ECLI:NL:RVS:2026:3042

ECLI:NL:RVS:2026:3042

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202106126/2/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij tussenuitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5254, (tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad van de gemeente Dantumadiel opgedragen om binnen 20 weken na verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 5 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd" te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak gebreken geconstateerd in het besluit van 5 juli 2021 voor zover dat besluit gaat over de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" op de locatie [locatie 1], over de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] en over artikel 6.1, onder b, van de planregels. Onder 9.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling daarover overwogen dat de richtafstanden in de VNG-brochure weliswaar niet zijn bedoeld voor de toetsing van bestaande situaties en niet voor bedrijfswoningen op bedrijventerreinen, maar dat voor de locaties [locatie 1] en [locatie 2]-[locatie 3] geen sprake is van een bestaande situatie.

Uitspraak

202106126/2/R3.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], gevestigd in Feanwalden, gemeente Dantumadiel, en anderen,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Feanwalden, gemeente Dantumadiel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Dantumadiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5254, (tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 5 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd" te herstellen.

Bij beschikking van 2 mei 2025 heeft de Afdeling de bij haar tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 7 oktober 2025.

Bij beschikking van 4 november 2025 heeft de Afdeling de bij haar tussenuitspraak bepaalde termijn opnieuw verlengd tot en met 23 december 2025.

Bij besluit van 9 december 2025 (herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen over de wijze waarop volgens de raad de gebreken zijn hersteld. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure. De Staat heeft over de redelijke termijn voor de behandeling van de procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Zoals in de tussenuitspraak onder 1 is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Het besluit van 5 juli 2021

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak gebreken geconstateerd in het besluit van 5 juli 2021 voor zover dat besluit gaat over de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" op de locatie [locatie 1], over de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] en over artikel 6.1, onder b, van de planregels.

Onder 9.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling daarover overwogen dat de richtafstanden in de VNG-brochure weliswaar niet zijn bedoeld voor de toetsing van bestaande situaties en niet voor bedrijfswoningen op bedrijventerreinen, maar dat voor de locaties [locatie 1] en [locatie 2]-[locatie 3] geen sprake is van een bestaande situatie. Gelet op de korte afstand vanaf [locatie 1] tot een aantal bedrijfswoningen van [appellant sub 1] en anderen en vanaf [locatie 2]-[locatie 3] tot (bedrijfs)woningen van [appellant sub 1] en anderen en de woning van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], heeft de raad ten onrechte niet gemotiveerd waarom het opnieuw mogelijk maken van bedrijven in categorie 4.1 op deze locaties ruimtelijk aanvaardbaar is, waarbij het evenwel alleen gaat om de aspecten geur en stof, en niet om de aspecten gevaar en geluid. Daarnaast heeft de Afdeling onder 9.4 van de tussenuitspraak vastgesteld dat op grond van artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels op alle gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn toegestaan, zonder beperking in milieucategorie. Daarmee wordt de systematiek van het plan, waarmee richting de oost- en westzijde van het industrieterrein een steeds lagere milieucategorie is toegestaan, doorkruist. Dit heeft de raad niet onderkend. Voor zover dit wel in overeenstemming is met de bedoeling van de raad, heeft de raad niet onderbouwd waarom de mogelijkheid van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zonder beperking in milieucategorie, binnen het hele plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" ruimtelijk aanvaardbaar is.

2.1. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 5 juli 2021 zijn gegrond. Dit besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd, voor zover het betreft:

- de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" en het bijbehorende artikel 6.1, onder a, van de planregels, voor zover het betreft de locatie [locatie 1];

- de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] en het bijbehorende artikel 6.1, onder c, onder 1, van de planregels, en

- artikel 6.1, onder b, van de planregels.

3. In de tussenuitspraak onder 34.1 heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van wat is overwogen onder 9.3 en 9.4 van die tussenuitspraak:

- alsnog te motiveren dat de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" op de locatie [locatie 1] en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] gelet op de korte afstand tot (bedrijfs)woningen, vanwege de aspecten geur en stof ruimtelijk aanvaardbaar zijn, dan wel een nieuw of gewijzigd besluit te nemen, en

- alsnog te motiveren dat de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" zoals mogelijk gemaakt in artikel 6.1, onder b, van de planregels, gelet op de aanwezigheid van (bedrijfs)woningen op korte afstand, vanwege de aspecten geur en stof ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel een nieuw of gewijzigd besluit te nemen.

Het herstelbesluit

4. Met het herstelbesluit is het plan opnieuw en ten opzichte van het eerdere plan met, voor zover hier relevant, de volgende wijzigingen vastgesteld.

In de eerste plaats is op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" verwijderd en ook het bijbehorende artikel 6.1, onder c, onder 1, van de planregels.

Daarnaast zijn in de "Staat van bedrijven" die is opgenomen in bijlage 1 bij de planregels en waarnaar wordt verwezen in artikel 6.1 van de planregels, uitsluitend bedrijven opgenomen die voor de aspecten geur en stof bij functiescheiding een maximale richtafstand van 100 m hebben.

Tot slot is artikel 6.1, onder b, van de planregels met daarin een algemene mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen, verwijderd en artikel 6.1 van de planregels gewijzigd door de toevoeging "al dan niet geluidzoneringsplichtige inrichtingen" in de aanhef onder a van die bepaling.

4.1. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn van rechtswege ook gericht tegen het herstelbesluit. Dat volgt uit artikel 6:19 van de Awb. Daarbij merkt de Afdeling de gronden in de zienswijzen aan als de beroepsgronden.

4.2. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn het niet eens met het herstelbesluit. Volgens hen is niet voldaan aan de door de Afdeling gegeven opdrachten in de tussenuitspraak.

Ingetrokken beroep

5. De gemachtigde van [appellant sub 1] en anderen heeft medegedeeld dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 1A], is ingetrokken.

Beoordeling van de beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit

Onzorgvuldige totstandkoming herstelbesluit

6. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de inbreng die zij voorafgaand aan het herstelbesluit hebben geleverd ten onrechte niet inhoudelijk is weerlegd, niet is verwerkt en niet aan de raad is voorgelegd. Zij verwijzen in dat verband naar hun schriftelijke reacties van 27 mei en 23 september 2025.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat er bij de voorbereiding van het herstelbesluit geen contact met hen is geweest en voorbij is gegaan aan hun bezwaren en positie. In dat verband is volgens hen van belang dat hun woning al eind 19de eeuw is gebouwd, en daarmee voor de komst van het bedrijventerrein. Daarnaast wijzen zij erop dat de raad hen ook niet in kennis heeft gesteld van het nieuwe besluit.

6.1. Onder 34.2 van de tussenuitspraak is bepaald dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw hoeft te worden toegepast. De raad hoefde dus niet opnieuw een ontwerpplan ter inzage te leggen waarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval desondanks uit het oogpunt van zorgvuldigheid contact had moeten opnemen met [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de inbreng van [appellant sub 1] en anderen had moeten betrekken bij de totstandkoming van het herstelbesluit. Verder leidt ook de stelling van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat zij niet door de raad in kennis zijn gesteld van het herstelbesluit, niet tot het oordeel dat het herstelbesluit onrechtmatig is. Dit gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het besluit en kan al daarom de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten.

De betogen slagen niet.

7. Of de raad aan de opdrachten in de tussenuitspraak heeft voldaan, beoordeelt de Afdeling hierna aan de hand van de concrete beroepsgronden daarover.

Niet voldaan aan de opdrachten in de tussenuitspraak

- Geur en stof

8. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat de raad de opdracht te beperkt heeft opgevat door zich te beperken tot de aspecten geur en stof. Volgens hen heeft de raad daarmee ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden, zoals de cumulatie van geur- stof- en geluidseffecten. Verder ontbreekt volgens hen een concrete, locatiegerichte beoordeling bij de woningen. Het beperken van de Staat van bedrijven tot categorie 3.2 voor geur en stof vormt volgens hen geen inhoudelijke planologische beoordeling en ook in de rapporten die de raad aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, heeft zo’n beoordeling volgens hen niet plaatsgevonden.

8.1. De Afdeling volgt [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] allereerst niet in hun betoog dat de raad de opdracht te beperkt heeft opgevat. Zoals ook hiervoor onder 3 is overwogen, is de raad in de tussenuitspraak opgedragen om alsnog te motiveren dat de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" voor de locatie [locatie 1] en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] ruimtelijk aanvaardbaar zijn, dan wel een nieuw of gewijzigd besluit te nemen. Daarbij is expliciet overwogen dat het gaat om de aspecten geur en stof. Dit volgt ook uit overweging 9.3 van de tussenuitspraak. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad andere aspecten bij de beoordeling had moeten betrekken.

8.2. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd verder geen grond voor het oordeel dat de raad met het plan voor de percelen [locatie 2]-[locatie 3] en [locatie 1] niet aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft voldaan.

Daarover overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" niet meer is opgenomen, zodat op deze gronden geen mengvoederfabriek meer is toegestaan. Daarmee is het voor dit perceel in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.

Over de locatie [locatie 1] overweegt de Afdeling verder als volgt. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad, gelet op de korte afstand vanaf [locatie 1] tot een aantal bedrijfswoningen van [appellant sub 1] en anderen, ten onrechte niet had gemotiveerd waarom het opnieuw mogelijk maken van bedrijven in categorie 4.1 op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is, waarbij het alleen gaat om de aspecten geur en stof. Zoals hiervoor is overwogen onder 4, heeft de raad met het herstelbesluit de Staat van bedrijven zo aangepast dat hierin alleen nog bedrijven zijn opgenomen die voor geur en stof bij functiescheiding een maximale richtafstand van 100 m hebben. Dat betekent dat onder andere op het perceel [locatie 1] uitsluitend nog bedrijvigheid mogelijk is die voor geur en stof onder milieucategorie 3.2 valt, waarvoor volgens de VNG-brochure in gemengd gebied een richtafstand van 50 m tot woningen geldt. De Afdeling volgt de raad in het standpunt dat deze milieucategorie voor geur en stof op het perceel [locatie 1] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat bij de bedrijfswoningen van [appellant sub 1] en anderen. Daarvoor acht de Afdeling primair van belang dat voor bedrijfswoningen op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar kan worden geacht dan voor een burgerwoning. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat de kortste afstand van het perceel [locatie 1] tot aan de bedrijfswoningen van [appellant sub 1] en anderen ongeveer 40 m is. Daarmee wordt weliswaar in enige mate afgeweken van de genoemde richtafstand van 50 m uit de VNG-brochure, maar zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1815, onder 19.1, zijn de richtafstanden uit de VNG-brochure niet bedoeld voor bedrijfswoningen op een bedrijventerrein. Daarbij komt dat deze bedrijfswoningen van [appellant sub 1] en anderen omringd zijn door andere bedrijfsactiviteiten en op kortere afstand van die bedrijfswoningen al gronden bestemd zijn voor bedrijvigheid die voor geur en stof ook onder milieucategorie 3.2 valt. Gelet op deze omstandigheden in combinatie met het feit dat het bestemmingsplan op het perceel [locatie 1] voor geur en stof al minder mogelijk maakt dan op grond van het voorheen geldende plan was toegestaan, volgt de Afdeling de raad in zijn oordeel dat de planologische mogelijkheden op het perceel [locatie 1] ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarbij merkt de Afdeling bovendien nog op dat [appellant sub 1] en anderen geen concrete omstandigheden naar voren hebben gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad in dit geval, ondanks de hiervoor genoemde omstandigheden, nader onderzoek had moeten doen naar de gevolgen van geur en stof van de bedrijvigheid die is toegelaten op het perceel [locatie 1] voor de bedrijfswoningen.

8.3. De betogen slagen niet.

- Geluidzoneringsplichtige inrichtingen

9. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn het niet eens met artikel 6.1 van de planregels. Volgens hen laat deze bepaling de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen namelijk materieel intact. Gelet daarop heeft de raad volgens hen ten onrechte niet onderbouwd waarom de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen ruimtelijk aanvaardbaar is, vanuit het oogpunt van zowel een goed woon- en leefklimaat als de rechtszekerheid en continuïteit van bestaande bedrijven op het bedrijventerrein. Daarbij wijzen [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] erop dat uit overweging 9.4 van de tussenuitspraak volgt dat moet worden geborgd dat de bedrijven richting de randen van het industrieterrein steeds minder milieubelastend zijn, ook voor het aspect geluid.

9.1. Artikel 6.1 van de planregels luidt:

"De voor ‘Bedrijventerrein - Gezoneerd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van al dan niet geluidzoneringsplichtige inrichtingen:

1. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijven;

2. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijven;

3. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijven;

4. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 tot en met 3.2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijven;

5. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 tot en met 4.1 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijven;

[…]"

9.2. De Afdeling stelt vast dat met artikel 6.1 van de planregels de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen is gebonden aan de bedrijfscategorieën die op grond van artikel 6.1, onder a, onder 1 tot en met 5, van de planregels in combinatie met de aanduidingen op de verbeelding maximaal zijn toegestaan. Dat betekent dat de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen, anders dan in het besluit van 5 juli 2021, niet langer onbegrensd is en de systematiek van het plan, waarbij richting de randen een steeds lagere milieucategorie is toegestaan, gehandhaafd is. Daarmee is het in de tussenuitspraak op dit punt geconstateerde gebrek hersteld. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] menen dat de raad in dit kader de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen in zijn algemeenheid had moeten beoordelen, overweegt de Afdeling als volgt. In de tussenuitspraak onder 9.2 heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad er in algemene zin voor heeft kunnen kiezen om het gezoneerde industrieterrein op deze locatie te handhaven. Onder 9.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling in dat verband over de bedrijfswoningen overwogen dat de bedrijfsactiviteiten door de geluidzone voor de toegestane geluidbelasting zijn begrensd en de wet bovendien niet voorziet in geluidgrenswaarden voor bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein. Over de geluidbelasting bij de woning van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 10.1 geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan een groter gewicht had moeten toekennen aan het belang van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] om gevrijwaard te blijven van geluidoverlast dan hij heeft gedaan. Tot slot heeft de Afdeling over de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven op het industrieterrein in dit verband onder 12.2 overwogen dat de raad hiermee redelijkerwijs geen rekening heeft hoeven houden. Wat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] aanvoeren, komt erop neer dat zij het daarmee niet eens zijn. Behoudens zeer bijzondere gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Zo’n geval doet zich hier niet voor. De Afdeling ziet dus geen aanleiding om terug te komen op wat onder 9.2, 9.3, 10.1 en 12.2 van de tussenuitspraak is geoordeeld.

De betogen slagen niet.

Ten onrechte geen rekening gehouden met geldend recht en beleid

10. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat bij het herstelbesluit rekening had moeten worden gehouden met het inmiddels geldende recht en beleid. Door slechts aan te sluiten bij eerdere planuitgangspunten, te verwijzen naar verouderde toetsingsdocumenten voor milieuzonering en het buiten beschouwing laten van de relevante actuele toetsingskaders, waaronder nieuwe beleidslijnen voor milieuzonering en externe veiligheid onder de Omgevingswet, is het besluit volgens hen onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

10.1. De Afdeling stelt voorop dat op dit herstelbesluit het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 van toepassing is. De Afdeling verwijst daarvoor naar wat is overwogen onder 1. Verder ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad buiten de opdracht van de Afdeling had moeten concluderen dat het plan niet langer ruimtelijk aanvaardbaar is. De enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen en de Visser en [appellant sub 2B] dat sprake is van verouderde toetsingsdocumenten, is daarvoor onvoldoende.

De betogen slagen niet.

Conclusie beroepen en proceskosten

11. Zoals is overwogen onder 2.1 van deze uitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 5 juli 2021 gegrond. Dat besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd voor zover het betreft:

- de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" en het bijbehorende artikel 6.1, onder a, van de planregels, voor zover het betreft de locatie [locatie 1];

- de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] en het bijbehorende artikel 6.1, onder c, onder 1, van de planregels, en

- artikel 6.1, onder b, van de planregels.

12. De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 9 december 2025 zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestemmingsplan in stand blijft.

13. De raad moet de proceskosten vergoeden. Daarbij overweegt de Afdeling over het verzoek van de gemachtigde van [appellant sub 1] en anderen voor vergoeding van de reiskosten, dat deze kosten niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen. In het toegekende bedrag van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn reis- en verletkosten die door de rechtsbijstandverlener zijn gemaakt namelijk al verdisconteerd.

Overschrijding redelijke termijn

14. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

14.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

14.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 1] en anderen ontvangen op 22 september 2021 en het beroepschrift van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] op 30 september 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ongeveer 32 maanden overschreden.

Hoogte van de vergoeding

15. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het bedrag van de schadevergoeding zou daarmee € 3.000 per persoon bedragen.

Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 1] samen met 35 anderen procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal appellanten dat gezamenlijk procedeert. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 3000,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling in dit geval redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen.

Ook voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] geldt dat zij samen procederen en daarmee de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen in de zin dat zij per persoon € 1.500,00 krijgen toegekend.

Toerekening

16. In de tussenuitspraak van 18 december 2024 zijn door de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in het bestemmingsplan. Daarop heeft de Afdeling een bestuurlijke lus toegepast om de raad de gelegenheid te geven de gebreken te herstellen. Hierdoor is de redelijke termijn met nog meer maanden overschreden dan al het geval was. De overschrijding van de redelijke termijn voor zover die het gevolg is van het toepassen van een bestuurlijke lus om gebreken te herstellen, moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Voor zover de overschrijding komt doordat de Afdeling de redelijke behandelingsduur voor de beroepen heeft overschreden, dat wil zeggen omdat niet binnen twee jaar de tussenuitspraak is gedaan en niet binnen één jaar na ontvangst van de herstelbesluiten einduitspraak is gedaan, moet deze aan de Afdeling worden toegerekend (vergelijk de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1289, onder 14.4).

17. De tussenuitspraak was voor [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bijna 15 maanden te laat. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. Omdat de einduitspraak is gedaan binnen een jaar nadat de Afdeling bericht heeft gekregen dat het herstelbesluit was genomen, moet de overschrijding voor de overige 17 maanden aan de raad worden toegekend.

18. Omdat de overschrijding deels aan de raad en deels aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de raad en de Staat. De raad wordt veroordeeld tot betaling van 17/32e deel, dus € 1.593,75 aan [appellant sub 1] en anderen en € 1.593,75 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van 15/32e deel, dus € 1.406,25 aan [appellant sub 1] en anderen en € 1.406,25 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B].

Conclusie verzoeken en proceskosten

19. De verzoeken van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen.

20. De raad en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft de proceskosten die [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben gemaakt in verband met de behandeling van hun verzoeken om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 5 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 5 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd", voor zover het betreft:

- de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" en het bijbehorende artikel 6.1, onder a, van de planregels, voor zover het betreft de locatie [locatie 1];

- de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de locatie [locatie 2]-[locatie 3] en het bijbehorende artikel 6.1, onder c, onder 1, van de planregels, en

- artikel 6.1, onder b, van de planregels;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 9 december 2025, kenmerk 2025-290890 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 2.335,00 aan [appellant sub 1] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,

b. € 2.335,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan;

V. gelast dat de raad van de gemeente Dantumadiel aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a € 350,00 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,

b € 181,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel om een schadevergoeding te betalen van:

a. € 1.593,75 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan, en

b. € 1.593,75 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan;

VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om een schadevergoeding te betalen van:

a. € 1.406,25 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan,

b. € 1.406,25 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van hun verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 233,50 aan [appellant sub 1] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,

b. € 233,50 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan;

X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van hun verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 233,50 aan [appellant sub 1] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan,

b. € 233,50 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. H.J.M. Besselink, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Buskermolen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

896

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. ten Veen
  • mr. C.H. Bangma
  • mr. H.J.M. Besselink

Griffier

  • mr. J. Buskermolen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand