ECLI:NL:RVS:2026:3033

ECLI:NL:RVS:2026:3033

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202500444/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij uitspraak van 6 december 2024 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om het college van burgemeester en wethouders van Haarlem te veroordelen tot vergoeding van schade toegewezen. Het college heeft bij besluit van 5 maart 2020 de aanvraag van [appellant] om een contingentwoning aangemerkt als een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 10 van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond 2017, in het bijzonder in de urgentiecategorie zoals bedoeld in artikel 9, vierde lid, aanhef en onder d, van die Verordening. Volgens het college voldeed de aanvraag niet aan het vereiste dat de aanvraag moet worden ingediend door de instelling die verantwoordelijk is voor de hulpverlening binnen de maatschappelijke opvang, gericht op het herstel van de bekwaamheden om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren. [appellant] heeft op 17 november 2023 verzocht om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om vergoeding van schade bestaat uit drie delen.

Uitspraak

202500444/1/A2.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Haarlem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 6 december 2024 in zaak nr. 23/6991 op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procesverloop

Bij uitspraak van 6 december 2024 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om het college van burgemeester en wethouders van Haarlem te veroordelen tot vergoeding van schade toegewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook heeft het college een schriftelijke uiteenzetting naar aanleiding van het hoger beroep gegeven.

[appellant] heeft een zienswijze naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Sprakel, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Groenewoud, zijn verschenen.

Het college heeft op de zitting het incidenteel hoger beroep ingetrokken.

Overwegingen

Achtergrond van het geschil

1. Het college heeft bij besluit van 5 maart 2020 de aanvraag van [appellant] om een contingentwoning aangemerkt als een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 10 van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond 2017, in het bijzonder in de urgentiecategorie zoals bedoeld in artikel 9, vierde lid, aanhef en onder d, van die Verordening. Volgens het college voldeed de aanvraag niet aan het vereiste dat de aanvraag moet worden ingediend door de instelling die verantwoordelijk is voor de hulpverlening binnen de maatschappelijke opvang, gericht op het herstel van de bekwaamheden om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren. Voordat het college op het door [appellant] daartegen ingestelde bezwaar had beslist, heeft HVO-Querido verzocht om een urgentieverklaring voor een contingentwoning voor [appellant]. Het college heeft bij besluit van 11 juni 2020 een urgentieverklaring voor de duur van zes maanden toegekend. Het college heeft verder bij besluit van 18 augustus 2020 het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 5 maart 2020 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 augustus 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:287, heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd.

Verzoek om schadevergoeding

2. [appellant] heeft op 17 november 2023 verzocht om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om vergoeding van schade bestaat uit drie delen.

2.1. Schadepost 1 ziet op het zonder medisch onderzoek kwijtraken van een Openbare Geestelijke Gezondheidszorg-indicatie (OGGZ).

2.2. Schadepost 2 ziet op het niet krijgen van passende begeleiding tijdens het verblijf van [appellant] in een opvang.

2.3. Schadepost 3 ziet op schade die [appellant] stelt te hebben geleden doordat de aanvraag om een urgentieverklaring bij besluit van 5 maart 2020 is afgewezen. [appellant] stelt dat hij daardoor langer dan noodzakelijk in de opvang moest verblijven.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het verzoek wat betreft schadepost 1 toegewezen en het college veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00. De rechtbank heeft geoordeeld dat schadeposten 2 en 3 niet kunnen leiden tot een schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

3.1. Schadepost 3 kan niet leiden tot een schadevergoeding, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Bij uitspraak van 25 januari 2023 is de Afdeling de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het college de eerste aanvraag bij besluit van 5 maart 2020 terecht heeft afgewezen omdat deze, anders dan de tweede aanvraag, niet werd ondersteund door een positief advies van HVO-Querido.

Oordeel van de Afdeling

4. De Afdeling is enkel bevoegd om uitspraak te doen op het hoger beroep van [appellant] voor zover dat betrekking heeft op schade als gevolg van de besluitvorming over de aanvraag om indeling in een urgentiecategorie (schadepost 3). De Centrale Raad van Beroep, waar [appellant] eveneens hoger beroep heeft ingesteld, is bevoegd op de overige gronden van het hoger beroep te beslissen. Het college heeft op de zitting bij de Afdeling het incidenteel hoger beroep ingetrokken. Het college is gebleken dat de Centrale Raad van Beroep, waar het eveneens incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, bevoegd is om daarover te oordelen.

5. Uit wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank over schadepost 3 onjuist is. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat schadepost 3 niet kan leiden tot een schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De Afdeling kan zich vinden in de onder 12 van de aangevallen uitspraak opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond, voor zover het hoger beroep ziet op schadepost 3. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.

7. Het college moet proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover de Afdeling daartoe bevoegd is;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Engele

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

1033

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.M. Engele

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand