de afstand van de ORAC tot de erfgrens 1,4 m is en dat het daardoor lastig is om met grote voorwerpen langs de ORAC naar de achtertuin te manoeuvreren.
4. In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor. Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toename van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Maar uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom alleen maar beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen. De betogen over geluid, geur en ongedierte kunnen om die reden niet slagen.
5. Over het uitzicht overweegt de Afdeling dat de inwerpzuil achter de schutting van de achtertuin van [appellant] staat en dus grotendeels aan het zicht vanuit zijn woning wordt onttrokken. De Afdeling ziet alleen al daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de locatie niet had mogen aanwijzen vanwege de aantasting van het uitzicht. Over het bijplaatsen van afval overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is. Deze betogen slagen niet.
5.1. Over de toegankelijkheid van de achtertuin overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft toegelicht dat de ORAC op een voormalige parkeerplek is voorzien. De afstand van traanplaat tot de erfgrens is 1,2 m en de afstand van de inwerpzuil tot de erfgrens is 1,9 m. Volgens het college is er daardoor voldoende ruimte om de poort naar de achtertuin van [appellant] toegankelijk te houden. Verder wijst het college erop dat, omdat de inwerpzuil in het midden van de traanplaat staat, er meer ruimte is rondom de ORAC dan in de situatie dat er op die plek een auto geparkeerd stond.
5.2. De Afdeling overweegt dat [appellant] niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier de ORAC hem meer belemmerd dan de situatie dat de locatie werd gebruikt als parkeerplek. [appellant] heeft verder op de zitting verklaard dat hij geen problemen heeft ervaren met het manoeuvreren in de situatie dat er een auto stond. Aan de hand van de door [appellant] overgelegde foto’s overweegt de Afdeling verder dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er op het voetpad naast de ORAC voldoende ruimte overblijft om de achtertuin van [appellant] te benaderen. Het betoog slaagt niet.
6. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie niet geschikt heeft mogen achten.
Alternatieve locatie
7. [appellant] betoogt dat alternatieve locaties zijn. Op de zitting heeft hij gewezen op een locatie aan de Flamingoweg op ongeveer 60 m ten zuidenoosten van de aangewezen locatie, waar ruimte is naast een gft- en pmd-inzamelpunt. Verder wijst hij op een alternatieve locatie elders aan de Flamingoweg, op 40 tot 50 m ten noordwesten van de nu aangewezen locatie. Volgens hem worden enkele van de parkeerplekken daar nooit gebruikt en kan de ORAC daar worden geplaatst.
8. In overweging 6 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
8.1. Het college heeft gesteld dat met het verplaatsen van de ORAC de evenwichtige spreiding van de ORAC’s in de wijk zal worden verstoord en de loopafstand onnodig toeneemt voor een aantal gebruikers. Over de locatie ten noordwesten van de aangewezen locatie stelt het college dat niet duidelijk is of de ondergrond daar geschikt is. [appellant] heeft dat niet bestreden. [appellant] heeft gelet hierop niet inzichtelijk gemaakt dat de voorgestelde alternatieven zoveel beter zijn, dat het college de nu gekozen locatie niet had mogen aanwijzen. Dit betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
361