202402567/1/V3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en [referent],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 maart 2024 in zaak nr. NL23.29857 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent en appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door referent en appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben referent en appellant, vertegenwoordigd door mr. N. Vreede, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister, referent en appellant hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft op de reactie van de minister gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 oktober 2025, waar referent, mede namens appellant, bijgestaan door hun gemachtigde, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat en mr. M.J. Vetzo, advocaten in Den Haag, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202406083/1/V3 en 202500017/1/V3.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 2003. Op 30 november 2022 heeft zijn moeder, referent, een mvv-aanvraag ingediend, zodat hij bij zijn moeder in Nederland kan verblijven. Referent woonde tot december 2022 met haar twee minderjarige kinderen, appellant, haar moeder en een nichtje samen in een woning in Suriname. De minister heeft referent een verblijfsvergunning als kennismigrant voor de duur van een jaar, met de ingangsdatum van 1 januari 2023, verleend. Referent verricht werkzaamheden als anesthesiemedewerker in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). De minister heeft de twee minderjarige kinderen van referent een verblijfsvergunning verleend voor verblijf als gezinslid bij hun moeder. Referent is in december 2022 met haar twee minderjarige kinderen naar Nederland verhuisd.
1.1. De minister heeft bij de beoordeling of familie- en gezinsleven bestaat, het beoordelingskader voor jongvolwassenen tot uitgangspunt genomen (het jongvolwassenenbeleid). De minister heeft aangenomen dat tussen appellant en referent familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De minister heeft vervolgens een belangenafweging verricht en deze in het nadeel van appellant laten uitvallen.
1.2. Door het jongvolwassenenbeleid toe te passen, geeft de minister invulling aan de beoordeling of familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat tussen meerderjarige kinderen en hun ouders. Nadat hij met toepassing van het jongvolwassenenbeleid heeft vastgesteld dat sprake is van gezinsleven, verricht de minister een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. In die belangenafweging moet hij alle relevante feiten en omstandigheden van het geval betrekken. Deze uitspraak gaat specifiek over de vraag hoe de minister het economisch belang van de Nederlandse staat (economisch belang) als relevante omstandigheid meeweegt in die belangenafweging.
1.3. De Afdeling geeft eerst de tweede grief en het oordeel van de rechtbank weer (onder 2-3). Daarna licht zij toe dat zij het standpunt van de minister dat er geen jongvolwassenenbeleid bestaat, niet volgt (onder 3.1). Vervolgens gaat de Afdeling in op de uitspraak van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912. Uit die uitspraak volgt niet dat er voor een jongvolwassene per definitie een recht op gezinshereniging bestaat als er sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM (onder 3.2-3.5). Vervolgens geeft de Afdeling duiding aan het gewicht dat toekomt aan het economisch belang in de belangenafweging en overweegt zij in dat verband dat zij het standpunt van de minister dat het economisch belang in elke zaak altijd even zwaar weegt, niet volgt (onder 3.6-3.10). Daarna wijst de Afdeling het verzoek van de minister om het EHRM met toepassing van Protocol nr. 16 bij het EVRM om advies te vragen, af (onder 3.11-3.12). De Afdeling gaat vervolgens in op het relevante toetsmoment en oordeelt dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan het besluit op bezwaar heeft kunnen nemen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit (onder 3.13-3.14). Ook geeft de Afdeling de belangenafweging in deze zaak weer en beoordeelt zij hoe de minister het economisch belang als relevante omstandigheid heeft meegewogen in die belangenafweging (onder 3.15-3.19). Ten slotte geeft zij een oordeel over de overige grieven en komt zij tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is (onder 4-5).
De uitspraak van de rechtbank en de tweede grief
2. Over het economisch belang in de belangenafweging heeft de rechtbank het volgende overwogen. De minister heeft in het voordeel van appellant meegewogen dat referent een kennismigrant is, eigen inkomsten heeft en met haar werk als anesthesiemedewerker in het UMCG het economisch belang van Nederland dient en een bijdrage aan de Nederlandse gezondheidszorg levert. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat de minister de belangenafweging daarom in het voordeel van appellant moest laten uitvallen. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de minister het niet langer doorslaggevend vindt dat iemand een kennismigrant is voor een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM.
2.1. Daarnaast heeft de minister zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het economisch belang niet alleen gaat over de vraag of een kennismigrant voldoende inkomsten heeft om het gezin te onderhouden, maar dat het ook gaat over de bescherming van de arbeidsmarkt en door de overheid betaalde voorzieningen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De minister heeft volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat het niet is uitgesloten dat appellant in de nabije toekomst een beroep zal doen op de krappe huisvestingsmarkt en een opleiding of studie zal volgen. Appellant heeft volgens de rechtbank niet met stukken onderbouwd dat hij geen gebruik zal maken van door de overheid bekostigd onderwijs. Dat appellant graag bij zijn moeder wil zijn, is heel begrijpelijk volgens de rechtbank, maar dit heeft de minister niet als een bijzondere omstandigheid hoeven aanmerken op grond waarvan de belangenafweging in het voordeel van appellant had moeten uitvallen.
3. Appellant komt met zijn tweede grief op tegen dit oordeel van de rechtbank.
Het jongvolwassenenbeleid
3.1. Het EHRM heeft recent geoordeeld dat er uit artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting voortvloeit om specifieke regels voor jongvolwassenen over familie- en gezinsleven tussen jongvolwassenen en hun ouders vast te stellen (Mude en Mohamed Hussein tegen Nederland, 10 maart 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0310DEC004787820). De minister heeft op de zitting bij de Afdeling het standpunt ingenomen dat er eigenlijk niet zoiets is als jongvolwassenenbeleid en dat deze term een eigen leven is gaan leiden. De Afdeling volgt dit standpunt alleen al niet gelet op de tekst van het beleid van de minister in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. Daaruit volgt namelijk dat de minister een op jongvolwassenen toegesneden beleid heeft geformuleerd, door criteria vast te stellen op basis waarvan hij familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake hoeft te zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dat er een op jongvolwassenen toegespitst beleid bestaat, volgt verder uit de Werkinstructie 2020/16 (WI 2020/16), waarin richtlijnen staan voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM en voornoemd beleid. Uit de besluiten die de minister in de zittingszaken heeft genomen, blijkt ook dat hij een beoordeling aan de hand van een op jongvolwassenen toegesneden beleid heeft gemaakt. De Afdeling volgt het standpunt van de minister daarom niet. Voor zover de minister heeft bedoeld dat hij geen beleid heeft aan de hand waarvan hij voor jongvolwassenen de belangenafweging op de voet van artikel 8 van het EVRM verricht wanneer hij gezinsleven heeft aangenomen, is dat op zichzelf juist. Dat neemt niet weg dat, ook volgens de minister, het zijn van jongvolwassene een omstandigheid is die bij die belangenafweging moet worden betrokken.
De uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912
3.2. De Afdeling is in de uitspraak van 4 december 2024 ingegaan op de waardering van het economisch belang in de belangenafweging in het licht van de individuele omstandigheden van een jongvolwassen referent in zaken over artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich in zijn nadere schriftelijke inlichtingen en ook op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat de Afdeling in die uitspraak ten onrechte arresten van het EHRM die gaan over kerngezinsleden, van toepassing heeft geacht op jongvolwassenen.
3.3. De Afdeling brengt in herinnering dat zij in haar uitspraak van 4 december 2024, onder 7, expliciet heeft overwogen en dus heeft onderkend dat de relevante rechtspraak van het EHRM niet gaat over de situatie waarin familie- en gezinsleven bestaat tussen een jongvolwassene met internationale bescherming in een verdragsstaat en zijn ouder of ouders in een derde land. De in die uitspraak aangehaalde rechtspraak van het EHRM gaat ook niet in op de context van het Nederlandse nationale recht, met een jongvolwassenenbeleid. Uit die rechtspraak heeft de Afdeling onder 7.1 van de uitspraak van 4 december 2024 wel algemene uitgangspunten afgeleid die toepasbaar zijn op het beantwoorden van de vraag of de minister de financiële situatie van betrokkenen deugdelijk gemotiveerd heeft betrokken in de afweging tussen het belang van betrokkenen bij gezinshereniging aan de ene kant en het algemeen belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid aan de andere kant.
3.4. De minister heeft met zijn betoog geen aanknopingspunten aangereikt op basis waarvan het oordeel in de uitspraak van 4 december 2024 niet meer gevolgd kan worden. Het EHRM heeft de uitgangspunten voor het verrichten van de belangenafweging in zijn rechtspraak namelijk niet beperkt tot kerngezinsleden, maar algemeen geformuleerd. De belangenafweging komt pas aan de orde nadat is vastgesteld dat familie- en gezinsleven bestaat. De Afdeling ziet niet in waarom de formuleringen "met voldoende flexibiliteit toepassen" in het arrest van 4 juli 2023, B.F. en anderen tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2023:0704JUD001325818, paragrafen 90, 105 en 107, en "niet het onmogelijke verwachten" in het arrest B.F., paragrafen 105 en 129, en het arrest van 18 januari 2024, Dabo tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2024:0118JUD001251018, paragraaf 107, wel voor het familie- en gezinsleven van leden van het kerngezin zouden gelden, maar niet voor het familie- en gezinsleven van jongvolwassenen. Daarom ziet zij geen aanleiding om terug te komen van haar uitspraak van 4 december 2024.
3.5. Voor zover de minister betoogt dat uit de uitspraak van 4 december 2024 in feite volgt dat er voor een jongvolwassene een recht op gezinshereniging bestaat als er familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat, berust dit op een onjuiste lezing van die uitspraak. In die uitspraak staat onder 8 dat, als de minister de individuele situatie van een jongvolwassen referent in aanmerking neemt bij het maken van de belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, hij voorkomt dat hij met een belangenafweging de vaststelling van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, op grond van het jongvolwassenenbeleid illusoir maakt. Dit betekent niet dat er door de vaststelling van familie- en gezinsleven met een jongvolwassene automatisch een positieve verplichting ontstaat voor de Nederlandse overheid om toegang tot Nederland te verlenen of dat de omstandigheid dat het om een jongvolwassene gaat, doorslaggevend is in de belangenafweging. In die belangenafweging moet de minister alle concrete omstandigheden van het individuele geval betrekken en afwegen. Daarin mag de omstandigheid dat het om familie- en gezinsleven met een jongvolwassene gaat niet zonder betekenis zijn.
Het gewicht van het economisch belang in de belangenafweging
3.6. De minister heeft op de zitting bij de Afdeling betoogd dat het economisch belang van Nederland in de belangenafweging een absoluut karakter heeft. Dit betekent volgens de minister dat aan het economisch belang in alle gevallen hetzelfde gewicht toekomt en dat het in beginsel van doorslaggevend gewicht is, ongeacht de vraag of het al dan niet om een jongvolwassene gaat. Hoewel alle feiten en omstandigheden in de belangenafweging moeten worden betrokken, en de belangenafweging dus in de praktijk toch in het voordeel van een vreemdeling moet kunnen uitvallen, weegt het economisch belang van Nederland volgens de minister in alle gevallen zwaar, en is het aan een vreemdeling om daar in een concreet geval iets tegenover te stellen. De individuele situatie van een vreemdeling kan volgens de minister niet snel van invloed zijn op de uitkomst van de belangenafweging. Alleen in zwaarwegende sociaal-medische situaties zou het denkbaar zijn dat aan het economisch belang niet het doorslaggevende gewicht toekomt. De Afdeling volgt dat standpunt niet en licht hierna toe waarom.
3.7. Zoals de Afdeling onder 3.3 en 3.4 heeft overwogen, geldt de rechtspraak van het EHRM met de daarin geformuleerde uitgangspunten ook voor zaken over jongvolwassenen. Nadat de minister constateert dat een vreemdeling onder het jongvolwassenenbeleid valt, zodat moet worden uitgegaan van het bestaan van familie- en gezinsleven, maakt hij een belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In die belangenafweging heeft de minister een bepaalde beoordelingsruimte. De Afdeling wijst op het arrest van het EHRM van 9 juli 2021, [persoon C] tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718, paragraaf 143. De minister mag die ruimte echter niet categorisch zo beperken dat aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval steeds evenveel gewicht toekomt in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is, zodat er - uitzonderingen in sociaal-medisch dringende situaties daargelaten - geen andere belangen tegenover kunnen worden gesteld als gevolg waarvan de belangenafweging wel in het voordeel van een vreemdeling uitvalt. Dat de minister een geïndividualiseerde belangenafweging moet maken volgt ook uit de rechtspraak van het EHRM, zoals de arresten [persoon C] tegen Denemarken, paragraaf 132, en Dabo tegen Zweden, paragraaf 104. Het door de minister ingenomen standpunt op de zitting bij de Afdeling is bovendien niet in overeenstemming met zijn eigen werkinstructie. In de WI 2020/16, paragraaf 6.3, over het economisch belang, staat dat
"[…] de vreemdeling in zijn voordeel omstandigheden kan aanvoeren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de inspanningen die zijn gepleegd om aan het normbedrag te voldoen, omstandigheden die verklaren waarom niet aan het normbedrag kan worden voldaan (verwijtbaarheid), aan de omstandigheid dat aan het normbedrag weliswaar niet wordt voldaan, maar dat de vreemdeling wel degelijk over middelen beschikt of dat andere gezinsleden over het normbedrag beschikken waarmee wordt bijgedragen aan de kosten van het levensonderhoud van het gezin."
Uit die werkinstructie blijkt dat de minister in zijn beslispraktijk rekening moet houden met de omstandigheden van het geval in de belangenafweging en dat een vreemdeling omstandigheden in zijn voordeel kan aanvoeren, ook bij de weging van het economisch belang als zodanig. Het spreekt voor zich dat dergelijke omstandigheden dan ook in de weging moeten worden betrokken en dus ook kunnen afdoen aan het gewicht dat aan het economisch belang van Nederland in de belangenafweging in een concreet geval toekomt.
3.8. De minister heeft zich in zijn nadere schriftelijke inlichtingen en op de zitting bij de Afdeling ook op het standpunt gesteld dat het economisch belang veelomvattend is. Volgens de minister is het een algeheel welvaartsbelang dat veel breder is dan de vraag of iemand mogelijk ten laste komt van de openbare kas. Naast de vraag in hoeverre de komst van een vreemdeling naar Nederland ertoe zal leiden dat hij ten laste van de algemene middelen zal komen, kan volgens de minister ook relevant zijn in hoeverre een vreemdeling in Nederland aanspraak zal kunnen maken op al dan niet schaarse andere onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals huisvesting, onderwijs of zorg en andere maatschappelijke voorzieningen. Daarbij is de leeftijd van een vreemdeling volgens de minister niet relevant, omdat de belangen die achter het brede belang van economisch welzijn in de zin van artikel 8 van het EVRM schuilgaan, in alle gevallen aan de orde zijn.
3.9. De Afdeling constateert dat dit algemene belangen zijn die in algemene zin voor iedere persoon die in Nederland verblijft aan de orde kunnen zijn. De minister mag dit meer algemene aspect van het economisch welzijn van Nederland op deze wijze interpreteren, in de belangenafweging betrekken en daar gewicht aan toekennen. Maar gelet op wat de Afdeling onder 3.7 heeft overwogen, mag de minister aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval niet steeds evenveel gewicht toekennen in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is. De minister moet in iedere zaak een geïndividualiseerde belangenafweging maken, waarin hij het economisch belang van Nederland weegt en afzet tegen alle overige omstandigheden van het concrete geval. Het economisch belang is namelijk slechts één relevant element in de belangenafweging als geheel. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 4 december 2024, onder 8. In die belangenafweging moet de minister ook de leeftijd van de betrokkenen en het zijn van jongvolwassene als relevante omstandigheid betrekken. De Afdeling is onder 3.7 van deze uitspraak ook al ingegaan op het betoog van de minister dat de individuele situatie van een vreemdeling niet snel van invloed kan zijn op het gewicht dat het economisch belang in de belangenafweging heeft. Een vreemdeling kan omstandigheden aanvoeren die maken dat de minister aan het economisch belang in de belangenafweging meer of minder gewicht moet toekennen, zo ook de omstandigheden die gaan over het economisch welzijn van de vreemdeling waar het om gaat. In de WI 2020/16 zijn daarvan voorbeelden genoemd, zoals de inspanningen die iemand heeft verricht om aan het normbedrag te voldoen. De minister moet die door een vreemdeling aangevoerde omstandigheden in de belangenafweging betrekken en beoordelen. Wanneer een vreemdeling daarbij een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, mag de minister dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. De minister zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. De Afdeling merkt daarbij op dat ook de minister regelmatig een beroep doet op onzekere toekomstige gebeurtenissen en die in het nadeel van een vreemdeling in de belangenafweging betrekt. Ook dergelijke omstandigheden moet hij waarderen naar de mate van concreetheid.
3.10. De minister heeft in de WI 2020/16, paragraaf 6.1 en 6.3, het volgende tot uitgangspunt genomen:
"In iedere zaak waarin aan artikel 8 EVRM wordt getoetst, ga je na welke belangen van de staat spelen. Wees daarbij zo volledig mogelijk. Let op, geen enkel belang van de staat kan op zichzelf of in combinatie met andere belangen zonder meer voldoende rechtvaardiging vormen om (voortzetting van het) verblijf te weigeren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de weigering van (voortzetting van het) verblijf in Nederland te rechtvaardigen. Je zal telkens een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging moeten maken."
en
"Het economisch welzijn omvat meer dan slechts de bescherming van de algemene middelen. Ook indien de vreemdeling niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder hem verblijf in Nederland was toegestaan en evenmin voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, maar op enig moment wel beschikt over een arbeidsplaats is het economisch welzijn van Nederland in het geding. Het economisch welzijn strekt zich ook uit tot bijvoorbeeld de bescherming van de arbeidsmarkt (de vreemdeling werkt weliswaar maar er is sprake van prioriteit genietend aanbod) en de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en dergelijke). Ondanks het feit dat dit belang wellicht op het moment van beoordelen van de aanspraken niet speelt, kunnen bij weging van het economisch belang in de totale belangenafweging eveneens de mogelijk toekomstige aanspraken die de vreemdeling hier op zal kunnen doen gelden betrokken worden."
De Afdeling is van oordeel dat deze werkwijze, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, in lijn is met de rechtspraak over het verrichten van een concrete belangenafweging, waarin alle feiten en omstandigheden van het geval moeten meewegen.
Verzoek om het EHRM met toepassing van Protocol nr. 16 bij het EVRM om advies te vragen
3.11. De minister heeft de Afdeling op de zitting verzocht om het EHRM om advies te vragen op grond van Protocol nr. 16 bij het EVRM, in het bijzonder over de invulling van het economisch belang en de relevantie die daarbij al dan niet toekomt aan inspanningen die leiden tot een mate van financiële zelfstandigheid van betrokkenen.
3.12. Gelet op wat de Afdeling onder 3.3 tot en met 3.10 heeft overwogen, is de bestaande rechtspraak van het EHRM voldoende duidelijk en bestaan er geen twijfels over de toepassing daarvan. Daarom zal de Afdeling geen toepassing geven aan Protocol nr. 16 bij het EVRM en wijst zij het verzoek van de minister af.
Het toetsmoment
3.13. De Afdeling heeft partijen voorafgaand aan en op de zitting in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag wat voor de rechter het relevante toetsmoment is bij de beoordeling van een beroep op artikel 8 van het EVRM: is de situatie op het moment dat de minister het besluit op bezwaar neemt bepalend, of moet de rechter uitgaan van het moment waarop hij beslist op het beroep of hoger beroep?
3.14. De Afdeling volgt de minister in zijn standpunt dat voor zaken over artikel 8 van het EVRM het uitgangspunt is dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan het besluit op bezwaar heeft kunnen nemen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.3. Dit betekent dat een vreemdeling in beroep of hoger beroep eerder ingenomen standpunten wel nader met stukken kan onderbouwen, maar dat nieuwe feiten of omstandigheden die een vreemdeling voor het eerst bij de bestuursrechter naar voren brengt, buiten de omvang van het geding vallen en in een eventuele nieuwe aanvraag naar voren gebracht zullen moeten worden.
De belangenafweging in deze zaak
3.15. De minister heeft aangenomen dat tussen appellant en referent familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De minister heeft vervolgens een belangenafweging verricht en deze in het nadeel van appellant laten uitvallen. De minister heeft in die belangenafweging in het voordeel van appellant meegewogen dat er gezinsleven is tussen hem en zijn moeder, referent.
3.16. De minister heeft in de belangenafweging in het nadeel van appellant meegewogen dat het toelatingsbeleid van de Nederlandse overheid restrictief is en dat er geen speciaal toelatingsbeleid bestaat voor ouders en hun meerderjarige kinderen. Appellant studeert in zijn land van herkomst. Bij verblijf van appellant in Nederland valt te verwachten dat hij binnen afzienbare tijd gebruik wil maken van diverse voorzieningen, een studie zal volgen en/of een baan zal zoeken en een eigen woonruimte nodig heeft. Omdat het gaat om een eerste toelating, hecht de minister een groter belang aan het economisch belang. Wel heeft referent een eigen inkomen om de kosten van het levensonderhoud van haar gezin te betalen, waardoor het economisch belang minder zwaar weegt. Er zijn geen onoverkomelijke belemmeringen om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen, waardoor referent en appellant de keuze hebben om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Dit heeft de minister zwaar in hun nadeel meegewogen. Daarbij komt dat referent de vrijwillige keuze heeft gemaakt om in Nederland te gaan werken zonder te weten of aan appellant, haar meerderjarige zoon, verblijf zou worden toegestaan. Referent kon er niet van uitgaan en erop vertrouwen dat zij samen met haar meerderjarige zoon in Nederland mocht gaan wonen. De emotionele en financiële steun van referent aan appellant kan op afstand plaatsvinden. Appellant heeft familieleden in de buurt die hij om hulp kan vragen. Appellant is twintig jaar oud en het is niet gebleken dat hij dagelijkse zorg van referent nodig heeft. Daarbij komt dat de banden van appellant met Suriname sterker zijn dan die met Nederland. Referent en haar jongste kinderen kunnen via moderne communicatiemiddelen contact onderhouden met appellant in Suriname en referent en haar jongste kinderen kunnen appellant daar bezoeken. Dit alles heeft de minister zwaar in hun nadeel meegewogen.
Het economisch belang in de belangenafweging in deze zaak
3.17. Deze uitspraak gaat specifiek over de vraag hoe de minister het economisch belang als een van de relevante omstandigheden heeft meegewogen in de belangenafweging. De minister heeft in het voordeel van appellant bij het economisch belang meegewogen dat referent als kennismigrant het economisch belang van Nederland dient. De minister heeft in zijn besluit namelijk meegewogen dat referent als kennismigrant een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse gezondheidszorg levert en dat de komst van een kennismigrant wenselijk is voor de Nederlandse economie. Dat de minister hieraan een ander gewicht heeft toegekend dan appellant voor ogen heeft, betekent niet dat de minister niet alle feiten of omstandigheden in de besluitvorming heeft betrokken. Het gewicht dat een referent met werkzaamheden als kennismigrant aan het economisch belang van Nederland toevoegt, is primair van betekenis in de procedure waarin deze persoon zelf toegang als kennismigrant tot Nederland wil verkrijgen. De minister hoeft aan de bijdrage van referent als kennismigrant aan het economisch belang van Nederland in de belangenafweging voor het laten overkomen van appellant dan ook niet meer gewicht toe te kennen dan hij heeft gedaan. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de omstandigheid dat referent als kennismigrant in Nederland werkt, niet maakt dat de belangenafweging al daarom niet langer in het nadeel van appellant uitvalt. De minister vindt het verrichten van werkzaamheden als kennismigrant sinds september 2022 ook niet langer doorslaggevend voor een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM. De aanvraag voor appellant is ingediend op 30 november 2022 en dateert dus van na die beleidswijziging. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het feit dat referent als kennismigrant is toegelaten tot Nederland niet zonder meer betekent dat daarom ook haar volwassen kind toegelaten moet worden.
3.18. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat de minister bij de weging van het economisch belang in het voordeel van appellant heeft meegewogen dat referent eigen inkomsten heeft. Uit het besluit op bezwaar volgt namelijk dat het economisch belang minder zwaar weegt, omdat referent een eigen inkomen heeft om de kosten van het levensonderhoud van haar gezin te betalen. Gelet op wat de Afdeling onder 3.8 en 3.9 heeft overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich echter terecht op het standpunt heeft gesteld dat het economisch belang niet alleen gaat over de vraag of een kennismigrant voldoende inkomsten heeft om het gezin te onderhouden, maar dat het ook gaat over de bescherming van de arbeidsmarkt en door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De rechtbank heeft hierover terecht overwogen dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat het te verwachten valt dat appellant gezien zijn leeftijd in de nabije toekomst een beroep zal doen op de krappe huisvestingsmarkt en een opleiding of studie zal volgen en dat dit in het kader van het economisch belang in zijn nadeel weegt. De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verwachting dat appellant gezien zijn leeftijd binnen afzienbare tijd een bijdrage zal leveren aan het economisch welzijn van Nederland te weinig concreet en onderbouwd is om in zijn voordeel te kunnen meewegen. De stelling dat appellant geen gebruik zal maken van door de overheid bekostigd onderwijs heeft hij gedurende deze procedure niet met stukken onderbouwd, waardoor deze stelling niet tot een ander oordeel leidt. Appellant betoogt verder weliswaar dat hij bij referent zal intrekken als hij in Nederland een verblijfsvergunning krijgt, maar dit neemt niet weg dat het gezien zijn leeftijd in de lijn der verwachting ligt dat hij op enig moment een woonruimte voor zichzelf zal gaan zoeken.
3.19. De grief slaagt niet.
De overige grieven
4. Ook de overige grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
985