202500835/1/A2.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 december 2024 in zaak nr. 24/1994 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen [appellante] een compensatiebedrag van € 87.715,00 toegekend na herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012 en 2015.
Bij besluit van 27 februari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en een aanvullende compensatievergoeding van € 2.253,00 toegekend.
Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.V. Hendriksen, advocaat in Den Haag, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Zoals op de zitting is afgesproken, is [appellante] in de gelegenheid gesteld om nadere bewijsstukken over te leggen van in herbeoordeelde toeslagjaren gemaakte kosten voor professionele rechtsbijstand.
Bij brief van 10 april 2026 heeft [appellante] haar beroepsgrond over het niet compenseren van gemaakte kosten voor professionele rechtsbijstand ingetrokken.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft nadat geen van de partijen, na te zijn gewezen op hun recht op een zitting te worden gehoord, binnen de door de Afdeling gestelde termijn hebben verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft op 6 februari 2020 bij de Dienst Toeslagen een verzoek gedaan tot herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012 en 2015. De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 4 februari 2022 een compensatiebedrag van € 87.715,00 toegekend.
In het besluit van 27 februari 2024 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat de compensatieberekening op verschillende punten onjuist was en daarom een aanvullende compensatievergoeding toegekend van € 2.253,00. In dat besluit heeft de Dienst Toeslagen zich voor de jaren 2006, 2013 en 2014 op het standpunt gesteld dat [appellante] geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en dus ook geen compensatie krijgt.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de door de Dienst Toeslagen overgelegde telefoonnotitie van de persoonlijk zaakbehandelaar van [appellante] van 7 december 2020 blijkt dat zij toen heeft verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012 en 2015 en dat zij in dat telefoongesprek heeft gezegd dat zij voor de jaren 2013 en 2014 geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de telefoonnotitie. [appellante] heeft pas in haar bezwaarschrift gevraagd om herbeoordeling van de jaren 2013 en 2014. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen laten weten dat [appellante] voor deze jaren geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen. Omdat [appellante] vervolgens niet heeft weersproken dat zij voor die jaren geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, heeft de Dienst Toeslagen van herbeoordeling van die jaren kunnen afzien en het besluit op bezwaar in zoverre deugdelijk gemotiveerd.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Uit het dossier blijkt niet dat [appellante], zoals in beroep gesteld, een aanvraag voor kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 of 2014 heeft ingediend en dat de kinderopvangtoeslag niet zou zijn uitbetaald maar verrekend. Er zijn geen gegevens aanwezig die haar stellingen onderbouwen. De Dienst Toeslagen heeft in haar informatiesystemen geen aanvragen of beschikkingen voor die jaren aangetroffen. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om voor die jaren een herbeoordeling uit te voeren.
Hoger beroep
3. In hoger beroep betoogt [appellante] dat de Dienst Toeslagen de jaren 2013 en 2014 wel had moeten betrekken in de herbeoordeling. Zij betoogt dat de toeslag in die jaren is gestopt, maar niet door haar en dat de toeslag over die jaren niet is uitbetaald maar verrekend.
4. De grond die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 7.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Zij voegt daaraan nog toe dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet voldoet aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wht. Zij is geen aanvrager van een kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, omdat zij voor de toeslagjaren 2013 en 2014 immers geen aanvraag heeft ingediend. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [appellante] voor de jaren 2013 en 2014 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en dus ook niet voor het oordeel dat zij als aanvrager over die jaren schade heeft geleden door vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen. Voor het in hoger beroep herhaalde betoog dat sprake is geweest van verrekening van over deze jaren toegekende kinderopvangtoeslag is ook in hoger beroep geen enkel aanknopingspunt aangereikt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
488-1197