ECLI:NL:RVS:2026:3047

ECLI:NL:RVS:2026:3047

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202406211/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Op 25 november 2021 heeft het college aan [appellant] bekendgemaakt dat de door hem op 26 augustus 2021 aangevraagde omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antennemast in de achtertuin van zijn woning op het adres [locatie] in [plaats] van rechtswege is gegeven. [appellant] heeft op 26 augustus 2021 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antennemast in de achtertuin van zijn woning op het adres [locatie] in [plaats]. Op dat moment was de antennemast al geplaatst. Op 25 november 2021 heeft het college aan [appellant] bekendgemaakt dat de omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Het college heeft deze omgevingsvergunning naar aanleiding van het bezwaar van de toenmalige buurvrouw met het besluit van 29 april 2022 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Aan deze weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en met redelijke eisen van welstand en dat het niet bereid is om daarvan af te wijken. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat het college heeft mogen weigeren om de omgevingsvergunning te verlenen. [appellant] is het daarmee niet eens.

Uitspraak

202406211/1/R1.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats], gemeente Sittard-Geleen

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 augustus 2024 in zaak nr. 22/1269 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen

Procesverloop

Op 25 november 2021 heeft het college aan [appellant] bekendgemaakt dat de door hem op 26 augustus 2021 aangevraagde omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antennemast in de achtertuin van zijn woning op het adres [locatie] in [plaats] van rechtswege is gegeven.

Bij besluit van 29 april 2022 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning herroepen en de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 29 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Helgers, mr. H.M.J.G. Neelis en N. Smeets, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 augustus 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] heeft op 26 augustus 2021 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antennemast in de achtertuin van zijn woning op het adres [locatie] in [plaats]. Op dat moment was de antennemast al geplaatst.

Op 25 november 2021 heeft het college aan [appellant] bekendgemaakt dat de omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Het college heeft deze omgevingsvergunning naar aanleiding van het bezwaar van de toenmalige buurvrouw met het besluit van 29 april 2022 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Aan deze weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en met redelijke eisen van welstand en dat het niet bereid is om daarvan af te wijken. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat het college heeft mogen weigeren om de omgevingsvergunning te verlenen. [appellant] is het daarmee niet eens.

3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Krawinkel/Lutterade”. Het perceel van [appellant] heeft daarin de bestemming "Wonen". De antennemast is een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Volgens artikel 17.2, aanhef en onder h, van de planregels mag de bouwhoogte van zo’n bouwwerk ten hoogste 3 meter bedragen. De antennemast is, wanneer deze is ingeschoven, 7 meter en 19 meter wanneer deze volledig is uitgeschoven.

Heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de omgevingsvergunning te weigeren. [appellant] wijst erop dat er in de gemeente Sittard-Geleen meerdere antennemasten staan. Zo staat er één in de Stikkerstraat en één in de [adres]. Omdat op deze locaties antennemasten zouden zijn toegestaan, had het college volgens [appellant] de aangevraagde omgevingsvergunning niet mogen weigeren.

4.1. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat een bestuursorgaan gelijke gevallen gelijk behandelt. Alleen gevallen die in relevant opzicht gelijk zijn aan de aangevraagde situatie kunnen leiden tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.2. Op de zitting is duidelijk geworden dat de antennemasten waar [appellant] op wijst zonder de benodigde omgevingsvergunning zijn opgericht. [appellant] heeft geen concrete gevallen genoemd waar het college wel een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antennemast heeft verleend. Gelet hierop zijn de door [appellant] genoemde gevallen niet in relevant opzicht gelijk aan de aangevraagde situatie. Dat betekent dat die gevallen er niet toe kunnen leiden dat het college de door [appellant] gevraagde vergunning niet mocht weigeren. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de omgevingsvergunning te weigeren.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Proceskosten

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wijgerde

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

672-1188

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.C.M. Wijgerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand