202305617/1/A2.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2023 in zaak nr. 22/1567 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2021 heeft het college zijn beslissing op schrift gesteld om op 23 september 2021 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door het voertuig van [appellante] met kenteken […] weg te slepen en in bewaring te stellen en de kosten hiervan op [appellante] te verhalen.
Bij besluit van 19 oktober 2022 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juli 2023 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
[appellante] heeft een nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.N. Duivenvoorden, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In deze zaak zijn twee procedures door elkaar gaan lopen: de in het procesverloop weergegeven procedure over bestuursdwang en een procedure over een door de directeur Belastingen van de gemeente Rotterdam aan [appellante] op 9 november 2021 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. [appellante] heeft op 16 november 2021 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 oktober 2021 over de bestuursdwang. Dit bezwaar is opgevat als een bezwaar tegen de op 9 november 2021 opgelegde naheffingsaanslag. De directeur heeft bij uitspraak van 14 februari 2022 het bezwaar afgewezen. [appellante] heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft [appellante] het college op 15 februari 2022 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar gericht tegen het besluit van 5 oktober 2021 over de bestuursdwang.
2. De rechtbank heeft voorafgaande aan de zitting aan [appellante] en de directeur vragen gesteld over de strekking van het bezwaar van 16 november 2021 en het door [appellante] ingestelde beroep. [appellante] en de directeur hebben die vragen beantwoord. De rechtbank heeft de antwoorden van [appellante] van 4 april 2022 en van 15 juni 2023 opgevat als aanvullende beroepsgronden. De directeur heeft in zijn antwoord van 21 juni 2023 aangegeven dat de uitspraak op bezwaar van 14 februari 2022 over de naheffingsaanslag abusievelijk is gedaan en heeft verzocht deze als niet verzonden te beschouwen.
3. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij besluit van 19 oktober 2022 het door [appellante] gemaakte bezwaar van 16 november 2021 tegen het besluit van 5 oktober 2021 over bestuursdwang, alsnog ongegrond verklaard. Bij besluit van 4 november 2022 heeft het college aan [appellante] een dwangsom toegekend wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het tegen het besluit van 5 oktober 2021 gemaakte bezwaar van 16 november 2021.
Beoordeling van het hoger beroep
Procedure over de naheffingsaanslag
4. De grond van [appellante] over het vergoeden van de proceskosten van het door haar tegen de uitspraak van de directeur van 14 februari 2022 ingestelde beroep, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het beroep tegen de uitspraak van de directeur geen doel meer treft en zij geen reden ziet om het college ter zake van de naheffingsaanslag te veroordelen in de proceskosten, en in de onder 5, eerste tekstblok, opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Deze grond slaagt niet.
Procedure over bestuursdwang
5. De rechtbank heeft het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 19 oktober 2022 over bestuursdwang niet-ontvankelijk verklaard.
5.1. Voor zover het beroep van [appellante] een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar over de toepassing van bestuursdwang betreft, heeft de rechtbank het volgende geconstateerd. Het college heeft op 19 oktober 2022 een besluit op bezwaar genomen over de toepassing van bestuursdwang. Ter zake heeft het college op 4 november 2022 de maximale dwangsom toegekend. De rechtbank heeft overwogen geen reden te hebben om aan te nemen dat dit besluit een (nieuw) primair besluit (een herroeping) over bestuursdwang zou zijn. [appellante] heeft zelf bovendien op 16 november 2021 bezwaar gemaakt tegen het besluit over de toepassing van bestuursdwang van 5 oktober 2021. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] tegen het besluit van 19 oktober 2022 niet tijdig beroep ingesteld. De rechtbank heeft overwogen dat zij daarom niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de toegepaste bestuursdwang. In deze omstandigheden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank haar beroep, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
6.1. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank het door [appellante] ingestelde (aanvullend) beroep heeft opgevat als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar van 16 november 2021, dat de rechtbank kennis heeft genomen van het hangende dat beroep alsnog genomen besluit op bezwaar van 19 oktober 2022 en dat met dat besluit niet wordt tegemoet gekomen aan het beroep. Dit leidt de Afdeling tot het oordeel dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking had op het besluit op bezwaar van 19 oktober 2022. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte aan [appellante] tegengeworpen dat zij niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2022. Een beroep van rechtswege is naar zijn aard tijdig ingediend, mits ten tijde van het afkomen van het nadere besluit nog niet op het oorspronkelijke rechtsmiddel is beslist. De rechtbank heeft ook nagelaten uitdrukkelijk en afzonderlijk op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van rechtswege te beslissen. De aangevallen uitspraak voldoet daarmee niet aan het vereiste van artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaren omdat het college inmiddels inhoudelijk had beslist bij het besluit op bezwaar van 19 oktober 2022. [appellante] heeft daarom geen procesbelang meer bij dit beroep. Ook zal de Afdeling het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 19 oktober 2022 alsnog beoordelen. Hiervoor heeft de Afdeling [appellante] gevraagd te laten weten waarom zij het niet eens is met dat besluit.
Beoordeling van het van rechtswege ontstane beroep
8. Het betoog van [appellante] dat het college ten onrechte het rapport van de toezichthouder aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, slaagt niet. Het rapport voldoet aan de eisen artikel 5:29 van de Awb en artikel 5 van het Besluit wegslepen van voertuigen. De Afdeling stelt vast dat de inhoud van het rapport niet in geschil is. Het college heeft het besluit van 19 oktober 2022, waarin het besluit van 5 oktober 2021 is gehandhaafd, daarom mogen baseren op het rapport.
Conclusie beroep
9. Het beroep is ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
10. [appellante] heeft hangende het hoger beroep een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure over het toepassen van de bestuursdwang.
10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
10.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 18 november 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim 7 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
10.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1000,00.
10.4. De Afdeling zal de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) daarom veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1000,00 aan [appellante] als vergoeding van door haar geleden immateriële schade.
Proceskosten
11. Het college moet de proceskosten voor het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het hoger beroep vergoeden.
12. De Staat moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2023 in zaak nr. 22/1567;
III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2021 niet-ontvankelijk;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2022 ongegrond;
V. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellante] van een schadevergoeding van € 1000,00;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het hoger beroep opgekomen proceskosten van een bedrag van € 2335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 468,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
154-1190