202505766/1/R4.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 17 juli 2025 spoedeisend bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 van de Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde uitvoeringsregeling van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 18 november 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 17 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
Overtreding
2. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar wel dat zij die doos verkeerd heeft aangeboden. Zij stelt dat zij de doos in de ORAC heeft gedaan. Zij voert aan dat de doos door een ander uit de ORAC kan zijn gehaald, aangezien dit naar [appellante] stelt vaker op de locatie van de ORAC gebeurt. Verder stelt [appellante] dat zij nog nooit eerder te maken heeft gehad met een dergelijke overtreding, heel milieubewust is en haar afval altijd scheidt en dat wanneer zij straffeloos, verkeerd had willen aanbieden het etiket met haar adresgegevens wel van de doos zou hebben verwijderd, zoals anderen doen.
2.1. Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij de overtreder is. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Vast staat dat op 17 juli 2025 naast een ORAC ter hoogte van [locatie] een doos is aangetroffen, die daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden. Gelet op het op de doos aangetroffen adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij wat [appellante] aanvoert in twijfel trekt dat zij degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. De stelling dat zij de doos juist in een ORAC heeft gedaan is daarvoor niet voldoende, ook het opperen van de mogelijkheid dat iemand anders de doos eruit heeft gehaald is daarvoor niet voldoende. Op grond van artikel 6, tweede lid, onder b, c en p, van de Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag moeten inzamelvoorzieningen na gebruik goed gesloten worden, mogen er geen voorwerpen uit de inzamelvoorziening steken en mogen er bij het aanbieden van afvalstoffen geen afvalstoffen buiten de inzamelcontainer achterblijven. Het college heeft in verweer toegelicht dat het op juiste wijze aanbieden van de huishoudelijke afvalstoffen inhoudt dat deze volledig in de inzamelvoorziening moet worden gedeponeerd. Daarbij heeft het college onweersproken gesteld dat het op deze wijze ook niet mogelijk is dat anderen de afvalstoffen er weer uithalen en of dat deze vervolgens in de openbare ruimte terecht kunnen komen. Met de door [appellante] gestelde omstandigheden dat zij niet eerder te maken heeft gehad met een overtreding als deze, dat zij heel milieubewust is en haar afval altijd scheidt, heeft zij ook onvoldoende twijfel gezaaid dat zij niet de overtreder is. De omstandigheid dat zij haar huisvuil scheidt en altijd correct aanbiedt betekent niet dat zij niet degene kan zijn geweest die in dit geval de aangetroffen doos verkeerd heeft aangeboden. [appellante] heeft onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij de doos verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft haar dan ook terecht als overtreder aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
341-836