ECLI:NL:RVS:2026:3041

ECLI:NL:RVS:2026:3041

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202207331/5/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij tussenuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3197, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Venlo opgedragen om binnen zesentwintig weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen, de daarin onder 27 en 28 omschreven gebreken in het besluit van 19 oktober 2022, waarbij het bestemmingsplan "Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo" is vastgesteld, te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 10.3 geoordeeld dat de raad ten onrechte de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - resomeercentrum" heeft toegekend aan gronden met de bestemming "Maatschappelijk. Door het toestaan van resomeren maakte het plan het gebruik van gronden mogelijk dat in strijd is met de Wet op de lijkbezorging. De raad had dan ook op voorhand moeten inzien dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 11.2 geoordeeld dat in de planregels onvoldoende duidelijk geregeld is wat onder "short stay" moet worden verstaan. Daartoe overwoog de Afdeling dat in de planregel geen maximaal toegestane verblijfsduur is opgenomen, en dat ook niet uit de andere planregels volgt wanneer sprake is van tijdelijk verblijf of van permanente bewoning.

Uitspraak

202207331/5/R2.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend of gevestigd in Venlo,

2. Sormac B.V. en anderen, wonend of gevestigd in Venlo,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Venlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3197, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zesentwintig weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen, de daarin onder 27 en 28 omschreven gebreken in het besluit van 19 oktober 2022, waarbij het bestemmingsplan "Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo" is vastgesteld, te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 19 november 2025 het bestemmingsplan "Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo" (hierna: het herstelbesluit) opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en anderen en Sormac B.V. en anderen een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 10 maart 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

De tussenuitspraak

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 10.3 geoordeeld dat de raad ten onrechte de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - resomeercentrum" heeft toegekend aan gronden met de bestemming "Maatschappelijk. Door het toestaan van resomeren maakte het plan het gebruik van gronden mogelijk dat in strijd is met de Wet op de lijkbezorging. De raad had dan ook op voorhand moeten inzien dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 11.2 geoordeeld dat in de planregels onvoldoende duidelijk geregeld is wat onder "short stay" moet worden verstaan. Daartoe overwoog de Afdeling dat in de planregel geen maximaal toegestane verblijfsduur is opgenomen, en dat ook niet uit de andere planregels volgt wanneer sprake is van tijdelijk verblijf of van permanente bewoning.

Verder heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 14.6 geoordeeld dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat Akarton B.V. niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt door de huisvestingslocatie. Daarbij achtte de Afdeling van belang dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat ter plaatse van de huisvestingslocatie een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.1. Gelet op wat de Afdeling in overwegingen 10.3, 11.2 en 14.6 van de tussenuitspraak heeft overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en Sormac B.V. en anderen tegen het besluit van 19 oktober 2022 gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd, omdat het wat betreft het gebrek geconstateerd in 10.3 in strijd is met de Wet op de lijkbezorging en daarmee niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, en wat betreft de gebreken geconstateerd in 11.2 en 14.6 in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.2. De Afdeling heeft onder 27 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het onder 11.2 geconstateerde gebrek kan herstellen door aan de definitie van ‘short stay’ in artikel 1.54 van de planregels toe te voegen dat de maximale verblijfsduur bij short-stay huisvesting bijvoorbeeld 4 maanden per half jaar bedraagt.

De Afdeling heeft onder 28 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het onder 14.6 geconstateerde gebrek kan herstellen door, bijvoorbeeld door middel van een akoestisch onderzoek, aan te tonen dat ter plaatse van de huisvestingslocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het herstelbesluit

3. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak het herstelbesluit genomen en het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld en voorzien van een nadere motivering. Ook heeft de raad de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - uitvaartcentrum’ toegekend aan de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" in het noordoostelijke deel van het plangebied.

4. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en Sormac B.V. en anderen zijn op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit.

5. De Afdeling zal op basis van de door [appellant sub 1] en anderen en Sormac B.V. en anderen ingebrachte zienswijzen beoordelen of de gebreken aan het besluit van 19 oktober 2022 door de vaststelling van het herstelbesluit zijn hersteld.

Beoordeling zienswijzen

Wezenlijk ander plan

6. Sormac B.V. en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet opnieuw de wettelijke procedure heeft doorlopen. Zij voeren daartoe aan dat het herstelbesluit een wezenlijk ander plan is. Het plan voorziet in een uitvaartcentrum zonder crematiefunctie op de gronden waarop eerst een resomeercentrum mogelijk werd gemaakt. Dit is een wezenlijk ander plan, omdat geen sprake is van een volwaardige vorm van lijkbezorging, maar enkel van een afscheidsdienst. Omdat geen ruimte meer voor resomeren hoeft te worden ingericht, kan het volledige gebouw worden benut voor de realisatie van herdenkingsruimtes. Hierdoor kan het gebouw intensiever worden gebruikt dan indien het plan ook een resomeercentrum mogelijk maakt. Dit kan gevolgen hebben voor de verkeer- en geluidssituatie.

6.1. De raad heeft afdeling 3.4 van de Awb niet toegepast bij de voorbereiding van het herstelbesluit. Dit is in lijn met wat de Afdeling in overweging 30 van de tussenuitspraak heeft overwogen. Uit de rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6546, volgt dat een bestuursorgaan een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb dat strekt tot wijziging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, in beginsel dient voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb indien het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop zijn naar het oordeel van de Afdeling uitzonderingen mogelijk. De raad kan na de vaststelling van het bestemmingsplan alsnog besluiten tot een aanpassing van het plan zonder dat afdeling 3.4 opnieuw behoeft te worden toegepast, mits deze aanpassing naar aard en omvang niet zodanig groot is dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld.

6.2. De raad heeft in het herstelbesluit aan de gronden waaraan onder het te vernietigen besluit de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - resomeercentrum’ was toegekend, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - uitvaartcentrum’ toegekend. De bestemming "Maatschappelijk" is ongewijzigd, net als de omvang en positie van het bouwvlak, het maximum bebouwd oppervlak (3.500 m2) en de maximum bouwhoogte (7 m). Het te vernietigen plan stond een resomeerinstallatie toe. Het herstelbesluit staat géén crematiefunctie toe.

6.3. Naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van een aanpassing die naar aard en omvang zodanig is dat moet worden geoordeeld dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het herstelbesluit geen vorm van lijkbezorging toestaat en in zoverre minder mogelijk maakt dan het vorige plan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plangebied zodanig intensiever zal worden gebruikt dat dat maakt dat sprake is van een wezenlijk ander plan. De raad heeft toegelicht dat opnieuw wordt uitgegaan van twee aula’s en dat de omvang van de bezoekersruimte en het mortuarium overeen komen. Uit de plantoelichting bij het te vernietigen besluit blijkt namelijk dat voor de technische resomeerruimte als minimaal noodzakelijk oppervlak 250 m2 was ingeschat. De Afdeling ziet geen aanleiding voor de vrees dat het uitvaartcentrum intensiever kan worden gebruikt omdat de oppervlakte die was gereserveerd voor de technische resomeerruimte nu ook ten behoeve van de aula of de bezoekersruimte kan worden ingezet.

Nu naar het oordeel van de Afdeling geen sprake is van een wezenlijk ander plan, hoefde de raad afdeling 3.4 van de Awb niet toe te passen op de voorbereiding van het herstelbesluit.

Het betoog slaagt niet.

Behoefte aan uitvaartcentrum

7. [appellant sub 2A] en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgesteld. Onder verwijzing naar het rapport

"Rapport: Quick-scan Ladderonderbouwing uitvaartcentrum Venlo" van

23 januari 2026 van Sweco (hierna: het rapport van Sweco), betoogt [appellant sub 2A] dat de raad de behoefte aan het uitvaartcentrum onvoldoende heeft onderbouwd.

7.1. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt als volgt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

7.2. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

7.3. De Afdeling beoordeelt, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven en aan de hand daarvan, of de beschrijving van de behoefte in de toelichting, of in de documenten waarnaar in de toelichting ter beschrijving van deze behoefte wordt verwezen, niet zo gebrekkig is of zulke leemten in kennis of zulke onjuistheden vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Hierbij acht de Afdeling van belang of een appellant voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte naar voren heeft gebracht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 11.

7.4. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de ruimtelijke uitstraling daarvan, moet de ontwikkeling van het uitvaartcentrum naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

- Kwantitatieve behoefte

7.5. [appellant sub 2A] voert daartoe aan dat de raad de kwantitatieve behoefte aan uitvaartcentra in Venlo heeft overschat. De raad heeft ten onrechte de uitvaarten die een kerkelijk karakter hebben meegerekend bij het totale aantal uitvaarten per uitvaartcentrum. Ook heeft de raad geen rekening gehouden met uitvaarten met een persoonlijk en intiem karakter, of uitvaarten zonder ceremonie, die ook niet in een uitvaartcentrum plaatsvinden. Verder heeft de raad het daadwerkelijke aantal landelijk relevante uitvaartcentra overschat, omdat het ook zzp’ers die in de uitvaartbranche afhankelijk zijn voor hun diensten van uitvaartcentra heeft meegeteld. Het door de raad berekende landelijk gemiddelde van 56 uitvaarten per uitvaartcentrum is te laag ingeschat. Volgens [appellant sub 2A] heeft de raad door zijn wijze van berekenen het gemiddelde aantal uitvaarten per uitvaartcentrum in Venlo overschat met meer dan honderd uitvaarten (135 uitvaarten per uitvaartcentrum per jaar, versus 34 zoals berekend door Sweco). Het aantal uitvaarten in Venlo ligt aanzienlijk lager dan het landelijk gemiddelde. De toevoeging van een extra uitvaartcentrum brengt dit aantal nog verder omlaag.

7.6. Onder paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting is de behoefte aan een uitvaartcentrum in het verzorgingsgebied (Venlo) beschreven. Daarin wordt vermeld dat het gemiddelde aantal uitvaarten per uitvaartcentrum in Venlo in 2024 142 bedroeg, tegenover gemiddeld 56 uitvaarten per uitvaartcentrum in Nederland in 2023. Zelfs bij toevoeging van een uitvaartcentrum op het plangebied zou het aantal uitvaarten per uitvaartcentrum nog substantieel groter zijn dan het landelijk gemiddelde, aldus de raad in de plantoelichting.

7.7. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de kwantitatieve behoefte aan het uitvaartcentrum voldoende is gemotiveerd. Het rapport van Sweco vormt geen reden om daaraan te twijfelen. Daartoe voert de raad aan dat daarin geen rekening is gehouden met de grensligging van de gemeente Venlo en de in de plantoelichting beschreven trend dat Duitsers in Nederland een uitvaart organiseren vanwege de andere aard en opzet daarvan. Verder zal een uitvaartcentrum ook bij kerkelijke uitvaarten een aanvullende functie (kunnen) hebben. Een religieus gebouw beschikt niet over de faciliteiten voor opbaring, ontvangst van nabestaanden, condoleancebijeenkomsten en logistieke ondersteuning van de uitvaart. Ook een uitvaartcentrum kan voorzien in niet-traditionele uitvaarten en persoonlijkere en intiemere uitvaarten. Verder stelt de raad dat de in het rapport genoemde voorkeur voor traditionele uitvaarten (kerk of uitvaartcentrum) in de gemeente Venlo van 44% van het totaal een onderschatting is. Verder wordt in het rapport van Sweco een vertekend beeld geschetst doordat bij de opsomming van uitvaartcentra binnen Venlo een aantal plekken waar uitvaartverzorging plaatsvindt niet wordt meegeteld.

7.8. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het plan voorziet in een kwantitatieve behoefte. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2A] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de kwantitatieve behoefte aan het uitvaartcentrum onvoldoende heeft gemotiveerd. De Afdeling stelt vast dat de raad en Sweco van opvatting verschillen over de invloed van traditionele uitvaarten op het gebruik van uitvaartcentra. Wat de raad heeft ingebracht tegen de stelling dat bij traditionele uitvaarten geen of minder gebruik wordt gemaakt van uitvaartcentra acht de Afdeling voldoende overtuigend voor de conclusie dat het uitvaartcentrum niet voor leegstand zal worden gebouwd. In het rapport van Sweco wordt de stelling ook niet onderbouwd dat een daling naar 30 uitvaarten per uitvaartcentrum per jaar in Venlo tot een omzetdaling van 14% voor de bestaande aanbieders en daarmee tot faillissementen kan leiden.

Het betoog slaagt niet.

- Kwalitatieve behoefte

7.9. [appellant sub 2A] voert daartoe aan dat het uitvaartcentrum geen kwalitatieve meerwaarde biedt voor het al bestaande aanbod van uitvaartcentra in Venlo. Omdat cremeren niet is toegestaan op deze locatie, is het niet mogelijk om de klant op één locatie te bedienen. Uit het rapport van Sweco volgt dat de locatie, een koppeling aan de uitvaartverzekeringen, een groene setting, en mobiliteit belangrijke aspecten zijn met betrekking tot de klantwens. Omdat cremeren niet mogelijk is op de locatie is een uitvaartcentrum ook niet interessant voor verzekeraars, terwijl men doorgaans juist gebruikmaakt van locaties die een overeenkomst hebben met een uitvaartverzekeraar. Ook voldoet de locatie niet aan de groeiende vraag naar uitvaartfaciliteiten met veel groen. De locatie is gelegen langs een drukke weg en aan de rand van een industrieterrein. Weliswaar voorziet het plan ook in een herdenkingspark, maar dat voldoet niet aan de wens voor een rustige groene setting.

7.10. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat in een kwalitatieve behoefte kan worden voorzien. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat geen vraag is naar een uitvaartcentrum zonder crematiefunctie omdat die niet interessant zijn voor uitvaartverzekeraars. Los van de omstandigheid dat niet vaststaat dat uitvaartverzekeraars om deze reden geen overeenkomst met het uitvaartcentrum zouden willen sluiten, kunnen verzekerden ook bij een uitvaartcentrum terecht dat niet is aangesloten bij een uitvaartverzekeraar. Dat hieraan mogelijk meerkosten verbonden zijn, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat vaststaat dat er om die reden geen vraag naar het uitvaartcentrum zou zijn. Daarbij acht de Afdeling van belang dat bij het uitvaartcentrum een herdenkingspark wordt gerealiseerd, inclusief de herplant van 3.750 m2 bos. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een uitvaartcentrum op deze plek zich onderscheidt van andere uitvaartcentra in de gemeente, omdat ook een herdenkingspark met kunstwerken en herdenkingsmonumenten kan worden gerealiseerd. Dat het herdenkingspark is gelegen langs een drukke weg en aan de rand van een industrieterrein, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat geen sprake is van een rustige groene setting.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over de ladder voor duurzame verstedelijking

7.11. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat wat [appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro heeft vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Beperking bedrijfsvoering Akarton B.V.

8. Voor het herstel van het onder 14.6 van de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft de raad het akoestisch onderzoek

"BP Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo" van 25 augustus 2025 door WSP (hierna: het akoestisch onderzoek) laten uitvoeren. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 10 bij de plantoelichting van het herstelbesluit gevoegd. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in het akoestisch woon- en leefklimaat bij de woonunits als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de geluidbelasting die bij de huisvestingslocatie zal optreden als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar zijn, en dat de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. niet door de huisvestingslocatie zullen worden belemmerd.

8.1. De raad heeft voor de beoordeling of in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de huisvestingslocatie kan worden voorzien aangesloten bij de richtafstand volgens de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure). De Afdeling stelt voorop dat de richtafstanden in de VNG-brochure indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de raad bij toepassing van de VNG-brochure kan besluiten van de daarin aanbevolen richtafstanden af te wijken. De raad moet wel deugdelijk motiveren waarom van die richtafstanden wordt afgeweken, bijvoorbeeld door naar de relevante hinderaspecten specifiek onderzoek te doen.

8.2. De beoordeling van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat is uitgevoerd aan de hand van drie bedrijfssituaties. De eerste is de huidige bedrijfssituatie van Akarton B.V. (activiteiten behorende bij milieucategorie 3.2). De tweede omvat een eventuele uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. (milieucategorie 3.2) binnen de eigendomsgrenzen van (de aandeelhouder van) Akarton B.V. met de enkelbestemming "Bedrijf - 3". De afstand tussen de gronden van Akarton B.V. en de gronden met de bestemming "Wonen" bedraagt ongeveer 90 m. In de eerste twee situaties wordt aldus voldaan aan de VNG-richtafstand voor bedrijven in milieucategorie 3.2 in omgevingstype ‘gemengd gebied’ (50 m).

De derde onderzochte bedrijfssituatie is een uitbreiding met een maximale planologische invulling binnen de eigendomsgrenzen van (de aandeelhouder van) Akarton B.V. (milieucategorie 4.2). Niet in geschil is dat op de gronden van Akarton B.V. bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 4.2 is toegestaan, en dat aan de richtafstand die daarvoor geldt (200 m), niet wordt voldaan. De raad heeft onderzoek gedaan naar geluid, het relevante hinderaspect. In het akoestisch onderzoek is getoetst of de geluidbelasting voldoet aan de waarden van stap 2 van de VNG-brochure. Daarbij is uitgegaan van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In stap 2 is de toegestane geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gemengd gebied 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, en 70 dB(A) etmaalwaarde voor het maximale geluidniveau LA,max.

8.3. Akarton B.V. heeft in haar zienswijze te kennen gegeven het niet eens te zijn met het standpunt van de raad dat bij de huisvestingslocatie sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder verwijzing naar de notitie "Bestemmingsplan Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat te Venlo Second opinion geluid in relatie tot bedrijvigheid Akarton" van 26 januari 2026 van Peutz (hierna: de contra-expertise) betoogt Akarton B.V. dat het akoestisch onderzoek gebrekkig is.

Zij voert daartoe aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet de representatieve bedrijfssituatie en eventuele toekomstplannen van Akarton B.V. zijn betrokken. Verder voert zij aan dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een verkeerde kavelwaarde/bronvermogen van 65 dB(A)/m2. Dit is een onderschatting van de maximale planologische mogelijkheden. Akarton B.V. geeft aan dat hierdoor het in het akoestisch onderzoek berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van

49 dB(A) bij de huisvestingslocatie mogelijk is onderschat.

Ook voert Akarton B.V. aan dat het akoestisch onderzoek ten onrechte geen bijlage met invoergegevens van het rekenmodel bevat, en dat is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten over de geluidsreflecties van het beoogde uitvaartcentrum en de gehanteerde bodem. Verder voert Akarton B.V. aan dat de analyse inzake de piekgeluiden niet juist lijkt. In de contra-expertise wordt vermeld dat een geluidbron van 123 dB(A) leidt tot een hoger maximaal geluidniveau dan de in het akoestisch onderzoek genoemde 60 dB(A) (een waarde van 60 dB(A) in de nachtperiode komt overeen met de in het akoestisch onderzoek genoemde 70 dB(A) etmaalwaarde). Ook voert Akarton B.V. aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen aandacht wordt besteed aan cumulatie van geluidsbronnen.

8.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het in de tussenuitspraak onder 14.6 geconstateerde gebrek hersteld. De Afdeling vindt in de zienswijze van Akarton B.V. en anderen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het akoestisch onderzoek niet aan zijn standpunt ten grondslag heeft mogen leggen dat de geluidbelasting die bij de huisvestingslocatie zal optreden als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar zijn, en dat de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. niet door de huisvestingslocatie zullen worden belemmerd. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

8.5. De Afdeling ziet in wat Akarton B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een bronvermogen van 65 dB(A)/m2 een onderschatting is van de maximaal planologische mogelijkheden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit de memo "Akoestisch onderzoek: reactie op second opinion Peutz" van WSP (hierna: de reactie op de contra-expertise) blijkt dat deze geluidsemissie leidt tot een langtijdgemiddelde geluidbelasting van 61 tot 63 dB(A) bij de reeds aanwezige, dichterbij Akarton B.V. gelegen woningen. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een geluidsemissie van 65 dB(A)/m2 een ruime overschatting is die feitelijk niet kan plaatsvinden, omdat de bestaande woningen in dat geval al beperkend zijn.

8.6. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten omdat het uitvaartcentrum niet in het rekenmodel is betrokken, terwijl dat tot geluidreflecties en daardoor tot een hogere geluidbelasting bij de huisvestingslocatie kan leiden. In de reactie op de contra-expertise wordt vermeld dat het niet betrekken van de bebouwing van het uitvaartcentrum een worst-case benadering is. Het uitvaartcentrum is gesitueerd tussen de geluidbron (Akarton B.V.) en de huisvestingslocatie, en zorgt daarmee voor geluidafscherming. Het in de contra-expertise genoemde negatieve effect van geluidreflecties op de geluidbelasting, modelmatig maximaal 3 dB extra, is van ondergeschikt belang vergeleken met het positieve effect van geluidafscherming, wat tot een geluidreductie van modelmatig maximaal

20 dB kan leiden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het niet betrekken van de gebouwen een worst-case benadering is.

De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de in het model gehanteerde bodemgebieden niet tot andere conclusies over het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de huisvestingslocatie leiden. In de reactie op de contra-expertise wordt toegelicht dat de in de contra-expertise genoemde bodemgebieden zijn verwijderd in een aanpassing van het model, en dat is uitgegaan van een half-hard bodemgebied. Het effect van deze rekenresultaten is blijkens de reactie op de contra-expertise marginaal.

De Afdeling ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het akoestisch onderzoek niet aan het herstelbesluit ten grondslag heeft mogen leggen omdat de analyse inzake de piekgeluiden niet juist lijkt. In de reactie op de contra-expertise wordt toegelicht dat bij het in het rekenmodel gehanteerde bronvermogen van 123 dB(A) een maximaal geluidniveau van meer dan 70 dB(A) LA,max optreedt bij een dichterbij Akarton B.V. gelegen woning van een derde. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat een bronvermogen van 123 dB(A) een overschatting is, gelet op de beperkende werking van de reeds aanwezige woningen.

De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet volledig is omdat daarin niet de representatieve bedrijfssituatie en de toekomstplannen van Akarton B.V. zijn betrokken. Toen Akarton B.V. werd verzocht om ten behoeve van voorliggend onderzoek informatie te verstrekken over de geluiduitstraling, heeft zij laten weten niet voor week 35 te kunnen antwoorden vanwege vakanties en andere prioriteiten. Ook daarna heeft Akarton B.V. deze informatie niet verschaft. Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 8.2 is in het akoestisch onderzoek de huidige bedrijfssituatie beoordeeld aan de hand van activiteiten behorende bij milieucategorie 3.2, en een eventuele uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van Akarton B.V. in milieucategorie 3.2 binnen de eigendomsgrenzen van Akarton B.V. met de enkelbestemming "Bedrijf - 3". De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het akoestisch onderzoek niet aan het herstelbesluit ten grondslag mocht leggen, omdat niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie. Voor zover Akarton B.V. betoogt dat de bijlage met invoergegevens van het rekenmodel ten onrechte niet bij het akoestisch onderzoek zijn gevoegd, overweegt de Afdeling dat de raad deze bij de reactie op de second opinion heeft gevoegd. Nu Akarton B.V. en anderen deze hebben kunnen inzien, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het akoestisch onderzoek niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit, omdat het niet reproduceerbaar en/of controleerbaar is.

De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat wordt voldaan aan de onder 8.2 genoemde geluidniveaus en dat inpassing van de huisvestingslocatie mogelijk is. Dit betekent dat niet aan een inhoudelijke beoordeling van cumulatie van geluid uit stap 3 wordt toegekomen.

Het betoog slaagt niet.

Ruimtelijke effecten uitvaartcentrum

9. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de raad de ruimtelijke impact van een uitvaartcentrum op deze locatie onvoldoende heeft onderzocht. De raad heeft ten onrechte geen verkeerskundig onderzoek uitgevoerd naar de bezoekersstromen en piekmomenten veroorzaakt door het uitvaartcentrum. De verkeersstromen van en naar het bedrijventerrein lopen nu al deels door de kern. Ook heeft de raad geen parkeeranalyse en geen beoordeling van geluid- en verblijfsbelasting tijdens ceremonies uitgevoerd.

9.1. Het betoog slaagt niet. De raad is in de plantoelichting onder hoofdstuk 5.8 en 4.4 ingegaan op de gevolgen van het plan op respectievelijk verkeer en parkeren. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aangevoerd waarom de raad niet heeft kunnen volstaan met deze toelichting. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen beoordeling van de geluid- en verblijfsbelasting tijdens ceremonies heeft uitgevoerd. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben ook niet aangevoerd waarom dit nodig zou zijn.

Landschappelijke inpassing

10. De Afdeling ziet af van een inhoudelijke behandeling van de beroepsgrond van [appellant sub 1] en anderen dat de planregels over de landschappelijke inpassing onvoldoende objectief en handhaafbaar zijn. Het relativiteitsvereiste neergelegd in artikel 8:69a van de Awb staat eraan in de weg dat dat deze beroepsgrond tot een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan leidt. Het landschapsintegratieplan strekt namelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen onder 23.2 van de tussenuitspraak, bestaat er geen verwevenheid tussen de belangen van [appellant sub 1] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het belang dat is gediend met het landschapsintegratieplan.

Overige beroepsgronden

11. Over de beroepsgrond die [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd over de huisvestingslocatie overweegt de Afdeling als volgt. Zij betogen dat een locatiegeschiktheidsanalyse ontbreekt, dat de behoefte niet is aangetoond, dat de cumulatieve hinder die door de huisvestingslocatie wordt veroorzaakt onvoldoende is beoordeeld, en dat de toevoeging van short-stay huisvesting ingrijpend en strijdig is met de bestaande woonomgeving en niet logisch inpasbaar is op deze locatie. [appellant sub 1] en anderen hebben deze beroepsgronden niet eerder aangevoerd, dat wil zeggen in hun initiële beroepschrift van 26 januari 2023. Het is niet mogelijk om na een tussenuitspraak nog nieuwe beroepsgronden aan te voeren die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen kan dit in het licht van een goede procesorde niet worden aanvaard. De Afdeling zal deze beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen dan ook niet bespreken.

Conclusie en proceskosten

12. De conclusie is dat de gebreken met het herstelbesluit zijn hersteld. De beroepen tegen het herstelbesluit zijn ongegrond.

13. De raad moet, gelet op wat de Afdeling in de overwegingen 10.2, 11.2 en 14.6 van de tussenuitspraak en in deze uitspraak onder 2.1 heeft overwogen, de proceskosten van Sormac B.V. en anderen en [appellant sub 1] en anderen vergoeden.

14. De raad moet de proceskosten van Sormac B.V. en anderen en [appellant sub 1] en anderen op na te melden wijze vergoeden.

Met betrekking tot het beroep van [appellant sub 1] en anderen merkt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 13 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7078, nog op dat voor het door [appellant sub 1] en anderen op eigen naam ingediende beroepschrift geen vergoeding kan worden toegekend, ook al zou dit beroepschrift met behulp van een beroepsmatige rechtsbijstandsverlener zijn opgesteld. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt niet de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de in de bijlage van het Besluit opgesomde proceshandelingen. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkenen zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen daarom niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en

Sormac B.V. en anderen tegen het besluit van 19 oktober 2022, waarbij de raad van de gemeente Venlo het bestemmingsplan "Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo" heeft vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het besluit 19 oktober 2022 van de gemeente Venlo tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo";

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en Sormac B.V. en anderen tegen het besluit van 19 november 2025, waarbij de raad van de gemeente Venlo het bestemmingsplan "Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo" opnieuw en gewijzigd heeft vastgesteld, ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Venlo tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 70,05 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 2.335,00 aan Sormac B.V. en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V. gelast dat de raad van de gemeente Venlo aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

c. € 365,00 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. € 365,00 aan Sormac B.V. en anderen, met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Arneri

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

1010

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. A.J.C. de Moor-van Vugt
  • mr. M. Soffers

Griffier

  • mr. K.M. Arneri

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand