202506149/1/R4.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft het college zijn beslissing om op 19 augustus 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2020 van de gemeente Zaanstad aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 17 december 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 19 augustus 2025 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC), met containernummer 71764, op de locatie Vurehout in Zaandam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden, omdat op het afval in de huisvuilzak de adresgegevens van [appellante] zijn gevonden.
De gronden van het beroep en het verweer daartegen
2. [appellante] betwist niet dat de huisvuilzak van haar afkomstig is. Zij stelt echter wel dat het voor haar niet mogelijk was om de huisvuilzak in de gebruikelijke ORAC te deponeren, omdat die vol was. [appellante] stelt ook dat zij niet wist dat ze haar afvalpas ook bij andere ORAC’s kon gebruiken.
3. Het college stelt dat op grond van vaste rechtspraak het vol zijn van een ORAC niet wegneemt dat het huisvuil op de juiste wijze moet worden aangeboden. Het college stelt ook dat [appellante] toegang heeft tot meerdere ORAC’s. Als er één defect is moet dan ook worden doorgelopen naar een andere ORAC of moet het huisvuil weer mee terug worden genomen, aldus het college.
De beoordeling van het beroep
4. Dat een ORAC vol zit, nog daargelaten of dat hier het geval was, betekent niet dat een huisvuilzak in strijd met de daarvoor geldende regels ter inzameling mocht worden aangeboden. Ook als een inzamelvoorziening vol zit, bestaat de verantwoordelijkheid om huisvuil op juiste wijze aan te bieden, bijvoorbeeld op een ander moment of bij een andere inzamelvoorziening. Die mogelijkheid had [appellante] ook, zoals ook het college in zijn verweerschrift uiteen heeft gezet. [appellante] heeft dit op zichzelf ook niet bestreden. Voor zover [appellante] betoogt dat zij niet wist dat zij haar afvalpas ook bij andere ORAC’s kon gebruiken, moet dit naar het oordeel van de Afdeling voor haar rekening blijven. Daarbij is van belang dat zij dit wel had behoren weten. Zij kan zich evenmin beroepen op het feit dat zij gezien de afstand tot de andere ORAC’s haar trein zou missen wanneer ze haar huisvuil correct zou hebben aangeboden. Wat in beroep wordt aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten van toepassing van bestuursdwang niet voor rekening van [appellante] mocht brengen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
195-1089