ECLI:NL:RVS:2026:3028

ECLI:NL:RVS:2026:3028

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202304918/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hulst aan Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een radartoren op het perceel [perceel] in Walsoorden (het perceel). Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een radartoren met publieksfuncties aan de buitenzijde van de toren op het perceel. De radartoren heeft een hoogte van 50 meter gerekend vanaf het maaiveld met buitenom een trap die bovenin eindigt in een uitkijkpost. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 13 juli 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat aan het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd. Volgens de rechtbank blijkt onder meer niet dat aan de Omgevingsverordening Zeeland 2018 is getoetst. Ook blijkt niet van een afweging of en waarom de radartoren in de omgeving past en dat bij die beoordeling de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden zijn meegenomen.

Uitspraak

202304918/1/R1.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1) [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in [woonplaats],

2) [appellant sub 2], wonend in Walsoorden, gemeente Hulst,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 21 juni 2023 in zaak nr. 21/3358 en 21/3641 in het geding tussen:

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hulst.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het college aan Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een radartoren op het perceel [perceel] in Walsoorden (het perceel).

Bij uitspraak van 21 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 14 mei 2025 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een radartoren op het perceel.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben gronden ingediend tegen het besluit van 14 mei 2025.

Het college en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door L. van Overloop en M. van den Broecke, zijn verschenen. Verder is op de zitting Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

2. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 januari 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

3. Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een radartoren met publieksfuncties aan de buitenzijde van de toren op het perceel. De radartoren heeft een hoogte van 50 meter gerekend vanaf het maaiveld met buitenom een trap die bovenin eindigt in een uitkijkpost.

Het college heeft eerder op 28 februari 2019 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Die vergunning is door de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant bij uitspraak van 17 maart 2021 gedeeltelijk vernietigd. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Op 13 juli 2021 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo opnieuw op de aanvraag beslist en de gevraagde omgevingsvergunning in afwijking van de bestemming "Waterstaat" in het bestemmingsplan "Perkpolder" verleend.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 13 juli 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat aan het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd. Volgens de rechtbank blijkt onder meer niet dat aan de Omgevingsverordening Zeeland 2018 is getoetst. Ook blijkt niet van een afweging of en waarom de radartoren in de omgeving past en dat bij die beoordeling de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden zijn meegenomen. Verder is geen inzicht gegeven in de verkeersbewegingen die de recreatieve functie van de radartoren zal genereren. Na het te verrichten verkeersonderzoek zal het college volgens de rechtbank ook een nieuwe stikstofberekening moeten uitvoeren, omdat extra verkeer van invloed is op de stikstofdepositie. Ook zijn de effecten van de radartoren op het naast de radartoren gelegen natuurgebied niet duidelijk.

Volgens de rechtbank is geen sprake van strijd met de redelijke eisen van welstand.

5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben een woning nabij de radartoren. Zij stellen dat de radartoren negatieve gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat.

Gronden van het (incidenteel) hoger beroep

Welstand

6. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevraagde vergunning had moeten worden geweigerd vanwege strijd met de redelijke eisen van welstand. Volgens hen mocht het college het advies van de welstandscommissie niet naast zich neerleggen vanwege de recreatieve functie van de radartoren. Een deugdelijke onderbouwing om vanwege die recreatieve functie toch af te wijken van het negatieve welstandsadvies ontbreekt. [appellant sub 2] en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wijzen er onder meer op dat het nut van de radartoren voor nautische veiligheid losstaat van de toeristische attractie als uitkijktoren over de Westerschelde. Ook is volgens hen door het college niet serieus overwogen of de recreatieve functie achterwege kon worden gelaten gelet op het welstandsbelang. Verder is volgens hen niet gemotiveerd waarom een smallere constructie, zoals voorgesteld door de welstandscommissie, ten koste gaat van de toegankelijkheid en veiligheid voor het publiek.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de afwijking van het welstandadvies voldoende heeft gemotiveerd. De Afdeling kan zich vinden in de overwegingen 7.2 en 7.3 van de uitspraak van de rechtbank waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar die overwegingen.

Het betoog slaagt niet.

Geschiktere alternatieve locaties

7. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet hun betoog over een geschiktere alternatieve locatie heeft behandeld. Volgens hen is van belang dat geschiktere alternatieve locaties worden meegewogen bij het antwoord op de vraag of al dan niet vergunning voor het bouwplan kan worden verleend.

7.1. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank niet is ingegaan op het betoog over alternatieven. Dit leidt evenwel niet tot een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling overweegt als volgt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet het college beslissen op een bouwplan zoals dat is ingediend. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4621, onder 30.

Het college mocht zich op het standpunt stellen dat geen alternatieven voorhanden zijn voor de vergunde locatie waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat onderzoek is gedaan naar meerdere locaties voor de radartoren. De locatie waarvoor vergunning is aangevraagd is de voorkeurslocatie voor de nieuwe radartoren gezien het grote gebied dat aangestraald kan worden, wat ten goede komt aan de veiligheid voor het scheepvaartverkeer.

Beslissing van de rechtbank

8. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank in haar beslissing heeft nagelaten het besluit van 13 juli 2021 te vernietigen. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen verder dat de rechtbank in haar beslissing ten onrechte heeft volstaan met het gegrond verklaren van hun beroepsgrond dat het besluit van 13 juli 2021 geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Volgens hen had de rechtbank daaruit de conclusie moeten trekken dat er dus ook geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een belangenafweging ontbreekt, zodat de rechtbank ook hierom het besluit van 13 juli 2021 had moeten vernietigen.

8.1. Uit de slotoverwegingen van de uitspraak van de rechtbank volgt dat de rechtbank het besluit van 13 juli 2021 in zijn geheel zal vernietigen, omdat een aantal beroepsgronden, waaronder die over de ruimtelijke onderbouwing, slagen. De rechtbank heeft in haar beslissing echter niet het besluit van 13 juli 2021 vernietigd, terwijl zij dat wel had moeten doen. De rechtbank heeft hierdoor in strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.

Het betoog slaagt al hierom.

Conclusie (incidenteel) hoger beroep

9. Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] zijn gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten in haar beslissing het besluit van 13 juli 2021 in zijn geheel te vernietigen. Omdat de rechtbank, in aanmerking genomen de slotoverwegingen van haar uitspraak en haar beslissing, wel heeft beoogd het besluit van 13 juli 2021 te vernietigen, zal de Afdeling doende wat de rechtbank zou behoren te doen het besluit van 13 juli 2021 alsnog in zijn geheel vernietigen. De Afdeling zal bepalen dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak van de rechtbank.

Het besluit van 14 mei 2025

10. Het college heeft in navolging van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op de aanvraag van Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied genomen. Het college heeft op 14 mei 2025 opnieuw de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Dit besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Gronden tegen het besluit van 14 mei 2025

Strijd met de redelijke eisen van welstand

11. Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand, slaagt niet. Voor de motivering verwijst de Afdeling kortheidshalve naar rechtsoverwegingen 6 en 6.1 van deze uitspraak. De Afdeling merkt daarbij op dat de motivering over welstand in het besluit van 14 mei 2025 niet is gewijzigd ten opzichte van het besluit dat bij de rechtbank in geding was.

Goede ruimtelijke onderbouwing en goede ruimtelijke ordening

12. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de ruimtelijke onderbouwing "Ruimtelijke onderbouwing radartoren nabij Kreverhille" van 12 oktober 2023, aangepast 23 januari 2025, uitgevoerd door Van Kerkhoff Maatwerk in RO in opdracht van het college, die aan het besluit van 14 mei 2025 ten grondslag is gelegd, niet deugt. Zij wijzen erop dat het college het onderzoek naar de verkeersaantrekkende werking niet in haar besluitvorming ten grondslag kon leggen. Dit geldt ook voor het standpunt van het college over privacy, aantasting van landschappelijke waarden en het geluid afkomstig van fietsers, wandelaars en verkeer. Hierdoor is van een goede ruimtelijke ordening ook geen sprake, zo stellen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].

13. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

14. De Afdeling zal hieronder op de afzonderlijke door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] naar voren gebrachte aspecten ingaan.

Verkeer en verkeersveiligheid

15. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat door de radartoren het aantal verkeersbewegingen toeneemt, zodat de gevraagde vergunning hierom had moeten worden geweigerd. Zij voeren aan dat het verkeersonderzoek "Notitie verkeersonderzoek radartoren Ossenisse" van 1 augustus 2023, uitgevoerd door 4-Traffic in opdracht van het college, van onjuiste uitgangspunten uitgaat. Het aantal verkeersbewegingen dat de radartoren genereert is volgens hen niet juist in kaart gebracht. Zij wijzen erop dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de radartoren ook in de vroege ochtend en de avond bezoekers trekt, zeker in de zomermaanden. Ook is het verkeersonderzoek gedaan in een periode met minder gunstig weer om buitenactiviteiten te ondernemen. Daarnaast gaat het volgens hen niet alleen om verkeersbewegingen van auto’s, maar ook om verkeersbewegingen van touringcars. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen verder dat door de verkeersbewegingen van en naar de radartoren de verkeersveiligheid in geding is. De wegen in de omgeving van de radartoren en de parkeerplaats, die door middel van een pad verbonden is met de radartoren, kunnen de extra verkeersstroom door de radartoren niet aan. De wegen zijn smal en de radartoren zorgt voor extra fietsers en wandelaars op die wegen. Hierdoor en omdat het huidig aantal verkeersbewegingen niet in kaart is gebracht, kan niet worden geconcludeerd dat de extra verkeersbewegingen door de radartoren geen gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid, zo stellen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2].

15.1. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen geen aanleiding voor het oordeel dat het college het verkeersonderzoek niet aan zijn besluit van 14 mei 2025 ten grondslag mocht leggen. Het college mocht zich op het standpunt stellen dat het aantal verkeersbewegingen waarvan het onderzoek uitgaat, representatief is voor de situatie ter plaatse. De omstandigheid dat het verkeersonderzoek is beperkt van 09:00-17:00 uur leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft gemotiveerd toegelicht dat het onderzoek is uitgevoerd in een periode dat meer bezoekers zijn te verwachten, namelijk in een weekend in juli met goede weersomstandigheden. Het college verwacht dat doordeweeks en in de wintermaanden de verkeersbewegingen per etmaal lager zijn. De Afdeling ziet geen reden hieraan te twijfelen. Uit het verkeersonderzoek blijkt verder dat de meeste bezoekers in de middag de radartoren bezoeken. Ook is in het worstcasescenario rekening gehouden met meer voertuigen dan het maximum aantal voertuigen waarvan het verkeersonderzoek uitgaat. Anders dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen blijkt uit het verkeersonderzoek voor 22 juli 2023 overigens niet dat 27 auto’s zijn geteld, maar dat 27 personen die met de auto zijn gekomen de toren hebben bezocht. Er zijn voor die dag tussen 9.00 en 17.00 12 auto’s geteld waarvan de inzittenden van 9 auto’s de toren hebben beklommen. Onder deze omstandigheden hoefde het college een verkeersonderzoek op een ander tijdstip en op een andere dag niet nodig te achten.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen geen grond voor het oordeel dat de parkeerplaats en de wegen in de omgeving van de radartoren de extra verkeersstroom - waaronder incidenteel een touringcar - door de radartoren niet aan kunnen. Door het college wordt niet weersproken dat de radartoren een verkeersaantrekkende werking heeft. Het college mocht zich echter op het standpunt stellen dat het aantal voertuigen dat de radartoren aandoet niet zo hoog is dat de wegen daarnaartoe daar niet op berekend zijn. Zo is er volgens het college, mede na overleg met wegbeheerder, op deze wegen voldoende ruimte voor voertuigen om elkaar te passeren. Onder deze omstandigheden heeft het college ook geen aanleiding hoeven zien voor een verkeersonveilige situatie. Daarbij mocht het college betrekken dat fietsers en wandelaars hoofdzakelijk gebruik maken van een buitendijkse route. De binnendijkse wegen worden vooral door auto’s gebruikt en minder door fietsers en wandelaars. De radartoren is te bereiken via een onderhoudspad dat is afgesloten voor auto’s en motoren.

De Afdeling is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de toename van het verkeer door de radartoren niet zodanig is dat de gevraagde vergunning hierom had moeten worden geweigerd.

Het betoog slaagt niet.

Aantasting privacy

16. Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] dat vanaf het uitkijkpunt van de radartoren in hun tuin en woning kan worden gekeken, waardoor hun privacy onaanvaardbaar wordt aangetast, slaagt niet.

Hoewel vanaf de uitkijktoren zicht is op de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2], mocht het college zich op het standpunt stellen dat door het gebruik van de uitkijktoren geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van hun privacy. Het college mocht daarbij betrekken de positie van de toren ten opzichte van de woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en de afstand van meer dan 200 m tussen hun woningen en de radartoren.

Aantasting cultuurhistorische en landschappelijke waarden

17. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat een radartoren met de hoogte als vergund niet past in het landschap- en beschermingsregime dat de provincie Zeeland heeft neergelegd in artikel 2.28 van de Omgevingsverordening Zeeland 2018. De radartoren is volgens hen in strijd met dit artikel. Zij wijzen erop dat ten onrechte alleen aan vlakelement "Deltawerken" is getoetst en geen rekening is gehouden met andere vlakelementen, zoals opgenomen in bijlagen G en 12 behorende bij artikel 2.28 van de Omgevingsverordening. Ook [appellant sub 2] is van mening dat het uitzichtpunt en de publieksaantrekkende werking van de radartoren gevolgen heeft voor de landschappelijke waarde van het gebied en de cultuurhistorische waarde van de dijk.

17.1. Het college heeft zich onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2.28, tweede lid, van de Omgevingsverordening. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat het bouwplan geen significante aantasting van de waardevolle landschappen en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen tot gevolg heeft. Het college mocht daarbij betrekken dat de radartoren ligt in het vlakelement "Deltawerken" en dat met de locatie van de radartoren voldoende rekening is gehouden met de naastgelegen vlakelementen, het slik en de strekdammen. Daarbij heeft het college van belang mogen vinden dat de radartoren buitendijks is gepositioneerd en gekoppeld is aan regionale wandel- en fietsroutes. Het college wijst erop dat het naastgelegen vlakelement ook wordt beschermd door de betreding ervan te verbieden door middel van een verbodsbord. Hiervoor heeft het college een omgevingsvergunning ontvangen van het waterschap Scheldestromen. Verder is door het waterschap een verbodsbord voor gemotoriseerd verkeer geplaatst, zodat de negatieve effecten op de omgeving en natuur volgens het college ook in zoverre zo minimaal mogelijk blijven. Ook heeft het college toegelicht dat het oppervlak dat de radartoren inclusief plateau inneemt ten opzichte van de vlakelementen eromheen gering is. De dijk zelf is volgens het college door het bouwplan niet aangetast. Tot slot, naast het belang van het veilig en adequaat begeleiden van het scheepvaartverkeer, behoudt de locatie van de radartoren een cultuurhistorische betekenis. De radartoren wordt gerealiseerd op het aanlandingspunt van de Scharrendam, een resterend deel van een oude strekdam. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Aantasting natuur/stikstofdepositie

18. [appellant sub 2] betoogt dat de radartoren negatieve effecten heeft op de omliggende natuur, waaronder de voor de Westerschelde en het omliggende gebied aanwezige soorten en habitats. [appellant sub 2] voert aan dat het besluit van 14 mei 2025 niet kon worden gebaseerd op de daaraan ten grondslag gelegde AERIUS-berekening omdat meermaals is gebleken dat dat systeem onnauwkeurig is en volgens deskundigen niet geschikt is om aan vergunningverlening ten grondslag te leggen. Er kunnen met een AERIUS-berekening geen volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies worden verkregen die elke twijfel over de gevolgen van de radartoren op het Natura 2000 gebied kan wegnemen, zo stelt [appellant sub 2].

18.1. De Afdeling stelt voorop dat modellen naar hun aard een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven. Het college heeft aan het besluit van 14 mei 2025 ten grondslag gelegd het rekenmodel AERIUS 2024.0.1 en de daarmee gemaakte berekeningen. Dit rekenmodel is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten en wordt actueel gehouden door daarin nieuwe gegevens en inzichten te verwerken. Het was op het moment van het besluit het beste beschikbare rekenmodel. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat het college de daarmee gemaakte AERIUS-berekening aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2225, onder 9.1. Het college heeft zich in het besluit van 14 mei 2025 op het standpunt gesteld dat het bouwplan geen significante gevolgen heeft voor de omliggende natuur. [appellant sub 2] heeft verder niet onderbouwd waarom volgens hem de radartoren significante gevolgen heeft op de omliggende natuur.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

19. Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] over geluid slaagt niet. In wat zij hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de gevraagde vergunning niet had mogen verlenen. Daarbij overweegt de Afdeling dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het stemgeluid van recreanten die de radartoren bezoeken niet leidt tot een dusdanige toename van geluid dat hierdoor de omgevingsvergunning moest worden geweigerd. Het college mocht daarbij betrekken dat het gebied waar de radartoren staat, al recreatief wordt gebruikt. Uit het aan het besluit ten grondslag gelegde verkeersonderzoek blijkt dat op een dag in het weekend in de zomer ongeveer 60 mensen de radartoren bezoeken. Een aantal daarvan komt met de auto. Hieruit blijkt volgens het college dat het aantal bezoekers die de radartoren bezoeken beperkt is en niet continu of intensief van aard is. Zoals hiervoor onder 15.1 al is overwogen, mocht het college zich verder op het standpunt stellen dat de toename van verkeer als gevolg van de radartoren niet zodanig is dat de gevraagde vergunning hierom had moeten worden geweigerd.

Lichthinder

20. Het betoog van [appellant sub 2] dat door de verlichting van de radartoren zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast, slaagt niet.

Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] door lichthinder geen sprake is. Het college mocht daarbij de afstand van de radartoren tot de woning van [appellant sub 2] van meer dan 200 m van belang achten. Het college heeft verder toegelicht dat de verlichting in de avond en nacht tot een minimum is beperkt. Zo is de trap enkel te beklimmen tussen zonsopgang en zonsondergang. Het college heeft daarover een voorschrift aan de vergunning verbonden. Mocht de trap desondanks toch worden beklommen tussen zonsondergang en zonsopgang, dan wordt de toren enkel verlicht via een bewegingsdetector voor een veilige afdaling. Ook is in geval van calamiteiten de verlichting in te schakelen. Het college mocht zich onder deze omstandigheden op het standpunt stellen dat de verlichting in de avond- en nachtperiode tot een minimum is beperkt.

Conclusie goede ruimtelijke onderbouwing en goede ruimtelijke ordening

21. In wat [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

22. Gelet op wat hiervoor onder 12 tot en met 21 is overwogen ligt aan het besluit van 14 mei 2025 een goede ruimtelijke onderbouwing en deugdelijke belangenafweging ten grondslag. Gelet hierop mocht het college zich op het standpunt stellen dat de radartoren niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.

Conclusie beroepen tegen het besluit van 14 mei 2025

23. De beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

Redelijke termijn

24. [appellant sub 2] heeft om schadevergoeding verzocht wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Afdeling komt tot de conclusie dat dit verzoek moet worden toegewezen. Zij geeft hierna aan hoe zij tot dat oordeel komt en tot welke schadevergoeding dat leidt.

24.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.

24.2. De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellant sub 2] ontvangen op 3 augustus 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 9 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.

24.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.

Slotoverwegingen

25. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 21 juni 2023 in zaak nr. 21/3358 en 21/3641, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van 13 juli 2021 te vernietigen;

III. bepaalt dat het besluit van 13 juli 2021, kenmerk EFT/0.17.00022 VB/21.1927, moet worden vernietigd;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak van de rechtbank, voor zover vernietigt;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 14 mei 2025 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hulst tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hulst tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hulst aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van €184,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX. wijst het verzoek van [appellant sub 2] om schadevergoeding toe;

X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen;

XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van €467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Montagne

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

374

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.A.B. Montagne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand