ECLI:NL:RVS:2026:3027

ECLI:NL:RVS:2026:3027

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202401167/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om vrijstelling van de praktijkeisen bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda), afgewezen. [appellant] is advocaat bij Bird & Bird, en heeft op 19 juni 2019 de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ gekregen. Bij brief van 5 mei 2022 heeft [appellant] de algemene raad verzocht om een vrijstelling van de praktijkeisen bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Voda, inhoudende de verplichting om in drie jaar ten minste twaalf cassatiezaken te behandelen waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de algemene raad dat verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Daartegen hebben [appellant] en Bird & Bird bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 november 2022 heeft de algemene raad het besluit van 21 juni 2022 ingetrokken, en het verzoek van [appellant] primair afgewezen omdat zij het verzoek had ingediend na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 4.14, derde lid, van de Voda en subsidiair, zoals was neergelegd in het besluit van 21 juni 2022, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn.

Uitspraak

202401167/1/A3.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend in [woonplaats], en Bird & Bird (Netherlands) LLP, gevestigd in Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 januari 2024 in zaak nr. 23/1418 in het geding tussen:

[appellant] en Bird & Bird

en

de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om vrijstelling van de praktijkeisen bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda), afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2022 heeft de algemene raad dat besluit ingetrokken en het verzoek van [appellant] primair op andere gronden afgewezen.

Bij besluit van 9 januari 2023 heeft de algemene raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, en het door Bird & Bird daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en Bird & Bird daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en Bird & Bird hoger beroep ingesteld.

De algemene raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar [appellant] en Bird & Bird, vertegenwoordigd door mr. P.M. Waszink, advocaat in Den Haag, en de algemene raad, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Huizinga, advocaat in Den Haag, en mr. R.G.A. Jeninga, advocaat in Zoetermeer, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Het op deze zaak betrekking hebbende wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellant] is advocaat bij Bird & Bird, en heeft op 19 juni 2019 de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ gekregen. Bij brief van 5 mei 2022 heeft [appellant] de algemene raad verzocht om een vrijstelling van de praktijkeisen bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Voda, inhoudende de verplichting om in drie jaar ten minste twaalf cassatiezaken te behandelen waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de algemene raad dat verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Daartegen hebben [appellant] en Bird & Bird bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 november 2022 heeft de algemene raad het besluit van 21 juni 2022 ingetrokken, en het verzoek van [appellant] primair afgewezen omdat zij het verzoek had ingediend na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 4.14, derde lid, van de Voda en subsidiair, zoals was neergelegd in het besluit van 21 juni 2022, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn. Bij besluit van 9 januari 2023 heeft de algemene raad het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard, en het bezwaar van Bird & Bird niet-ontvankelijk verklaard, omdat Bird & Bird geen belanghebbende is bij het besluit.

Is Bird & Bird belanghebbende?

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de algemene raad het bezwaar van Bird & Bird terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat Bird & Bird een afgeleid belang heeft dat parallel loopt aan het belang van [appellant]. Dat belang vloeit voort uit hun contractuele relatie. Volgens de rechtbank kan een andere advocaat de cassatiepraktijk van [appellant] overnemen.

4. Bird & Bird betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belanghebbende is bij het besluit. Bird & Bird profileert zich namelijk als full service kantoor dat ook in cassatie optreedt. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een andere cassatieadvocaat de cassatiepraktijk van [appellant] zou kunnen overnemen. De rechtbank is daarmee namelijk voorbijgegaan aan de bijzondere aard van het cassatiespecialisme van [appellant], en ook haar ruime ervaring binnen dat cassatiespecialisme. Door de weigering om een vrijstelling te verlenen wordt Bird & Bird rechtstreeks geraakt in het zogeheten full service karakter van het kantoor en daarmee haar inhoudelijke kracht en reputatie, en loopt zij klanten mis. Daardoor heeft zij niet slechts een afgeleid belang, aldus Bird & Bird.

4.1. De grond die Bird & Bird in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. Bird & Bird heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat de omstandigheid dat een andere advocaat niet de cassatiepraktijk van [appellant] kan overnemen, wat daar van zij, niet afdoet aan het oordeel dat het belang van Bird & Bird geheel voortvloeit uit haar contractuele relatie met [appellant].

Procesbelang

5. De algemene raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belang meer heeft bij een uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep, omdat de algemene raad zich al bij een brief op het standpunt heeft gesteld dat geen negatieve gevolgen hoeven te worden verbonden aan het niet voldoen aan de praktijkeisen, vanwege het tijdsverloop en omdat [appellant] heeft gesteld voor de afgelopen driejaarstermijn wel aan de praktijkeisen te voldoen. De Haagse Orde heeft bij brief van 16 maart 2026 aan [appellant] te kennen gegeven dat mogelijk nog gevolgen worden verbonden aan het niet voldoen aan de praktijkeisen voor de periode die hier aan de orde is, bijvoorbeeld dat [appellant] de gemiste punten alsnog zou moeten inhalen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] alleen al hierom belang bij een uitspraak in deze procedure. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat zij alsnog negatieve gevolgen ondervindt van het niet voldoen aan de praktijkeisen.

Mocht de algemene raad het verzoek afwijzen omdat het te laat was ingediend?

6. De rechtbank heeft geoordeeld dat de algemene raad het verzoek van [appellant] mocht afwijzen omdat het te laat was ingediend. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de termijn van artikel 4.14, derde lid, van de Voda een fatale termijn is. Hoewel in de tekst van dit artikel en de toelichting geen consequentie staat beschreven, volgt uit de context wel dat het gevolg van een te late indiening moet zijn dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt behandeld. Volgens de rechtbank is die termijn namelijk bedoeld om bij het verstrijken van de driejaarstermijn zekerheid te bieden over het antwoord op de vraag of de advocaat aan de praktijkeisen voldoet om als cassatieadvocaat te mogen optreden.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Daarover heeft zij overwogen dat het de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] is om het aantal zaken bij de Hoge Raad bij te houden en te weten wanneer de driejaarstermijn eindigt. De Haagse Orde heeft in dit geval navraag gedaan over het aantal zaken, maar dat leidt niet tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat haar verzoek inhoudelijk behandeld zou worden, omdat dit een ander bestuursorgaan is dan de algemene raad, die het besluit heeft genomen.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet in een nadeligere positie is gebracht door het indienen van haar bezwaarschrift. Haar verzoek is in beide gevallen afgewezen, waardoor van strijd met het verbod op reformatio in peius geen sprake is. Omdat het verzoek niet op tijd is ingediend en dit niet verschoonbaar is, heeft de algemene raad volgens de rechtbank dit verzoek terecht afgewezen. Zij is om die reden niet toegekomen aan de beoordeling van de beroepsgronden die gaan over de inhoudelijke vraag of [appellant] een vrijstelling had moeten krijgen.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de algemene raad het verzoek van [appellant] mocht afwijzen omdat het niet tijdig was ingediend. Daarover voert zij aan dat in artikel 4.14, derde lid, van de Voda weliswaar is opgenomen dat het verzoek acht weken voor het verstrijken van de periode van drie jaar moet worden ingediend, maar dat daaruit niet blijkt dat bij overschrijding van die termijn het verzoek niet meer wordt behandeld, en dat het dus geen fatale termijn is. Dit blijkt ook niet uit beleid of andere werkwijzen van de algemene raad. Ook uit de door de rechtbank bedoelde context dat bij het verstrijken van de driejaarstermijn zekerheid moet bestaan over de vraag of de advocaat aan de praktijkeisen voldoet om als cassatieadvocaat op te mogen treden volgt dit niet. Een advocaat mag namelijk blijven optreden als cassatieadvocaat totdat de aantekening definitief, na een verzoek van de lokale Orde, door de raad van discipline is doorgehaald. Daarbij komt dat de algemene raad ook niet meteen na de driejaarstermijn aan de lokale orde verzoekt om een procedure tot schrapping te beginnen. In dit geval heeft de algemene raad bijvoorbeeld gesteld hiertoe pas over te gaan als rechtens onaantastbaar vaststaat dat geen vrijstelling wordt verleend van de praktijkeisen. Dat er nog gedurende lange tijd ‘onzekerheid’ blijft bestaan is dus inherent aan het wettelijke systeem en gelet op deze context valt volgens [appellant] juist niet in te zien waarom hoe dan ook op het einde van de driejaarstermijn duidelijkheid moet bestaan en de termijn dus een fatale termijn zou zijn. Bovendien sluit de omstandigheid dat een aanvraag enkele dagen te laat is ingediend niet uit dat de algemene raad alsnog binnen de driejaarstermijn kan beslissen, terwijl anderzijds ook niet ondenkbaar is dat op een tijdig ingediende aanvraag pas ná de driejaarstermijn wordt beslist en zich dus alsnog de door de rechtbank bedoelde ‘rechtsonzekerheid’ zou voordoen.

Verder betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat er onduidelijkheid was ontstaan die niet aan [appellant] te wijten was. Daarnaast heeft de rechtbank, door zich te beperken tot de verschoonbaarheidsvraag, haar beroepsgrond op dit punt te beperkt opgevat. [appellant] heeft immers bepleit dat het besluit niet evenredig is door de gang van zaken en de daarbij gewekte onduidelijkheid. Een dergelijke formalistische omgang met een termijn is daarnaast niet redelijk en evenredig omdat het ertoe leidt dat een cassatieadvocaat met veel ervaring door een formeel punt mogelijk de cassatiepraktijk moet verlaten, wat in strijd is met de Wet versterking cassatierechtspraak. Ook is gewezen op de mogelijkheid van herstel of coulance bij een eerste (vorm)verzuim.

Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat is gehandeld in strijd met het verbod op reformatio in peius, alleen al omdat de rechtbank niet is toegekomen aan de inhoud van het verzoek en zij qua toetsing dus in een nadeliger positie is gebracht door het indienen van het bezwaarschrift.

7.1. De aanvraagtermijn als bedoeld in artikel 4.14, derde lid, van de Voda heeft ten doel te bewerkstelligen dat tijdig, voor aanvang van de volgende periode, duidelijkheid bestaat over het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen. De acht weken zijn nodig om de besluitvorming over de vrijstelling tijdig af te ronden, zodat direct bij de start van de nieuwe vrijstellingsperiode vaststaat in hoeverre de betrokken advocaat voldoet aan de eisen. In beginsel mag de algemene raad dan ook eisen dat de aanvragen uiterlijk acht weken voor het verstrijken van de driejaarsperiode binnen zijn.

7.2. De Afdeling is echter van oordeel dat het in dit geval onzorgvuldig is om de aanvraagtermijn onverkort aan [appellant] tegen te werpen en om de aanvraag dus alleen al om die reden af te wijzen. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, was het namelijk niet volledig de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] om te weten wanneer de driejaarstermijn eindigt en tijdig bij de algemene raad een verzoek tot een vrijstelling te doen. Zoals [appellant] onweersproken op zitting heeft gesteld, en wat ook blijkt uit de aangevoerde e-mailcorrespondentie, doet een cassatieadvocaat er in de praktijk namelijk niet standaard aangifte van of hij in de afgelopen periode aan de praktijkeisen heeft voldaan. In de toelichting bij artikel 4.14 van de Voda staat dat een advocaat desgevraagd door de raad van de orde of de deken, en dus niet uit eigen beweging, op vaste momenten zal moeten aantonen of hij aan de praktijkeisen heeft voldaan. De plaatselijke orde beoordeelt dus in eerste instantie of aan die praktijkeisen is voldaan en over welke periode. Op de zitting is besproken dat die navraag geen standaardvorm heeft, en dat in de praktijk ook niet een consistente aanpak wordt gevolgd wat betreft het moment en de wijze waarop een lokale orde die navraag doet. In dit geval heeft de Haagse Orde bij e-mail van 15 april 2022 navraag gedaan bij [appellant] of zij in de afgelopen periode had voldaan aan de praktijkeisen. Vervolgens heeft de Haagse Orde aan [appellant] op 21 april 2022 bericht dat zij die e-mail als niet verzonden mocht beschouwen, en dat de Haagse Orde pas in 2023 weer navraag zou doen omdat volgens de Haagse Orde was gebleken dat zij in 2020 was ingeschreven als cassatieadvocaat. [appellant] mocht er daarbij van uitgaan dat zij dus ook nog niet over een vrijstelling hoefde te beschikken tot die latere navraag van de Haagse Orde. De Haagse Orde is weliswaar niet het bestuursorgaan dat over de vrijstelling beslist, maar dat is niet van doorslaggevende betekenis. De rolverdeling die volgt uit de Advocatenwet en de Voda, zoals ook blijkt uit de toelichting bij artikel 4.14 van de Voda maakt dat het de Haagse Orde is die op enig moment navraag doet en, bij het niet voldoen aan de praktijkeisen, tot actie overgaat door de raad van discipline te verzoeken de aantekening van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ te schrappen. Onder die omstandigheden kan niet redelijkerwijs van [appellant] worden verwacht dat zij twijfelt aan de juistheid van mededelingen die de Haagse Orde doet over deze procedure. Daarbij komt dat [appellant] zelf op 2 mei 2022 navraag heeft gedaan of zij een verzoek moest doen omdat haar aantekening, in tegenstelling tot wat de Haagse Orde had medegedeeld, dateerde uit 2019. Daarbij heeft zij, nadat zij op 5 mei 2022 door de Haagse Orde op de hoogte werd gebracht dat zij wel een verzoek om een vrijstelling moest doen, onmiddellijk actie ondernomen door diezelfde dag nog een verzoek om vrijstelling in te dienen. Onder die bijzondere omstandigheden had de algemene raad de aanvraag niet mogen afwijzen om de enkele reden dat die te laat is ingediend. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de algemene raad het verzoek in dit geval mocht afwijzen op die grond. Om die reden heeft zij ook ten onrechte de beroepsgronden onbesproken gelaten die gaan over de vraag of de algemene raad het verzoek om meer inhoudelijke redenen kon afwijzen omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, van de Voda.

Het betoog slaagt.

Tussenconclusie

8. Het hoger beroep van Bird & Bird is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard. Wat [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Het beroep van [appellant]

9. [appellant] heeft in beroep betoogd dat de algemene raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een vrijstelling te geven van de praktijkeisen als bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, van de Voda. Daarover voert zij aan dat in drie jaar tijd, mede vanwege de pandemie, in haar specialistische rechtsgebied slechts 37 zaken tot een uitspraak van de Hoge Raad hebben geleid. Daarom kon van [appellant] niet worden verwacht dat zij twaalf cassatiezaken over die drie jaar tijd zou hebben behandeld. Verder heeft zij aangevoerd dat de algemene raad niet heeft gemotiveerd waarom er alleen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven voor een vrijstelling als er sprake is van een situatie die haar onderscheidt van andere advocaten. Bijzondere omstandigheden kunnen namelijk ook invloed hebben op meerdere advocaten. Daarnaast is het niet redelijk om van haar te verwachten dat zij motiveert waarom zij zich in haar situatie kan onderscheiden van andere advocaten, omdat zij geen inzicht kan hebben in de praktijken van andere advocaten. Daar komt bij dat bij de gebruikelijke praktijkeisen voor advocaten in het algemeen wel rekening is gehouden met de pandemie. Volgens [appellant] heeft de algemene raad niet gemotiveerd waarom dat in het geval van cassatieadvocaten niet is gebeurd, en ook geen beleid opgesteld waaruit dit standpunt kan worden afgeleid.

Verder heeft [appellant] betoogd dat de afwijzing van de vrijstelling onevenredig is. Daarover heeft zij aangevoerd dat geen rekening is gehouden met haar lange staat van dienst, haar sterke reputatie en dat dit de eerste keer is dat zij om een vrijstelling heeft verzocht. Daarnaast maakt de Voda het onmogelijk voor haar om nogmaals te voldoen aan de eisen voor een aantekening van ‘advocaat bij de Hoge Raad’. Zij loopt daarom risico om definitief die aantekening kwijt te raken.

9.1. Uit de toelichting bij artikel 4.14 van de Voda blijkt dat het tweede lid een advocaat met een onvoorwaardelijke aantekening in rechtsgebieden waarin zich weinig cassatiezaken voordoen, de mogelijkheid biedt om een vrijstelling te verzoeken van de verplichting uit het eerste lid. Volgens de toelichting wordt deze vrijstelling alleen verleend indien naar het oordeel van de algemene raad is gebleken dat er op een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat werkzaam is, zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad, dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan twaalf zaken per drie jaar, waarvan er zes tot een beoordeling van de Hoge Raad hebben geleid. Anders dan de algemene raad bij de besluitvorming heeft betrokken, volgt daar niet uit dat dit een omstandigheid moet zijn die de advocaat onderscheidt van andere advocaten. Zoals [appellant] terecht aanvoert, kunnen bijzondere omstandigheden namelijk invloed hebben op meerdere advocaten, omdat door die omstandigheden het totale aantal beschikbare cassatiezaken vermindert. Zoals [appellant] ook in bezwaar hierover heeft aangevoerd, zou de door de algemene raad gehanteerde benadering namelijk in extreme situaties, waarin bijvoorbeeld geen enkele zaak in een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat actief is door de Hoge Raad zou worden behandeld, tot gevolg kunnen hebben dat geen enkele cassatieadvocaat een vrijstelling van de praktijkeisen zou kunnen krijgen, omdat alle cassatieadvocaten met dezelfde omstandigheden te maken krijgen. Zoals [appellant] aanvoert, moeten de omstandigheden van het geval daarom worden vergeleken met de normale situatie, waarop immers de norm van twaalf zaken per drie jaar, waarvan er zes tot een beoordeling van de Hoge Raad hebben geleid, is gebaseerd. De algemene raad heeft dat niet gedaan. De algemene raad heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom uit het verzoek van [appellant] onvoldoende is gebleken dat er in haar rechtsgebied zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan de praktijkeisen, en heeft zich dan ook onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden. De algemene raad heeft daarom de afwijzing van het verzoek om een vrijstelling onvoldoende gemotiveerd. De algemene raad moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar, waarin gemotiveerd wordt ingegaan op haar bezwaargrond over de totale hoeveelheid cassatiezaken in het cassatiespecialisme van [appellant], en in hoeverre van haar kon worden verwacht dat zij aan de praktijkeisen zou voldoen.

Het betoog slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Slotsom

10. Het beroep van [appellant] is gegrond. De Afdeling zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen, en het besluit van de algemene raad vernietigen voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] ongegrond is verklaard. Dat betekent dat de algemene raad een nieuw besluit moet nemen op dat bezwaar.

11. De algemene raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. De algemene raad moet wel het door [appellant] in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. Omdat de rechtbank voor de beroepen van [appellant] en Bird & Bird gezamenlijk eenmaal griffierecht ten bedrage van € 365,00 heeft geheven, maar in deze uitspraak het beroep van alleen [appellant] gegrond wordt verklaard, zal de Afdeling voor het in beroep betaalde griffierecht gelasten dat de algemene raad slechts het destijds geldende bedrag van € 184,00 voor natuurlijke personen vergoedt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van Bird & Bird (Netherlands) LLP ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 23/1418, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard;

IV. verklaart het beroep van [appellant] in die zaak gegrond;

V. vernietigt het besluit van de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten van 9 januari 2023, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] ongegrond is verklaard;

VI. gelast dat de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 463,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. J. Luijendijk en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

voorzitter

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

802-1114

BIJLAGE | WETTELIJK KADER

Advocatenwet

Artikel 9j, derde lid

Het college van afgevaardigden stelt bij of krachtens verordening regels over het verkrijgen, het behouden en het verliezen van de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad, alsmede de aantekening op het tableau. De verordening bevat in elk geval regels over:

a. de aan deze advocaten te stellen eisen van vakbekwaamheid, bestaande uit toetredingseisen en permanente eisen van scholing en praktijk, in het bijzonder op het terrein van het procesrecht;

b. de ontwikkeling van deze eisen, de opleiding en de examinering;

c. het verkrijgen van een vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de opleiding of de examinering;

d. de advisering over en het houden van toezicht op het gestelde onder b en c; en

e. de afgifte van de verklaring dat een advocaat voldoet aan de eisen, bedoeld onder a.

[…]

Artikel 9k, eerste lid

De raad van de orde in het arrondissement waartoe de advocaat behoort kan de raad van discipline verzoeken te beslissen dat de aantekening van hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad wordt doorgehaald indien de advocaat niet of niet langer voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 9j, derde lid, onderdeel a.

Verordening op de advocatuur

Artikel 4.14. Praktijkeisen

1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behandelt iedere drie jaar na het verkrijgen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken ten minste twaalf cassatiezaken waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Hierbij worden niet meegerekend zaken waarin het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk is verklaard.

2. De algemene raad kan aan een advocaat met de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, in geval van bijzondere omstandigheden. De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling.

3. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, aangevraagd en geldt uitsluitend voor de periode waarin de vrijstelling is aangevraagd. De algemene raad geeft van het verlenen van vrijstelling kennis aan de raad van de orde.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand