202406083/1/V3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 september 2024 in zaak nr. NL23.30856 in het geding tussen:
[betrokkene A], mede voor haar minderjarige kinderen en [betrokkene B]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van [referent] om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent en betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Referent en betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat in Alkmaar, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister, referent en betrokkenen hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Referent en betrokkenen hebben op de nadere schriftelijke inlichtingen van de minister gereageerd en nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 oktober 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat en mr. M.J. Vetzo, advocaten in Den Haag, en referent, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. C. Chen, zijn verschenen. Als tolk trad op L. Makaddam. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202402567/1/V3 en 202500017/1/V3.
Overwegingen
Inleiding
1. Referent is geboren op [geboortedatum] 2002. In 2018 heeft hij Syrië verlaten. De minister heeft hem bij besluit van 17 juni 2021 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 7 september 2021 heeft referent mvv-aanvragen ingediend, zodat zijn moeder, minderjarige broers en zus en meerderjarige broer als familie- of gezinslid bij hem in Nederland kunnen verblijven. Referent was 19 jaar oud toen hij de aanvragen indiende.
1.1. De minister heeft bij de beoordeling of familie- en gezinsleven bestaat, het beoordelingskader voor jongvolwassenen tot uitgangspunt genomen (het jongvolwassenenbeleid). De minister heeft aangenomen dat tussen referent en zijn moeder en minderjarige broers en zus familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Volgens de minister bestaat tussen referent en zijn meerderjarige broer geen familie- en gezinsleven, maar bestaat wel familie- en gezinsleven tussen de meerderjarige broer en de moeder van referent. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging verricht en deze in het nadeel van referent en betrokkenen laten uitvallen.
1.2. Door het jongvolwassenenbeleid toe te passen, geeft de minister invulling aan de beoordeling of familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat tussen meerderjarige kinderen en hun ouders. Nadat hij met toepassing van het jongvolwassenenbeleid heeft vastgesteld dat sprake is van gezinsleven, verricht de minister een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. In die belangenafweging moet hij alle relevante feiten en omstandigheden van het geval betrekken. Deze uitspraak gaat specifiek over de vraag hoe de minister het economisch belang van de Nederlandse staat (economisch belang) als relevante omstandigheid meeweegt in die belangenafweging.
1.3. De Afdeling geeft eerst de grief van de minister en het oordeel van de rechtbank weer (onder 2-3). Daarna licht zij toe dat zij het standpunt van de minister dat er geen jongvolwassenenbeleid bestaat, niet volgt (onder 3.1). Vervolgens gaat de Afdeling in op de uitspraak van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912. Uit die uitspraak volgt niet dat er voor een jongvolwassene per definitie een recht op gezinshereniging bestaat als er sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM (onder 3.2-3.5). Vervolgens geeft de Afdeling duiding aan het gewicht dat toekomt aan het economisch belang in de belangenafweging en overweegt zij in dat verband dat zij het standpunt van de minister dat het economisch belang in elke zaak altijd even zwaar weegt, niet volgt (onder 3.6-3.10). Daarna wijst de Afdeling het verzoek van de minister om het EHRM met toepassing van Protocol nr. 16 bij het EVRM om advies te vragen, af (onder 3.11-3.12). De Afdeling gaat vervolgens in op het relevante toetsmoment en oordeelt dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan het besluit op bezwaar heeft kunnen nemen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit (onder 3.13-3.14). Ook geeft de Afdeling de belangenafweging in deze zaak weer en beoordeelt zij hoe de minister het economisch belang als relevante omstandigheid heeft meegewogen in die belangenafweging (onder 3.15-3.25). Ten slotte komt zij tot de conclusie dat het hoger beroep van de minister gegrond is (onder 4).
De uitspraak van de rechtbank en de grief van de minister
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van betrokkenen is uitgevallen. Volgens de rechtbank heeft de minister niet bij alle relevante feiten en omstandigheden benoemd welk gewicht hij daaraan heeft gehecht in de belangenafweging. De minister heeft volgens de rechtbank ook niet uitgelegd hoe de omstandigheid dat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is, zich verhoudt tot de conclusie dat het economisch belang zwaar in het nadeel van betrokkenen weegt. Door het economisch belang zwaar in het nadeel van betrokkenen te laten wegen, lijkt het zijn van jongvolwassene inhoudsloos te zijn geworden in de weging van de belangen, aldus de rechtbank. De minister heeft volgens de rechtbank ook niet gemotiveerd hoe hij de onoverkomelijke belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen heeft meegewogen in de belangenafweging. De rechtbank heeft verder overwogen dat het in dit geval niet redelijk is om het tijdsverloop sinds het vertrek uit het land van herkomst, welk tijdsverloop een gevolg is van verwijtbaar handelen van de minister, op betrokkenen af te wentelen door het gehele tijdsverloop en de stappen naar zelfstandigheid die referent in die tijd heeft gezet, in volle omvang in het nadeel van betrokkenen te laten meewegen.
3. De enige grief van de minister is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.
Het jongvolwassenenbeleid
3.1. Het EHRM heeft recent geoordeeld dat er uit artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting voortvloeit om specifieke regels voor jongvolwassenen over familie- en gezinsleven tussen jongvolwassenen en hun ouders vast te stellen (Mude en Mohamed Hussein tegen Nederland, 10 maart 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0310DEC004787820). De minister heeft op de zitting bij de Afdeling het standpunt ingenomen dat er eigenlijk niet zoiets is als jongvolwassenenbeleid en dat deze term een eigen leven is gaan leiden. De Afdeling volgt dit standpunt alleen al niet gelet op de tekst van het beleid van de minister in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. Daaruit volgt namelijk dat de minister een op jongvolwassenen toegesneden beleid heeft geformuleerd, door criteria vast te stellen op basis waarvan hij familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake hoeft te zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dat er een op jongvolwassenen toegespitst beleid bestaat, volgt verder uit de Werkinstructie 2020/16 (WI 2020/16), waarin richtlijnen staan voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM en voornoemd beleid. Uit de besluiten die de minister in de zittingszaken heeft genomen, blijkt ook dat hij een beoordeling aan de hand van een op jongvolwassenen toegesneden beleid heeft gemaakt. De Afdeling volgt het standpunt van de minister daarom niet. Voor zover de minister heeft bedoeld dat hij geen beleid heeft aan de hand waarvan hij voor jongvolwassenen de belangenafweging op de voet van artikel 8 van het EVRM verricht wanneer hij gezinsleven heeft aangenomen, is dat op zichzelf juist. Dat neemt niet weg dat, ook volgens de minister, het zijn van jongvolwassene een omstandigheid is die bij die belangenafweging moet worden betrokken.
De uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912
3.2. De Afdeling is in de uitspraak van 4 december 2024 ingegaan op de waardering van het economisch belang in de belangenafweging in het licht van de individuele omstandigheden van een jongvolwassen referent in zaken over artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich in zijn nadere schriftelijke inlichtingen en ook op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat de Afdeling in die uitspraak ten onrechte arresten van het EHRM die gaan over kerngezinsleden, van toepassing heeft geacht op jongvolwassenen.
3.3. De Afdeling brengt in herinnering dat zij in haar uitspraak van 4 december 2024, onder 7, expliciet heeft overwogen en dus heeft onderkend dat de relevante rechtspraak van het EHRM niet gaat over de situatie waarin familie- en gezinsleven bestaat tussen een jongvolwassene met internationale bescherming in een verdragsstaat en zijn ouder of ouders in een derde land. De in die uitspraak aangehaalde rechtspraak van het EHRM gaat ook niet in op de context van het Nederlandse nationale recht, met een jongvolwassenenbeleid. Uit die rechtspraak heeft de Afdeling onder 7.1 van de uitspraak van 4 december 2024 wel algemene uitgangspunten afgeleid die toepasbaar zijn op het beantwoorden van de vraag of de minister de financiële situatie van betrokkenen deugdelijk gemotiveerd heeft betrokken in de afweging tussen het belang van betrokkenen bij gezinshereniging aan de ene kant en het algemeen belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid aan de andere kant.
3.4. De minister heeft met zijn betoog geen aanknopingspunten aangereikt op basis waarvan het oordeel in de uitspraak van 4 december 2024 niet meer gevolgd kan worden. Het EHRM heeft de uitgangspunten voor het verrichten van de belangenafweging in zijn rechtspraak namelijk niet beperkt tot kerngezinsleden, maar algemeen geformuleerd. De belangenafweging komt pas aan de orde nadat is vastgesteld dat familie- en gezinsleven bestaat. De Afdeling ziet niet in waarom de formuleringen "met voldoende flexibiliteit toepassen" in het arrest van 4 juli 2023, B.F. en anderen tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2023:0704JUD001325818, paragrafen 90, 105 en 107, en "niet het onmogelijke verwachten" in het arrest B.F., paragrafen 105 en 129, en het arrest van 18 januari 2024, Dabo tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2024:0118JUD001251018, paragraaf 107, wel voor het familie- en gezinsleven van leden van het kerngezin zouden gelden, maar niet voor het familie- en gezinsleven van jongvolwassenen. Daarom ziet zij geen aanleiding om terug te komen van haar uitspraak van 4 december 2024.
3.5. Voor zover de minister betoogt dat uit de uitspraak van 4 december 2024 in feite volgt dat er voor een jongvolwassene een recht op gezinshereniging bestaat als er familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat, berust dit op een onjuiste lezing van die uitspraak. In die uitspraak staat onder 8 dat, als de minister de individuele situatie van een jongvolwassen referent in aanmerking neemt bij het maken van de belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, hij voorkomt dat hij met een belangenafweging de vaststelling van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, op grond van het jongvolwassenenbeleid illusoir maakt. Dit betekent niet dat er door de vaststelling van familie- en gezinsleven met een jongvolwassene automatisch een positieve verplichting ontstaat voor de Nederlandse overheid om toegang tot Nederland te verlenen of dat de omstandigheid dat het om een jongvolwassene gaat, doorslaggevend is in de belangenafweging. In die belangenafweging moet de minister alle concrete omstandigheden van het individuele geval betrekken en afwegen. Daarin mag de omstandigheid dat het om familie- en gezinsleven met een jongvolwassene gaat niet zonder betekenis zijn.
Het gewicht van het economisch belang in de belangenafweging
3.6. De minister heeft op de zitting bij de Afdeling betoogd dat het economisch belang van Nederland in de belangenafweging een absoluut karakter heeft. Dit betekent volgens de minister dat aan het economisch belang in alle gevallen hetzelfde gewicht toekomt en dat het in beginsel van doorslaggevend gewicht is, ongeacht de vraag of het al dan niet om een jongvolwassene gaat. Hoewel alle feiten en omstandigheden in de belangenafweging moeten worden betrokken, en de belangenafweging dus in de praktijk toch in het voordeel van een vreemdeling moet kunnen uitvallen, weegt het economisch belang van Nederland volgens de minister in alle gevallen zwaar, en is het aan een vreemdeling om daar in een concreet geval iets tegenover te stellen. De individuele situatie van een vreemdeling kan volgens de minister niet snel van invloed zijn op de uitkomst van de belangenafweging. Alleen in zwaarwegende sociaal-medische situaties zou het denkbaar zijn dat aan het economisch belang niet het doorslaggevende gewicht toekomt. De Afdeling volgt dat standpunt niet en licht hierna toe waarom.
3.7. Zoals de Afdeling onder 3.3 en 3.4 heeft overwogen, geldt de rechtspraak van het EHRM met de daarin geformuleerde uitgangspunten ook voor zaken over jongvolwassenen. Nadat de minister constateert dat een vreemdeling onder het jongvolwassenenbeleid valt, zodat moet worden uitgegaan van het bestaan van familie- en gezinsleven, maakt hij een belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In die belangenafweging heeft de minister een bepaalde beoordelingsruimte. De Afdeling wijst op het arrest van het EHRM van 9 juli 2021, M.A. tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718, paragraaf 143. De minister mag die ruimte echter niet categorisch zo beperken dat aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval steeds evenveel gewicht toekomt in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is, zodat er - uitzonderingen in sociaal-medisch dringende situaties daargelaten - geen andere belangen tegenover kunnen worden gesteld als gevolg waarvan de belangenafweging wel in het voordeel van een vreemdeling uitvalt. Dat de minister een geïndividualiseerde belangenafweging moet maken volgt ook uit de rechtspraak van het EHRM, zoals de arresten M.A. tegen Denemarken, paragraaf 132, en Dabo tegen Zweden, paragraaf 104. Het door de minister ingenomen standpunt op de zitting bij de Afdeling is bovendien niet in overeenstemming met zijn eigen werkinstructie. In de WI 2020/16, paragraaf 6.3, over het economisch belang, staat dat
"[…] de vreemdeling in zijn voordeel omstandigheden kan aanvoeren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de inspanningen die zijn gepleegd om aan het normbedrag te voldoen, omstandigheden die verklaren waarom niet aan het normbedrag kan worden voldaan (verwijtbaarheid), aan de omstandigheid dat aan het normbedrag weliswaar niet wordt voldaan, maar dat de vreemdeling wel degelijk over middelen beschikt of dat andere gezinsleden over het normbedrag beschikken waarmee wordt bijgedragen aan de kosten van het levensonderhoud van het gezin."
Uit die werkinstructie blijkt dat de minister in zijn beslispraktijk rekening moet houden met de omstandigheden van het geval in de belangenafweging en dat een vreemdeling omstandigheden in zijn voordeel kan aanvoeren, ook bij de weging van het economisch belang als zodanig. Het spreekt voor zich dat dergelijke omstandigheden dan ook in de weging moeten worden betrokken en dus ook kunnen afdoen aan het gewicht dat aan het economisch belang van Nederland in de belangenafweging in een concreet geval toekomt.
3.8. De minister heeft zich in zijn nadere schriftelijke inlichtingen en op de zitting bij de Afdeling ook op het standpunt gesteld dat het economisch belang veelomvattend is. Volgens de minister is het een algeheel welvaartsbelang dat veel breder is dan de vraag of iemand mogelijk ten laste komt van de openbare kas. Naast de vraag in hoeverre de komst van een vreemdeling naar Nederland ertoe zal leiden dat hij ten laste van de algemene middelen zal komen, kan volgens de minister ook relevant zijn in hoeverre een vreemdeling in Nederland aanspraak zal kunnen maken op al dan niet schaarse andere onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals huisvesting, onderwijs of zorg en andere maatschappelijke voorzieningen. Daarbij is de leeftijd van een vreemdeling volgens de minister niet relevant, omdat de belangen die achter het brede belang van economisch welzijn in de zin van artikel 8 van het EVRM schuilgaan, in alle gevallen aan de orde zijn.
3.9. De Afdeling constateert dat dit algemene belangen zijn die in algemene zin voor iedere persoon die in Nederland verblijft aan de orde kunnen zijn. De minister mag dit meer algemene aspect van het economisch welzijn van Nederland op deze wijze interpreteren, in de belangenafweging betrekken en daar gewicht aan toekennen. Maar gelet op wat de Afdeling onder 3.7 heeft overwogen, mag de minister aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval niet steeds evenveel gewicht toekennen in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is. De minister moet in iedere zaak een geïndividualiseerde belangenafweging maken, waarin hij het economisch belang van Nederland weegt en afzet tegen alle overige omstandigheden van het concrete geval. Het economisch belang is namelijk slechts één relevant element in de belangenafweging als geheel. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 4 december 2024, onder 8. In die belangenafweging moet de minister ook de leeftijd van de betrokkenen en het zijn van jongvolwassene als relevante omstandigheid betrekken. De Afdeling is onder 3.7 van deze uitspraak ook al ingegaan op het betoog van de minister dat de individuele situatie van een vreemdeling niet snel van invloed kan zijn op het gewicht dat het economisch belang in de belangenafweging heeft. Een vreemdeling kan omstandigheden aanvoeren die maken dat de minister aan het economisch belang in de belangenafweging meer of minder gewicht moet toekennen, zo ook de omstandigheden die gaan over het economisch welzijn van de vreemdeling waar het om gaat. In de WI 2020/16 zijn daarvan voorbeelden genoemd, zoals de inspanningen die iemand heeft verricht om aan het normbedrag te voldoen. De minister moet die door een vreemdeling aangevoerde omstandigheden in de belangenafweging betrekken en beoordelen. Wanneer een vreemdeling daarbij een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, mag de minister dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. De minister zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. De Afdeling merkt daarbij op dat ook de minister regelmatig een beroep doet op onzekere toekomstige gebeurtenissen en die in het nadeel van een vreemdeling in de belangenafweging betrekt. Ook dergelijke omstandigheden moet hij waarderen naar de mate van concreetheid.
3.10. De minister heeft in de WI 2020/16, paragraaf 6.1 en 6.3, het volgende tot uitgangspunt genomen:
"In iedere zaak waarin aan artikel 8 EVRM wordt getoetst, ga je na welke belangen van de staat spelen. Wees daarbij zo volledig mogelijk. Let op, geen enkel belang van de staat kan op zichzelf of in combinatie met andere belangen zonder meer voldoende rechtvaardiging vormen om (voortzetting van het) verblijf te weigeren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de weigering van (voortzetting van het) verblijf in Nederland te rechtvaardigen. Je zal telkens een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging moeten maken."
en
"Het economisch welzijn omvat meer dan slechts de bescherming van de algemene middelen. Ook indien de vreemdeling niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder hem verblijf in Nederland was toegestaan en evenmin voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, maar op enig moment wel beschikt over een arbeidsplaats is het economisch welzijn van Nederland in het geding. Het economisch welzijn strekt zich ook uit tot bijvoorbeeld de bescherming van de arbeidsmarkt (de vreemdeling werkt weliswaar maar er is sprake van prioriteit genietend aanbod) en de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en dergelijke). Ondanks het feit dat dit belang wellicht op het moment van beoordelen van de aanspraken niet speelt, kunnen bij weging van het economisch belang in de totale belangenafweging eveneens de mogelijk toekomstige aanspraken die de vreemdeling hier op zal kunnen doen gelden betrokken worden."
De Afdeling is van oordeel dat deze werkwijze, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, in lijn is met de rechtspraak over het verrichten van een concrete belangenafweging, waarin alle feiten en omstandigheden van het geval moeten meewegen.
Verzoek om het EHRM met toepassing van Protocol nr. 16 bij het EVRM om advies te vragen
3.11. De minister heeft de Afdeling op de zitting verzocht om het EHRM om advies te vragen op grond van Protocol nr. 16 bij het EVRM, in het bijzonder over de invulling van het economisch belang en de relevantie die daarbij al dan niet toekomt aan inspanningen die leiden tot een mate van financiële zelfstandigheid van betrokkenen.
3.12. Gelet op wat de Afdeling onder 3.3 tot en met 3.10 heeft overwogen, is de bestaande rechtspraak van het EHRM voldoende duidelijk en bestaan er geen twijfels over de toepassing daarvan. Daarom zal de Afdeling geen toepassing geven aan Protocol nr. 16 bij het EVRM en wijst zij het verzoek van de minister af.
Het toetsmoment
3.13. De Afdeling heeft partijen voorafgaand aan en op de zitting in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag wat voor de rechter het relevante toetsmoment is bij de beoordeling van een beroep op artikel 8 van het EVRM: is de situatie op het moment dat de minister het besluit op bezwaar neemt bepalend, of moet de rechter uitgaan van het moment waarop hij beslist op het beroep of hoger beroep?
3.14. De Afdeling volgt de minister in zijn standpunt dat voor zaken over artikel 8 van het EVRM het uitgangspunt is dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan het besluit op bezwaar heeft kunnen nemen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.3. Dit betekent dat een vreemdeling in beroep of hoger beroep eerder ingenomen standpunten wel nader met stukken kan onderbouwen, maar dat nieuwe feiten of omstandigheden die een vreemdeling voor het eerst bij de bestuursrechter naar voren brengt, buiten de omvang van het geding vallen en in een eventuele nieuwe aanvraag naar voren gebracht zullen moeten worden.
De belangenafweging in deze zaak
3.15. De minister heeft aangenomen dat tussen referent en zijn moeder en minderjarige broers en zus familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Volgens de minister bestaat tussen referent en zijn meerderjarige broer geen familie- en gezinsleven, maar bestaat wel familie- en gezinsleven tussen de meerderjarige broer en de moeder van referent. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging verricht en deze in het nadeel van referent en betrokkenen laten uitvallen.
3.16. De minister heeft in die belangenafweging in het voordeel van betrokkenen meegewogen dat de gezinsleden van referent geen gevaar zijn voor de openbare orde in Nederland. Daarnaast bestaat er tussen referent en zijn moeder familie- en gezinsleven. Dit heeft de minister in het voordeel meegewogen, maar hij beschouwt het niet als doorslaggevend, omdat referent over een zekere mate van zelfstandigheid beschikt en hij zich in Nederland staande kan houden terwijl hij het gezinsleven met zijn gezinsleden op afstand of andere wijze vormgeeft. Er is ook een onoverkomelijke belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen.
3.17. De minister heeft in de belangenafweging in het nadeel van betrokkenen meegewogen dat de gezinsleden van referent nog nooit een verblijfsvergunning voor Nederland hebben gehad en dat daarom sprake is van een eerste toelating. Daarnaast hebben de gezinsleden van referent geen paspoort. Dit heeft de minister in hun nadeel meegewogen, maar hij beschouwt het niet als zwaarwegend. Referent kan niet voorzien in het levensonderhoud van zijn gezinsleden en het is aannemelijk dat zij bij overkomst naar Nederland een zekere tijd ten laste zullen komen van de algemene middelen. Daarom heeft de minister het economisch belang zwaar in het nadeel van betrokkenen meegewogen. Verder bestaat tussen referent en zijn meerderjarige broer geen familie- en gezinsleven. Ook het belang van de minderjarige broers en zus van referent heeft de minister niet positief meegewogen. Daarnaast is de kans volgens de minister reëel dat de moeder van referent in Nederland een beroep zal doen op de algemene middelen voor de kosten van haar medische zorg. Verder is de binding van de gezinsleden van referent met Syrië groter dan de binding met Nederland. Het is ook niet aannemelijk geworden dat het familie- en gezinsleven in Nederland uitgeoefend moet worden. Het contact kan op afstand worden voortgezet en referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat de overkomst van zijn gezinsleden naar Nederland noodzakelijk is. De wijze waarop referent zijn gezinsleden op dit moment financieel ondersteunt, kan hij ook op deze manier blijven voortzetten.
Het economisch belang in de belangenafweging in deze zaak
3.18. Deze uitspraak gaat specifiek over de vraag hoe de minister het economisch belang als een van de relevante omstandigheden heeft meegewogen in de belangenafweging. De minister heeft zich in het besluit op bezwaar over het economisch belang op het standpunt gesteld dat het economisch belang voor de Nederlandse staat zwaar weegt en daarom een belangrijke rol speelt in de belangenafweging. Referent heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat hij studeert, een studiefinanciering ontvangt en een baan in de horeca heeft voor in het weekend. Dit is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met gemiddeld vijf arbeidsuren per week. De minister constateert dat referent heeft erkend dat deze bijbaan niet voldoende is om ook te voorzien in het levensonderhoud van de gezinsleden als zij zouden overkomen naar Nederland. Daarnaast heeft de minister in het besluit op bezwaar betrokken dat referent tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat zijn woning niet geschikt is om daar gezamenlijk met zijn gezinsleden te wonen. Ook kunnen de gezinsleden van referent aanspraak maken op uitkeringen waarmee zij zelfstandig kunnen leven en zullen zij zich verplicht voor ziektekosten moeten verzekeren. Uit het voorgaande concludeert de minister dat de gezinsleden van referent bij overkomst naar Nederland een zekere tijd ten laste zullen komen van de algemene middelen en dit weegt hij in het nadeel mee. Gelet op al het voorgaande weegt de minister het economisch belang zwaar in het nadeel van betrokkenen.
3.19. Gelet op wat de Afdeling onder 3.9 heeft overwogen, betoogt de minister terecht dat hij het economisch belang in het nadeel van betrokkenen in de belangenafweging mag meewegen. De minister komt met zijn betoog ook terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in het besluit op bezwaar niet heeft uitgelegd hoe het feit dat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is, zich verhoudt tot de conclusie dat het economisch belang zwaar in het nadeel van betrokkenen weegt. De minister heeft in de conclusie van het besluit op bezwaar toegelicht waarom de belangenafweging in het nadeel van betrokkenen uitvalt, waarbij hij ook het economisch belang negatief heeft meegewogen. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het feit dat referent een jongvolwassene is, niet zo bijzonder is dat al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen moet uitvallen.
3.20. De minister heeft uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, onder 4.2, verder terecht afgeleid dat hij in het nadeel van betrokkenen mag meewegen dat het om een eerste toelating gaat en dat de gezinsleden bij toelating in Nederland vrijwel zeker aanspraak zullen maken op uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten. In die zaak beschikte referent namelijk alleen over studiefinanciering en dus niet over een eigen inkomen. Hierdoor kon hij niet voorzien in het levensonderhoud van de betrokkenen in die zaak. De minister betoogt terecht dat dit ook in dit geval zo was ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Uit de weergave van het besluit op bezwaar onder 3.18 volgt dat de minister de financiële situatie van referent in deze zaak heeft meegewogen in het kader van het economisch belang. Deze informatie is relevant voor de beoordeling in hoeverre referent heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om in de kosten van het onderhoud van zijn gezinsleden te voorzien gelet op zijn individuele situatie. De minister heeft in het besluit op bezwaar betrokken dat referent studeert, een studiefinanciering ontvangt en een bijbaan in de horeca heeft voor gemiddeld vijf arbeidsuren in het weekend. Maar referent heeft zelf ook erkend dat deze bijbaan niet voldoende is om ook te voorzien in het levensonderhoud van de gezinsleden als zij zouden overkomen naar Nederland. Daarnaast heeft referent verklaard dat zijn woning niet geschikt is om daar gezamenlijk met zijn gezinsleden te wonen. Daaruit heeft de minister kunnen afleiden dat de gezinsleden van referent bij overkomst naar Nederland een zekere tijd ten laste zullen komen van de algemene middelen.
3.21. In de nadere schriftelijke inlichtingen hebben betrokkenen toegelicht dat referent in het tweede jaar van de mbo-opleiding tot automonteur zit, dat hij tegen een vergoeding vier dagen in de week stage loopt bij een autobedrijf en dat hij bij hetzelfde autobedrijf voor dezelfde vergoeding ook op zaterdag kan komen werken. Zijn verwachting is dat hij minimaal € 2306,00 bruto per maand zal gaan verdienen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een formulier personeelsinformatie overgelegd, waaruit inderdaad volgt dat hij 45 uur per week zal werken voor een bruto uurloon van € 16,50. Na zijn opleiding wil hij voltijds gaan werken, waarvoor de eigenaar van de stageplek hem al een arbeidscontract aangeboden zou hebben. Referent heeft echter geen stukken overgelegd die als onderbouwing van dit standpunt kunnen dienen. Als een van zijn broers overkomt, zou hij ook als automonteur bij hetzelfde autobedrijf aan de slag kunnen. Referent heeft echter ook geen stukken overgelegd die deze stelling onderbouwen. Verder werkt zijn andere broer in Syrië als kapper. Een vriend van referent heeft een kapperszaak in Nederland en die vriend zou al hebben toegezegd dat zijn broer bij hem mag komen werken. Ook ter onderbouwing van deze stelling heeft referent echter geen stukken overgelegd.
3.22. De rechtbank heeft weliswaar terecht overwogen dat het in zekere zin inherent is aan het zijn van jongvolwassene dat referent betrokkenen niet financieel kan onderhouden, maar de minister heeft er gewicht aan mogen toekennen dat het in dit geval gaat om een gezin dat bestaat uit een moeder, minderjarige broers en zus en meerderjarige broer, dat referent hen niet allemaal financieel kan ondersteunen, ook niet binnen afzienbare termijn, en geen woonruimte voor hen allemaal heeft en dat daardoor reëel en concreet is te verwachten dat deze personen een beroep op de algemene middelen zullen doen.
Benoemen van het gewicht van de relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging
3.23. De minister komt met zijn betoog terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in het besluit op bezwaar niet voor alle relevante feiten of omstandigheden in de belangenafweging heeft benoemd welk gewicht hij hieraan hecht. De minister heeft bij alle relevante feiten of omstandigheden benoemd of hij die in het voordeel of nadeel van betrokkenen weegt. De minister betoogt in beginsel terecht dat hij niet bij alle relevante feiten of omstandigheden hoeft te benoemen of hij deze licht of zwaar meeweegt in de belangenafweging, maar dat het erom gaat dat de uitkomst van de belangenafweging als geheel voldoende inzichtelijk moet zijn. De Afdeling brengt hierbij wel in herinnering dat de minister in iedere zaak een geïndividualiseerde belangenafweging moet maken, waarin hij onder andere het economisch belang van Nederland weegt en afzet tegen de overige omstandigheden van het concrete geval. Dit brengt met zich dat hij in zijn besluitvorming wel kenbaar moet motiveren hoe hij het economisch belang heeft gewogen en welke omstandigheden maken dat er meer of minder gewicht aan het economisch belang toekomt. De minister klaagt in het verlengde hiervan ook terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft gemotiveerd hoe hij de onoverkomelijke belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen heeft meegewogen in de belangenafweging. Uit het besluit op bezwaar volgt namelijk dat de minister deze omstandigheid in het voordeel van betrokkenen heeft meegewogen.
Tijdsverloop en stappen naar zelfstandigheid
3.24. De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet redelijk is om het tijdsverloop sinds het vertrek uit het land van herkomst als gevolg van verwijtbaar handelen van de minister op betrokkenen af te wentelen, door het gehele tijdsverloop en de stappen naar zelfstandigheid die referent in die tijd heeft gezet, in volle omvang in hun nadeel te laten meewegen als zelfstandig element in de belangenafweging. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, onder 3.4 en 4, heeft de rechtbank terecht afgeleid dat de minister in het nadeel van betrokkenen mag meewegen hoelang zij en referent ten tijde van het besluit op bezwaar al gescheiden van elkaar leven. Uit die uitspraak volgt ook dat de minister van belang mag achten dat referent in die periode in Nederland stappen heeft gezet naar zelfstandigheid, bijvoorbeeld doordat hij hier heeft gewerkt, hier inmiddels zelfstandig woont en een mbo-opleiding volgt. De minister betoogt terecht dat de omstandigheid dat bijna twee jaar was verstreken tussen de aanvragen van betrokkenen en het besluit op bezwaar, niet afdoet aan de feitelijke situatie waarin referent als jongvolwassene ook al vóór zijn vertrek uit Syrië stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, die hij in Nederland heeft voortgezet zodat hij steeds minder afhankelijk van betrokkenen is geworden.
3.25. De grief slaagt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 september 2024 in zaak nr. NL23.30856;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
985