202407536/1/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Curaçao),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024 in zaak nr. 23/6594 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2023 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg) om vernietiging, rectificatie of aanvulling van politie-antecedenten afgewezen.
Bij uitspraak van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend. Voor een deel van deze stukken heeft de minister de Afdeling verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb.
[appellant] heeft de Afdeling toestemming gegeven om de geheime stukken bij haar oordeel te betrekken.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Toonders, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is werkzaam als militair. Hij heeft op 22 februari 2020 tijdens carnaval in Breda bij wijze van grap een willekeurige pas uit zijn portemonnee aan een vriend gegeven om te zien of de slagboom van de Koninklijke Militaire Academie (KMA) open zou gaan. Bij de dienstdoende beveiliger bestond het vermoeden dat de vriend de defensiepas van [appellant] tegen de paslezer had gehouden. Hierop is [appellant] aangehouden op verdenking van het opzettelijk niet volgen van een dienstvoorschrift (artikel 136, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht) en/of het ter beschikking stellen van een reisdocument dat aan hem is verstrekt aan een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt (artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). [appellant] heeft daarna een strafbeschikking ontvangen omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het ter beschikking stellen van een reisdocument aan een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt (artikel 231, eerste lid, van het WvSr). Hij heeft hiertegen verzet aangetekend en is vervolgens van het ten laste gelegde feit vrijgesproken. Voor het opzettelijk niet volgen van een dienstvoorschrift (artikel 136, eerste lid, van het WvMSr) is hij niet vervolgd.
2. De gegevens over dit incident worden door de Koninklijke Marechaussee (KMar) verwerkt in het Herkenningsdienst Systeem (HKS). Dit systeem is gekoppeld aan de Basisvoorziening Informatie Integrale Bevraging (BVI IB) van de politie, waardoor ook politiegegevens te raadplegen zijn in het HKS. De KMar is verwerkingsverantwoordelijke voor het HK[appellant] staat in het HKS voor zowel artikel 231, eerste lid, van het WvSr als artikel 136, eerste lid, van het WvMSr aangemerkt als verdachte. Hij heeft verzocht om verwijdering van deze gegevens, rectificatie daarvan of de verwerking van de vrijspraak bij de gegevens. Volgens hem is er geen noodzaak meer voor verdere verwerking van zijn gegevens. Hij is vrijgesproken voor het overtreden van artikel 231, eerste lid, van het WvSr, en voor het overtreden van artikel 136, eerste lid, van het WvMSr is hij niet vervolgd. Hij staat dus ten onrechte nog als verdachte aangemerkt voor deze feiten.
Het hoger beroep
3. [appellant] voert aan dat het bewaren van zijn gegevens na de vrijspraak niet langer noodzakelijk is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Zijn gegevens zouden daarom verwijderd moeten worden. Voor zover de gegevens niet verwijderd worden vindt [appellant] dat de gegevens gerectificeerd of aangevuld moeten worden.
De omvang van het verzoek
4. Op de zitting bij de Afdeling is vastgesteld dat de bewaartermijn voor de gegevens over overtreding van artikel 136, eerste lid, van het WvMSr, in het HKS zes jaar is. Dat betekent dat de gegevens daarover op of rond 22 februari 2026 vernietigd zijn. [appellant] heeft niet gesteld dat hij schade heeft geleden door de verwerking van de gegevens over overtreding van artikel 136, eerste lid, van het WvMSr. De Afdeling zal daarom alleen nog oordelen over het verzoek om verwijdering, rectificatie of aanvulling van de gegevens over overtreding van artikel 231, eerste lid, van het WvSr.
Heeft [appellant] recht op vernietiging van zijn gegevens?
4.1. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg, heeft de betrokkene recht op vernietiging van hem betreffende politiegegevens als de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of als deze vernietigd moeten worden om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Op grond van artikel 8 van de Wpg kunnen politiegegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg kunnen die gegevens verder worden verwerkt ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak, voor zover zij relevant zijn voor het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van eenzelfde persoon of zaak, onder meer ter bepaling van eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten.
4.2. De minister stelt zich op het standpunt dat de gegevens van [appellant] over het incident van 22 februari 2020 worden bewaard in het kader van de ondersteuning van de dagelijkse politietaak. De Afdeling kan dit volgen. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4765), r.o. 7.2, is een onderdeel van de dagelijkse politietaak dat de KMar op de hoogte moet zijn van incidenten die hebben plaatsgevonden. De informatiepositie van de KMar wordt ondermijnd als de gegevens verwijderd zouden moeten worden. Voor de informatiepositie van de KMar is niet alleen belangrijk om te weten wie als verdachte van een strafbaar feit is aangemerkt, maar ook wie nog meer betrokken waren bij een incident, zoals melders, getuigen, of anderen die staande zijn gehouden.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat de gegevens van [appellant] niet worden verwerkt in strijd met een wettelijk voorschrift. Ook bestaat er geen wettelijke verplichting om de gegevens te verwijderen. [appellant] heeft daarom geen recht op vernietiging van zijn gegevens.
Heeft [appellant] recht op rectificatie of aanvulling van zijn gegevens?
4.4. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wpg, heeft de betrokkene recht op rectificatie van hem betreffende onjuiste politiegegevens en het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring.
4.5. De minister heeft rectificatie van de gegevens, ondanks de vrijspraak van [appellant], geweigerd. Volgens de minister is er geen sprake van onjuiste gegevens. De minister heeft ook geen aanleiding gezien om de gegevens aan te vullen. Dat [appellant] verdachte was op het moment van zijn aanhouding verandert niet doordat er een vrijspraak volgde. Op de zitting bij de Afdeling heeft de minister verder toegelicht dat in het geval van een vrijspraak de gegevens alleen gerectificeerd worden als de officier van justitie een afloopbericht stuurt waaruit volgt dat dit moet gebeuren. In het geval van [appellant] is er geen afloopbericht gestuurd. Ook is niet bekend of dat had moeten gebeuren. Daardoor is niet bekend of [appellant] ten onrechte als verdachte is aangemerkt of dat hij vanwege een andere reden is vrijgesproken.
4.6. Niet gebleken is dat de gegevens van [appellant] in het HKS onjuist zijn. Daarom is de Afdeling van oordeel dat hij geen recht heeft op rectificatie van zijn gegevens. [appellant] heeft wel recht op aanvulling van zijn gegevens. Uit hoofdstuk 3-26 Sepot van het Landelijk afsprakenboek HKS volgt dat een vrijspraak in het HKS wordt toegevoegd bij het antecedent. In het Landelijk afsprakenboek HKS staat dat het daardoor duidelijk is dat er een rechterlijke uitspraak is en dat er met meer duidelijkheid bij inzageverzoeken kan worden aangegeven dat op grond van de circulaire afloopberichten sprake is of kan zijn van een mate van verdachte als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, dan wel van onvoldoende bewijs. Op grond van het Landelijk afsprakenboek HKS had de minister de gegevens van [appellant] dus moeten aanvullen en daarbij moeten vermelden dat er sprake is van vrijspraak, ook zonder afloopbericht van de officier van justitie. De minister heeft het verzoek van [appellant] om aanvulling van zijn gegevens dan ook ten onrechte geweigerd.
4.7. Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit van 22 augustus 2023 vernietigen wegens strijd met artikel 28, eerste lid, van de Wpg, voor zover de minister daarin heeft geweigerd om de gegevens aan te vullen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het verzoek van [appellant] om aanvulling van zijn gegevens wordt ingewilligd en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. De minister moet de aanvulling feitelijk in het HKS verwerken.
6. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024 in zaak nr. 23/6594;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Defensie van 22 augustus 2023, kenmerk KMAR 2023007087, gegrond;
IV. vernietigt dat besluit voor zover de minister van Defensie het verzoek van [appellant] om aanvulling van zijn gegevens in het Herkenningsdienst Systeem van de Koninklijke Marechaussee heeft afgewezen;
V. bepaalt dat het verzoek van [appellant] om aanvulling van zijn gegevens wordt ingewilligd;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 22 augustus 2023;
VII. veroordeelt de minister van Defensie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 48,10;
VIII. gelast dat de minister van Defensie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamperman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
1000