202307881/1/R1.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Dijk van een Delta, gevestigd in Veenendaal,
appellante,
en
de raad van de gemeente Buren,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Ommeren, Ommerenveldseweg 69-71" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft Stichting Dijk van een Delta beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K3Delta B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Stichting Dijk van een Delta heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 22 april 2026, waar Stichting Dijk van een Delta, vertegenwoordigd door [gemachtigde 1] , en de raad, vertegenwoordigd door [gemachtigde 2], zijn verschenen. Verder is op de zitting K3Delta, vertegenwoordigd door H. Hooijer, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat in Nijmegen, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 18 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan ligt in het Lingemerengebied en voorziet in de realisatie van een recreatieterrein met een aantal natuurhuisjes en een nieuw horecagebouw. Het overige deel van de ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe natuur. Stichting Dijk van een Delta is het niet eens met het plan, omdat zij vreest voor aantasting van de verkeersveiligheid en milieuvervuiling.
Ontvankelijkheid
2.1. De Afdeling stelt vast dat Stichting Dijk van een Delta geen zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht. Niet gebleken is dat haar dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zou het beroep van Stichting Dijk van een Delta daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Maar in haar uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3-4.8, heeft de Afdeling, tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de voorbereidingsprocedure neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. Voor het antwoord op de vraag of het beroep van Stichting Dijk van een Delta ontvankelijk is, is dus beslissend of zij belanghebbende is. Daarom zal de Afdeling dit hierna onder 2.2 tot en met 2.5 beoordelen.
2.2. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Stichting Dijk van een Delta komt - samengevat en in de kern weergegeven - volgens haar doelstelling, zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van haar statuten, op voor landschappelijk verantwoorde recreatieontwikkelingen in het rivieren- en dijkengebied van de Nederlandse Delta. Dit doel is gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.
2.3. Naast deze algemene statutaire doelstelling van de stichting is, om te kunnen bepalen of haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, van belang of de stichting met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116, moet bij de beoordeling of een belangenorganisatie feitelijke werkzaamheden verricht, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld. Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn als de continuïteit van de activiteiten ter beoordeling voorligt. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3431, onder 2.4.
Verder geldt dat het alleen voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Ook werkzaamheden die verband houden met het voeren van juridische procedures, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835, 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:373, en 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:808.
2.4. Uit de stukken met gegevens over de feitelijke werkzaamheden die de stichting op verzoek van de Afdeling heeft toegezonden blijkt niet dat de stichting feitelijke werkzaamheden met het oog op de behartiging van haar doelstelling in de relevante periode heeft verricht. Ook uit het op de zitting door de stichting toegelichte rapport ‘Werk aan de winkel’ kunnen geen feitelijke werkzaamheden worden afgeleid. Gelet op het vorenstaande is het de Afdeling niet gebleken dat de stichting krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belangen in het bijzonder behartigt in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.
2.5. De conclusie is dat Stichting Dijk van een Delta geen belanghebbende is bij de vaststelling van het plan. Daarom is de stichting niet-ontvankelijk in haar beroep. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dit beroep.
Conclusie beroep
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Proceskosten
4. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
647-1168