202506129/1/R4.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2025 heeft het college zijn beslissing om op 28 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Rotterdam aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Inleiding
2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte kartonnen doos die op 28 oktober 2025 door een toezichthouder van de gemeente is aangetroffen. De toezichthouder heeft de doos aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
De gronden van het beroep en het verweer daartegen
3. [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij stelt dat hij niet diegene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gelegd. Hij stelt ook dat door het college niet voldoende is onderzocht of een derde het afval uit de ORAC heeft gehaald. Dat het college stelt dat dit technisch onmogelijk is, is niet concreet onderbouwd en ook niet op de desbetreffende plek onderzocht, aldus [appellant].
[appellant] betoogt tenslotte dat het bedrag dat het college bij hem in rekening heeft gebracht, onevenredig is gelet op het ontbreken van opzet en recidive, de geringe omvang van het afval en het ontbreken van directe schuldvaststelling.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling als overtreder kan worden aangemerkt, omdat het aangetroffen huisvuil kan worden herleid tot [appellant], en de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang daarom op hem mochten worden verhaald. Daarbij mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakte rapportage. Er is geen plicht voor nader onderzoek naar de feitelijke gang van zaken, aldus het college.
Het college stelt zich verder op het standpunt dat de kostenbeschikking niet onevenredig is en dat de kosten die op [appellant] zijn verhaald, de kosten zijn die zijn gemaakt in verband met het verwijderen van de doos.
De beoordeling van het beroep
5. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, 201702617/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is dus niet zo dat, zoals [appellant] in zijn beroepschrift suggereert, de overtreding moet zijn geconstateerd op het moment van aanbieden. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
5.1. Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij wat hij aanvoert reden geeft om daaraan te twijfelen. De enkele stelling van [appellant] dat hij de doos in ORAC heeft geplaatst en dat een derde mogelijk de doos uit de ORAC heeft gehaald en ernaast heeft geplaatst, is daarvoor onvoldoende. Wat [appellant] aanvoert is onvoldoende om te twijfelen aan het bewijsvermoeden dat [appellant] de overtreder is.
Het betoog slaagt niet.
6. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de hoogte van de bestuursdwang onevenredig is, overweegt de Afdeling dat het bedrag van € 192,00 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht, de kosten zijn die het college moet worden geacht redelijkerwijs te hebben moeten maken voor het verwijderen van de verkeerd aangeboden doos. Die kosten behoren op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb in beginsel voor rekening van de overtreder te komen en niet voor de gemeenschap. [appellant] heeft niet met meer concrete argumenten betoogd dat het college deze kosten niet heeft gemaakt. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten te hoog zijn. De Afdeling wijst er in dat verband op dat het in dit geval niet gaat om een boete met een bestraffend karakter, maar om het in rekening brengen van kosten van een zogenoemde herstelmaatregel. Het ontbreken van opzet en recidive, de geringe omvang van het afval en het ontbreken van directe schuldvaststelling kunnen, wat daarvan verder ook zij, in deze zaak dus niet de rol spelen zoals [appellant] die blijkens zijn beroepschrift voor zich ziet.
Het betoog slaag niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
195-1089
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Hoofdstuk 5. Handhaving
Titel 5.3. Herstelsancties
Afdeling 5.3.1. Last onder bestuursdwang
Artikel 5:25
1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
[…]
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.2. Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.5. Onderzoek ter zitting
Artikel 8:57
1. De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.
[…]
3. Als de bestuursrechter bepaalt dat het onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, sluit hij het onderzoek.