ECLI:NL:RVS:2026:3044

ECLI:NL:RVS:2026:3044

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202505841/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 22 oktober 2025 heeft het college zijn beslissing om op 13 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en artikel 6 Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00 voor rekening van [appellante] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 oktober 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer (ORAC) ter hoogte van [plaats] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is en door haar is aangeboden, maar stelt dat het niet mogelijk was om haar afval op de gebruikelijke juiste wijze te deponeren in de ORAC omdat deze vol zat.

Uitspraak

202505841/1/R4.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend in Rotterdam,

appellante,

en

het college van burgermeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2025 heeft het college zijn beslissing om op 13 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en artikel 6 Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00 voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante], bij het college ingekomen, beroep ingesteld. Het college heeft het beroepschrift ter verdere behandeling doorgestuurd naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 oktober 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer (ORAC) ter hoogte van [plaats] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

Overtreding

2. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is en door haar is aangeboden, maar stelt dat het niet mogelijk was om haar afval op de gebruikelijke juiste wijze te deponeren in de ORAC omdat deze vol zat. Volgens [appellante] is de instructiesticker van de ORAC voor de gebruikers van de ORAC ter hoogte van [plaats], aan de straatzijde aangebracht en niet aan de gebruikerszijde van de ORAC, waardoor de instructie niet zichtbaar is en niet duidelijk is wat de geldende regels zijn bij een ORAC die vol is. [appellante] vindt het niet terecht dat de kosten voor de toepassing van bestuursdwang voor haar rekening komen. Ten slotte wijst zij erop dat ze student is en het bedrag een te hoge druk legt op haar beperkte budget.

2.1. Op grond van artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018 is het verboden om afval te plaatsen naast een inzamelvoorziening. [appellante] heeft de kartonnen doos verkeerd aangeboden door deze naast de ORAC te zetten. Het college heeft haar daarom terecht als overtreder aangemerkt.

Kostenverhaal

2.2. In artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.3. De omstandigheid dat de ORAC vol was, ontsloeg [appellante] niet van haar verplichting om de kartonnen doos op juiste wijze ter inzameling aan te bieden. Als een inzamelvoorziening vol is, is het de verantwoordelijkheid van [appellante] om haar afval op juiste wijze op een ander moment of bij een andere inzamelvoorziening aan te bieden. Zoals het college in het verweerschrift heeft gesteld was er een ORAC beschikbaar voor [appellante] op een loopafstand van één minuut van haar woonadres. Dat zij niet op de hoogte was van de regels omtrent het aanbieden van huisvuil dan wel wat te doen bij een ORAC die vol is, komt verder voor haar risico nu die regels op verschillende manieren kenbaar waren en zij wordt geacht die te kennen. Zo staat, zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht, op de website van de gemeente Rotterdam vermeld dat als de ORAC’s vol zijn het nog steeds niet is toegestaan om het afval naast een ORAC of op straat te zetten. De door [appellante] gestelde omstandigheid dat het bedrag een te hoge druk legt op haar beperkte budget, is hier ook geen omstandigheid waardoor de kosten van het toepassen van bestuursdwang niet voor haar rekening zouden moeten komen. In het besluit van 24 oktober 2025 is vermeld dat [appellante], als zij het bedrag niet in een keer kan betalen, het college kan verzoeken om een betalingsregeling te treffen. De door [appellante] aangevoerde omstandigheden maken dan ook niet dat de door het college gemaakte kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor haar rekening behoren te komen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

3. Het beroep is ongegrond.

4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

341-836

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Klingers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand