202307663/1/R1.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2023 in zaak nr. 22/1336 in het geding tussen:
[appellante]
en
het dagelijks bestuur van het Waterschap Noorderzijlvest.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2021 heeft het dagelijks bestuur een watervergunning verleend voor het realiseren van een vaarverbinding vanaf de woningen aan [5 locaties] in Haren naar het Paterswoldsemeer, waarbij nevenvoorzieningen worden aangelegd en verwijderd.
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft het dagelijks bestuur het door [persoon], rechtsvoorganger van [appellante], daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en bijgestaan door [persoon], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C. Oving-Meinders, via een videoverbinding zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [persoon A] en [persoon B] via een videoverbinding gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 9 juni 2020. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet en de Keur waterschap Noorderzijlvest 2009, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding
2. De eigenaren van de woningen aan de [5 locaties] in Haren willen een vaarverbinding realiseren naar het Paterswoldsemeer vanaf hun woningen. Het dagelijks bestuur heeft hiervoor een watervergunning verleend.
[appellante] is eigenaar van een recreatiewoning aan [locatie 6] in Haren. Die recreatiewoning ligt aan het Paterswoldsemeer en bevindt zich in de directe nabijheid van de vaarverbinding waarvoor de watervergunning is verleend. [appellante] is het niet eens met de verlening van de watervergunning, onder andere omdat zij vreest dat haar perceel door vernatting als gevolg van de nieuwe vaarverbinding moeilijk bereikbaar wordt.
Omvang van het geding
3. De activiteiten waarvoor bij het besluit van 16 april 2021 een watervergunning is verleend, bestaan onder meer uit het graven van een nieuwe watergang die verbonden wordt met andere oppervlaktewaterlichamen. In deze procedure ligt alleen dit besluit met de daarin vergunde activiteiten ter beoordeling voor. Op de zitting is naar voren gekomen dat de hogerberoepsgronden die [appellante] heeft aangevoerd, ook betrekking hebben op een ophaalbrug die over de vaarverbinding zal worden gebouwd, en op een gemaal dat ten noorden van de vaarverbinding is geplaatst. Zoals op de zitting is besproken, gaat de watervergunning niet over de ophaalbrug en het gemaal. De Afdeling zal niet ingaan op de daarmee verband houdende hogerberoepsgronden, omdat die buiten de omvang van dit geding vallen.
Relevante wettelijke bepalingen
4. De relevante wettelijke bepalingen van de Waterwet en de Keur zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur een watervergunning had mogen verlenen. Zij voert aan dat haar perceel zo erg is vernat, dat aanleiding bestond voor twijfel aan het onderzoek naar de hydrologische gevolgen van de vaarverbinding. Verder voert [appellante] aan dat de waterkwaliteit in gevaar wordt gebracht door de verspreiding van blauwalg. Ten slotte voert [appellante] aan dat de vaarverbinding niet nodig is. Er zijn namelijk ook andere manieren om op het Paterswoldsemeer te kunnen varen. De vaarverbinding dient maar een aantal percelen, terwijl zij afbreuk doet aan het omliggende natuurgebied en de bereikbaarheid van het perceel van [appellante]. [appellante] vreest voor een verdere versnippering en verstoring van het gebied als gevolg van de verleende watervergunning.
5.1. De redenen om een watervergunning te weigeren (weigeringsgronden) in artikel 6.21 van de Waterwet zijn limitatief. Een eventuele weigering van de aangevraagde watervergunning is alleen aan de orde voor zover de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet.
5.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de watervergunning niet had mogen verlenen, omdat de activiteiten niet verenigbaar zijn met de doelstellingen van artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet, of de belangen bedoeld in artikel 6:11 van de Waterwet. Zij overweegt als volgt.
Het dagelijks bestuur heeft deskundigenrapporten van Arcadis Nederland B.V. van 27 mei 2020 en van Aquaflux van 5 maart 2021 aan zijn besluit ten grondslag gelegd. In die rapporten zijn de hydrologische effecten van de vaarverbinding op de omgeving onderzocht. De conclusie is dat op het perceel van [appellante] geen vernatting zal optreden als gevolg van het project waarvoor de watervergunning is verleend. De eigen waarneming van [appellante] dat haar perceel is vernat, geeft onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie in de deskundigenadviezen. De Afdeling ziet daarom, net als de rechtbank, geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de deskundigenrapporten niet aan de watervergunning ten grondslag heeft mogen leggen, en dat het dagelijks bestuur de watervergunning om reden van de gestelde vernatting van haar perceel niet had mogen verlenen.
Over blauwalg heeft het dagelijks bestuur in het besluit op bezwaar gesteld dat het concrete maatregelen neemt die nodig zijn om de oorzaak van het ontstaan daarvan, namelijk een te hoog nutriëntengehalte van het oppervlaktewater, in het Paterswoldsemeer weg te nemen. Het graven van de vaarverbinding heeft volgens het dagelijks bestuur geen invloed op het nutriëntengehalte van het oppervlaktewater in het watersysteem, en de vaarverbinding zal de waterkwaliteit in ieder geval niet in negatieve zin beïnvloeden, zo stelt het dagelijks bestuur. [appellante] heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de rechtbank niet kon uitgaan van de juistheid van deze stelling, zodat de Afdeling ook geen aanleiding ziet om hieraan te twijfelen. In de gestelde aantasting van de waterkwaliteit door blauwalg heeft het dagelijks bestuur daarom geen reden hoeven zien voor weigering van de watervergunning.
Wat [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, geeft de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanleg van de vaarverbinding niet verenigbaar is met de doelstellingen van artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Anders dan [appellante] stelt, hoefde het dagelijks bestuur niet te onderzoeken of de vaarverbinding nodig is. Of de bewoners van de woningen aan de Meerweg ook op andere manieren dan via de gevraagde vaarverbinding op het Paterswoldsemeer kunnen varen, is daarom in zoverre niet relevant. Het dagelijks bestuur moest beoordelen of de aanvraag verenigbaar is met de in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet genoemde doelstellingen of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet en dat heeft het ook gedaan. Alleen de niet onderbouwde stelling van [appellante] dat de vaarverbinding afbreuk doet aan het omliggende natuurgebied en aan de bereikbaarheid van het perceel van [appellante], geeft onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de vaarverbinding niet verenigbaar is met de doelstellingen of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. In de vrees van [appellante] voor precedentwerking ziet de Afdeling ook geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de watervergunning niet had mogen verlenen. Als er al een nieuwe aanvraag om een vergunning voor activiteiten in hetzelfde gebied aan de orde zou zijn - waarvan in deze procedure niet is gebleken -, dan zal die aanvraag opnieuw en op zijn eigen merites beoordeeld moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
7. Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Duits, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duits
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
672-1093
BIJLAGE
Keur waterschap Noorderzijlvest 2009
Artikel 3.1.2
Het is verboden om zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam door, anders dan in overeenstemming met de functie, de onder a tot met g omschreven handelingen uit te voeren.
Waterwet
Artikel 2.1
1. De toepassing van deze wet is gericht op:
a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen."
[…]
Artikel 6.13
Deze paragraaf is mede van toepassing op de krachtens verordening van een waterschap vereiste vergunningen, voor zover deze betrekking hebben op handelingen in een watersysteem of beschermingszone. […]
Artikel 6.21
Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11.