202500748/1/A2.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2024 in zaak nr. 23/6495 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellant] om overneming van een private schuld afgewezen.
Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.V. Hendriksen, advocaat in Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor het overnemen en betalen van private schulden in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een informele private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. [appellant] is aangemerkt als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. [appellant] heeft een schuldenlijst aan SBN gestuurd, waarop een openstaande schuld staat aan [persoon] van € 5.514,85. [appellant] heeft verzocht om overname van deze schuld.
Besluitvorming
4. De minister heeft geweigerd de schuld aan [persoon] over te nemen. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de schuld van [appellant] aan [persoon] een informele schuld is die op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht moet worden vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. De notariële akte geldt als bewijs voor het bestaan van de lening, maar ook voor het feit dat sprake is van betalingsafspraken. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of en wanneer er sprake is van opeisbare achterstanden, aldus de minister. De notariële akte die [appellant] heeft laten opmaken is verleden op 3 februari 2023 en daarmee buiten de referteperiode opgesteld.
Verder heeft de minister aan het besluit ten grondslag gelegd dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Uit de door [appellant] overgelegde e-mail en de telefoonnotities van de UHT blijkt niet dat de toezegging is gedaan dat een notariële akte die na 1 juni 2021 is verleden, toch leidt tot overname van de schuld.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op goede gronden heeft vastgesteld dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 4.1 van de Wht worden gesteld aan overname daarvan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat de schuld bij [persoon] niet is vastgelegd in een notariële akte van voor 1 juni 2021 waardoor niet is voldaan aan artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Ook heeft [appellant] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Daarmee voldoet de schuld ook niet aan het vereiste van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
6. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel niet leidt tot het oordeel dat de minister de schuld in afwijking van de wettelijke regeling moest overnemen. In het door [appellant] overgelegde e-mailbericht van 4 november 2022 heeft de rechtbank geen ondubbelzinnige toezegging of andere uitlating gelezen waaruit hij mocht opmaken dat zijn schuld zou worden overgenomen, ook als niet aan de voorwaarde zou zijn voldaan van een notariële akte daterend van voor 1 juni 2021. Van het telefoongesprek van 3 april 2023 waarin volgens [appellant] zou zijn meegedeeld dat de schuld ook kon worden overgenomen op basis van een notariële akte van na 1 juni 2021, zijn geen gespreksverslagen bewaard gebleven, maar daarin ziet de rechtbank geen aanleiding om de gestelde inhoud als vaststaand aan te nemen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat als zij er wel vanuit zou gaan dat in dat telefoongesprek een gerechtvaardigde verwachting is gewekt, dit niet betekent dat de minister had moeten overgaan tot overname van de schuld, omdat ook nog een belangenafweging moet worden gemaakt. Dat de notariële akte al voor het telefoongesprek was opgesteld wijst er volgens de rechtbank op dat [appellant] niet heeft gehandeld op basis van gewekt vertrouwen. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister de schuld van [persoon] toch had moeten overnemen.
Hoger beroep en de beoordeling daarvan
Opeisbaarheid
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de schuld opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021. Hij voert daartoe aan dat de schuld ontstaan is tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 en, omdat er geen concrete betaaltermijn bepaald is, op elk moment opeisbaar is op grond van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (het BW). Hierdoor is de schuld opeisbaar geworden voor 1 juni 2021.
7.1. Uit de overgelegde notariële akte van 3 februari 2023 blijkt dat [persoon] op vijf momenten tussen 8 oktober 2018 en 12 september 2020 geldbedragen aan [appellant] heeft uitgeleend. In deze akte is niet opgenomen met welke afspraken of onder welke voorwaarden dat is gedaan. Wel blijkt eruit dát afspraken zijn gemaakt, zoals [appellant] op de zitting ook heeft bevestigd, omdat aan "overeengekomen aflossingstermijnen" wordt gerefereerd. Welke afspraken kon [appellant] op de zitting niet toelichten. De akte vermeldt niet dat het om reeds opeisbare bedragen gaat of dat en wanneer bedragen opeisbaar zijn geworden. Weliswaar vermeldt de akte dat de schuld zonder opzegging of ingebrekestelling onmiddellijk opeisbaar is, maar dat heeft betrekking op de op 3 februari 2023 in de akte vastgelegde afspraken over de daarin vastgelegde schuldbekentenis. Omdat er afspraken waren over de opeisbaarheid van de schuld, geldt artikel 6:38 van het BW niet. Nu niet duidelijk is geworden welke afspraken voor 1 juni 2021 golden en dit ook niet uit de akte blijkt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Daarmee is niet aan het vereiste van opeisbaarheid van de schuld voldaan, zodat het vereiste van een notariële akte geen verdere bespreking meer behoeft. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is evenmin grond te vinden voor het oordeel dat de minister toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
8. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Volgens [appellant] heeft een medewerker van de SBN in het e-mailbericht van 4 november 2022 bij hem de verwachting gewekt dat de schuld overgenomen zou worden als hij een notariële akte zou laten opmaken.
8.1. Wie zich, zoals [appellant], beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] er niet in geslaagd is het bestaan van enige toezegging aannemelijk te maken waaraan hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat de voornoemde schuld zou worden overgenomen door de minister. De e-mail van de persoonlijk zaakbehandelaar bevat niet een dergelijke toezegging. In de e-mail van 4 november 2022 leest ook de Afdeling geen ondubbelzinnige toezegging of andere uitlating waaruit [appellant] mocht afleiden dat de minister de schuld zou overnemen, als hij deze alsnog zou vastleggen in een notariële akte. Er staat namelijk dat nadat de schuld is vastgelegd in een notariële akte deze kan worden voorgelegd bij SBN. Daarbij wordt erop gewezen dat aan de voorwaarde van opeisbaarheid voldaan zal moeten zijn.
8.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
705-1190
BIJLAGE
Wettelijk kader
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Artikel 38
Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de verbintenis terstond worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd.
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1 Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. […]
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. […]
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
[…]
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
a. […]
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
[…]
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
1. De Belastingdienst/Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2.Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
[…]