202405686/1/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Egypte),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024 in zaak nr. 24/420 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 30 november 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, en de minister van Buitenlandse Zaken, vertegenwoordigd door L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een Nederlands paspoort aangevraagd. Hij heeft bij zijn geboorte in 2002 het Nederlanderschap verkregen, omdat zijn vader op dat moment de Nederlandse nationaliteit had. [appellant] heeft sinds zijn geboorte ook de Egyptische nationaliteit, omdat zijn ouders allebei de Egyptische nationaliteit hebben.
Besluitvorming
2. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat [appellant] op 10 april 2014 het Nederlanderschap is verloren. Op dat moment heeft zijn vader namelijk het Nederlanderschap verloren. De vader van [appellant] heeft op 10 april 2004 Nederland verlaten. Omdat hij hierna tien jaar lang hoofdverblijf heeft gehad in Egypte, en aan hem geen Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent het Nederlanderschap is verstrekt, is hij de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloren op 10 april 2014. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) heeft ook [appellant] toen de Nederlandse nationaliteit verloren.
Het hoger beroep
3. [appellant] voert aan dat zijn ouders gedeeld ouderlijk gezag over hem hadden toen hij minderjarig was, en het verlies van de nationaliteit van rechtswege daarom niet mag intreden als gevolg van eenzijdig handelen of nalaten van één van zijn gezaghebbende ouders. Artikel 16, eerste lid, onder d, van de RWN gaat uit van het handelen van één ouder en houdt geen rekening met de situatie waarin de ouders gedeeld gezag hebben over een minderjarig kind. Dat artikel is daarom in strijd met artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [appellant] zijn de belangen van het kind leidend en gaat artikel 1:245 van het BW daarom voor op de RWN.
Beoordeling
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beroepsgrond dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege niet mag intreden als gevolg van het eenzijdig handelen of nalaten van één van zijn gezaghebbende ouders niet slaagt omdat het ouderlijk gezag in dit geval niet van belang is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:933, r.o. 5.1, is in de RWN uitputtend bepaald onder welke omstandigheden het Nederlanderschap van rechtswege verloren gaat. De essentie van de dwingend geformuleerde termijnbepaling in artikel 15, eerste lid, onder c, van de RWN, is dat degene die na zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van 10 jaren woonplaats buiten Nederland heeft, van rechtswege zijn Nederlanderschap verliest, ook als die persoon hiervan niet op de hoogte was. Dat betekent dat [appellant] van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
3.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6013, r.o. 3.10, volgt uit het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind geen onvoorwaardelijke verplichting voor de Nederlandse Staat om [appellant] zijn Nederlandse nationaliteit te laten behouden. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in strijd is met artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze vraag aan de orde kan komen in het kader van de evenredigheidstoetsing. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370, r.o. 8.3, is per 1 april 2022 in artikel 6, eerste lid, aanhef, en onder p, van de RWN een optierecht opgenomen waarmee een persoon wiens Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan, dat Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht kan herkrijgen. De Unierechtelijke evenredigheidstoets wordt als gevolg daarvan niet meer uitgevoerd in de paspoortprocedure, maar in een aparte procedure waarbij een optieverklaring wordt afgelegd. Deze mogelijkheid staat ook open voor [appellant].
3.3. Gelet op het voorgaande heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort terecht buiten behandeling gesteld.
3.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamperman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
1000