ECLI:NL:RVS:2026:3052

ECLI:NL:RVS:2026:3052

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202204444/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 20 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen het verzoek van [appellant] van 16 april 2020 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob) afgewezen. [appellant] was directeur en enig aandeelhouder van Zwembad Tubbergen B.V., welke vennootschap op 28 juni 1995 failliet is verklaard. In deze vennootschap exploiteerde hij een zwembad in de gemeente Tubbergen in samenwerking met de gemeente. Na het faillissement heeft de gemeente Tubbergen het zwembad middels een daartoe opgerichte stichting verworven en voortgezet. Tussen [appellant] en het college speelt al jarenlang een conflict over de gang van zaken en de besluitvorming rondom het zwembad in Tubbergen. Deze zaak gaat over de besluitvorming van het college op verzoeken van [appellant] op grond van de Wob. De rechtbank heeft overwogen dat het college ten aanzien van de negen expliciet beschreven documenten in het verzoek van [appellant] van 16 april 2020 onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze documenten niet of niet meer onder het college berusten. De rechtbank is van oordeel dat het college per document had moeten aangeven of dat document al openbaar is, of eerder over de openbaarmaking van dit document is beslist, of het document is vernietigd of dat het document niet kan worden gevonden.

Uitspraak

202204444/1/A3.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant], wonend in [woonplaats] (Duitsland),

2. het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 juni 2022 in zaken nrs. 21/1241 en 21/1558 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] van 16 april 2020 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob) afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] van 21 januari 2021 deels afgewezen omdat dit niet als verzoek op grond van de Wob kan worden aangemerkt en twee inventarislijsten openbaar gemaakt.

Bij besluit van 24 juni 2021 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2020 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en besloten een nieuw besluit te nemen. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2021 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 juli 2021 heeft het college op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie van 19 april 2021 beslist en documenten openbaar gemaakt.

Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar is als rechtstreeks beroep doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 15 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard voor zover dat ziet op het verzoek van 16 april 2020, het besluit van 24 juni 2021 in zoverre vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 24 juni 2021 voor het overige ongegrond verklaard en het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 22 juli 2021 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 27 juli 2022 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met de zaak met nummer 202500136/1/A3, op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.T.M. Vroklage en mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaten in Enschede, en mr. C.E.J.M. Vertegaal-Kerssemakers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (de Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 24 juni 2021, dus voor 1 mei 2022. Het andere besluit dat in deze zaak ter beoordeling staat is genomen op 22 juli 2021, ook voor 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is.

2. [appellant] was directeur en enig aandeelhouder van Zwembad Tubbergen B.V., welke vennootschap op 28 juni 1995 failliet is verklaard. In deze vennootschap exploiteerde hij een zwembad in de gemeente Tubbergen in samenwerking met de gemeente. Na het faillissement heeft de gemeente Tubbergen het zwembad middels een daartoe opgerichte stichting verworven en voortgezet. Tussen [appellant] en het college speelt al jarenlang een conflict over de gang van zaken en de besluitvorming rondom het zwembad in Tubbergen. Deze zaak gaat over de besluitvorming van het college op verzoeken van [appellant] op grond van de Wob.

Voorgeschiedenis

3. Bij brief van 20 december 2014 heeft [appellant] het college voor het eerst verzocht om op grond van de Wob een aantal documenten openbaar te maken die gaan over ‘het faillissement van Zwembad Tubbergen B.V. en de gemeente Tubbergen’. Bij besluit van 5 januari 2015 heeft het college een aantal documenten openbaar gemaakt. Bij datzelfde besluit is het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van het verslag van de raadsvergadering van 19 juni 1995 geweigerd, omdat de gemeenteraad op grond van de Gemeentewet geheimhouding op het verslag heeft gelegd. Over de overige door [appellant] gevraagde stukken heeft het college aangegeven dat het, voor zover deze nog niet openbaar zijn gemaakt, hier niet over beschikt.

3.1. Op 7 januari 2015 heeft [appellant] verzocht om de geheimhouding op het verslag van de raadsvergadering op te heffen en dit verslag openbaar te maken. [appellant] heeft daarbij ook inzage verzocht in het complete dossier over de voorgeschiedenis en de oprichting van het Zwembad Tubbergen B.V., de tussentijdse verslagen en het aanvragen van het faillissement.

3.2. Bij besluit van 10 maart 2015 heeft het college het verslag van 19 juni 1995 openbaar gemaakt, nadat de gemeenteraad de geheimhouding heeft opgeheven. Daarnaast heeft het college zeven dossiers openbaar gemaakt die betrekking hebben op het zwembad in Tubbergen. Het college heeft daarbij aangegeven dat hiermee alle documenten openbaar zijn gemaakt en het niet over meer informatie beschikt.

3.3. Op 1 mei 2018 heeft [appellant] op grond van de Wob het college verzocht om een aantal specifieke documenten openbaar te maken die volgens hem ontbreken. Bij besluit van 8 juni 2018 heeft het college dat verzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) afgewezen omdat volgens het college sprake is van een herhaalde aanvraag en [appellant] geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen.

3.4. Tegen de besluiten van 5 januari 2015, 10 maart 2015 en 8 juni 2018 heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend.

Het besluit van 20 mei 2020

4. Op 16 april 2020 heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van de volgende documenten:

- het verslag van de vergadering t.a.v. de tweede overeenkomst met aangepaste eisen voor het besluit van 9 december 1991;

- de gentlemanagreement overeenkomst tussen de Burgemeester en de heren [persoon 1] en [persoon 2] van de Provincie Overijssel november/december 1994, waarbij de gemeente de totale IPR kon behouden;

- het schriftverkeer, correspondentie, opdracht en overeenkomst tussen gemeente, advocatenkantoor Kienhuis en het onderzoeksbureau NRIT, december 1994 en 1995;

- het gespreksverslag van de wethouders namens de gemeente met eisers personeel, o.a. het tweede gesprek maart 1995 en toezeggingen die de heer Wenneger, namens het college aan het personeel heeft gedaan;

- schriftverkeer tussen de Belastingdienst voor de aanvraag faillissement;

- schriftverkeer tussen de Belastingdienst en de gemeente in 1998 over eiser;

- alle ontbrekende stukken van de curator naar de rechtercommissaris;

- alle ontbrekende stukken voor de oprichting van de Stichting;

- de ontbrekende akte van levering d.d. 6 september nr. 17792 van de notarisovereenkomst tussen de curator en de burgemeester.

4.1. Het college heeft in het besluit van 20 mei 2020 onder verwijzing naar de hierboven genoemde besluiten van 5 januari 2015, 10 maart 2015 en 8 juni 2018 aangegeven dat [appellant] geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen en dat het college niet in het bezit is van meer documenten om openbaar te maken dan reeds aan [appellant] zijn verstrekt.

Het besluit van 31 maart 2021

5. Bij e-mail van 21 januari 2021 heeft [appellant] onder overlegging van een lijst van onroerende goederen verzocht om het volgende:

- Kopie opdracht voor kopen en van welk bedrijf;

- Wie heeft (wethouder of burgemeester) opdracht gegeven tot kopen;

- Wie heeft (ambtenaar) deze taak uitgevoerd;

- Kopie levering (datum) aan welk adres en wie heeft de onroerende zaken aangenomen;

- Kopie betaling (via welke ambtenaar) en via welke rekening gemeente;

- Kopie bewijs aan welk rekeningnummer betaald is van welk bedrijf.

5.1. Daarbij heeft [appellant] aangegeven dat het verzoek ziet op roerende goederen die in bezit van de gemeente zijn genomen in de periode van 1992 tot 1995 en zijn gebruikt door het zwembad aan de Sportlaan te Tubbergen.

5.2. Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college besloten dat de eerste vier onderdelen van het verzoek niet kwalificeren als verzoek op grond van de Wob, omdat hiermee slechts wordt verzocht om antwoorden op vragen. Verder heeft het college aangegeven dat het geen betaalbewijzen, rekeningen of andere stukken heeft aangetroffen van de betaling die op 6 september 1995 door de gemeente aan de curator zijn gedaan. Het onderhandse stuk dat in de leveringsakte van 6 september 1995 wordt genoemd heeft het college ook niet aangetroffen. Het college heeft wel twee taxatierapporten van 30 juni 1995 over het faillissement van Zwembad Tubbergen B.V. aangetroffen. Deze rapporten heeft het college openbaar gemaakt.

Het besluit van 24 juni 2021

6. Tegen de besluiten van 20 mei 2020 en 31 maart 2021 heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 20 mei 2020 gegrond verklaard. In het besluit van 24 juni 2021 heeft het college aangegeven dat het alsnog een map heeft gevonden met 34 documenten die onder het Wob-verzoek van 16 april 2020 vallen. Deze stukken zijn alsnog openbaar gemaakt. Het college heeft verder bij de notaris een afschrift van de inventarislijst bij de leveringsakte opgevraagd en deze alsnog openbaar gemaakt. Het college heeft aangegeven dat hiernaast geen andere documenten zijn aangetroffen die onder de reikwijdte van het verzoek vallen.

6.1. Daarnaast heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 31 maart 2021 in het besluit van 24 juni 2021 ongegrond verklaard, omdat niet meer documenten zijn aangetroffen dan reeds door het college zijn verstrekt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat nog meer documenten bij het college aanwezig moeten zijn, aldus het college.

Uitspraak van de rechtbank

7. De rechtbank heeft overwogen dat het college ten aanzien van de negen expliciet beschreven documenten in het verzoek van [appellant] van 16 april 2020 onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze documenten niet of niet meer onder het college berusten. De rechtbank is van oordeel dat het college per document had moeten aangeven of dat document al openbaar is, of eerder over de openbaarmaking van dit document is beslist, of het document is vernietigd of dat het document niet kan worden gevonden. In dat laatste geval moet het college ook aangeven welke zoekslag het heeft verricht. De rechtbank is verder van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het verzoek van 21 januari 2021 niet als Wob-verzoek kan worden aangemerkt voor zover [appellant] daarin verzoekt om antwoorden op vragen. Voor zover [appellant] in dit verzoek om openbaarmaking van informatie heeft verzocht, acht de rechtbank de stelling van het college dat het niet beschikt over de eigendomsbewijzen van de roerende zaken die ten tijde van de overname bij het zwembad aanwezig waren, gelet op de gegeven toelichting op zitting, niet ongeloofwaardig. Ten aanzien van deze documenten overweegt de rechtbank dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer documenten onder het college berusten of hadden behoren te berusten. Dit geldt volgens de rechtbank ook voor het verzoek van [appellant] van 19 april 2021 en de daarin genoemde documenten over de periode in 1991 met betrekking tot de voorlopige samenwerking van de gemeente en de Firma Aqua Indoor. Tot slot heeft de rechtbank het college veroordeelt in de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van €2.388,40 in verband met de door [appellant] gemaakte reiskosten.

De hoger beroepen

Het hoger beroep van [appellant]

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college over meer documenten beschikt. Dat er meer documenten moeten zijn blijkt volgens [appellant] onder meer uit de omstandigheid dat het college in 2021 nog een groot aantal documenten heeft aangetroffen die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Hierdoor acht [appellant] het standpunt van het college dat er niet meer documenten zijn ongeloofwaardig. Verder voert [appellant] aan dat de oud-burgemeester van Tubbergen heeft verklaard dat ‘alles in de gemeente wordt vastgelegd’. Dit is ook een aanwijzing dat er meer documenten zouden moeten zijn. [appellant] stelt verder dat het te lang heeft geduurd voordat het college de documenten openbaar heeft gemaakt omdat alle documenten al direct in 2015 hadden moeten worden verstrekt. Daarnaast heeft het college niet tijdig en niet op de juiste wijze aan de opdracht van de rechtbank voldaan. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte niet de kosten voor de overnachting heeft betrokken bij de berekening van de hoogte van de proceskosten. De werkelijke proceskosten bedragen volgens hem € 6.522,00.

Beoordeling van het hoger beroep van [appellant]

Omvang van het geschil

9. Partijen hebben geen gronden gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het college ten aanzien van de in het verzoek van 16 april 2020 genoemde documenten, nader moet motiveren of deze documenten onder het college berusten. Dit oordeel is dus niet in geschil. In het besluit van 27 juli 2022 heeft het college per document een nadere motivering gegeven. Tegen dit besluit heeft [appellant] gronden gericht. De Afdeling zal die gronden verder onder 16 bespreken. In die beoordeling zal de Afdeling ook de grond van [appellant] betrekken dat het college niet tijdig aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan.

9.1. Verder kan de Afdeling in deze zaak geen oordeel geven over de besluiten van het college uit 2015. Deze besluiten zijn namelijk geen onderdeel van dit geding. [appellant] heeft bovendien destijds geen rechtsmiddelen tegen deze besluiten aangewend. Hierdoor zijn deze besluiten in rechte onaantastbaar geworden, zodat in deze procedure van de rechtmatigheid ervan wordt uitgegaan.

Berusten meer documenten onder het college?

10. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer informatie onder het college berust dan al aan hem is verstrekt. Dit betoog ziet op zijn verzoeken van 21 januari 2021 en van 19 april 2021.

10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1388, onder 10.

10.2. Het college heeft ten aanzien van het verzoek van 21 januari 2021 toegelicht dat geen betaalbewijzen, rekeningen of andere bewijsstukken van de op 6 september 1995 door de gemeente aan de curator gedane betaling zijn aangetroffen en dat het ook niet beschikt over het in de leveringsakte van 6 september 1995 genoemde onderhandse stuk met omschrijving van de aangetroffen roerende zaken. Het college beschikt slechts over de twee openbaar gemaakte, bij de taxatierapporten van makelaar G.F. Hagels van 30 juni 1995 behorende, lijsten met roerende goederen.

10.3. Ten aanzien van het verzoek van 19 april 2021 heeft het college aangegeven dat [appellant] heeft verzocht om documenten uit 1991 over de voorlopige samenwerking tussen de gemeente en Aqua Indoor B.V. Het college heeft een zoekslag uitgevoerd naar de documenten die aan het verzoek voldoen. In het dossier zijn geen verslagen van gesprekken in 1991 als verzocht aangetroffen. Alle documenten die onder dit Wob-verzoek vallen zijn door het college openbaar gemaakt.

10.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten zijn die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Daarvoor is de enkele stelling dat de oud-burgemeester van Tubbergen heeft verklaard dat alle informatie in de gemeente wordt vastgelegd, onvoldoende. De stelling van [appellant] dat er meer documenten zijn die onder de reikwijdte van zijn verzoeken van 21 januari 2021 en 19 april 2021 vallen doordat het college in 2021 aanvullende documenten openbaar heeft gemaakt, volgt de Afdeling niet. De 34 documenten die het college in 2021 alsnog openbaar heeft gemaakt hebben betrekking op het verzoek van [appellant] van 16 april 2020. Deze documenten vallen dus niet onder de reikwijdte van de verzoeken van 21 januari 2021 en 19 april 2021. [appellant] heeft verder niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank hierover onjuist is.

10.5. Het betoog slaagt niet.

Proceskosten

11. [appellant] heeft pas na de zitting bij de rechtbank de door hem gemaakte proceskosten nader onderbouwd met stukken. De rechtbank heeft [appellant] bij brief van 28 juni 2022 geïnformeerd dat het beroep al op een zitting is behandeld en de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. De na de sluiting van het onderzoek toegezonden stukken geven volgens de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Dit betekent dat de rechtbank geen kennis meer heeft genomen van deze stukken. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank de hoogte van de proceskosten, nu die op dat moment niet nader door [appellant] waren onderbouwd, op de juiste wijze heeft berekend.

11.1. Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroep [appellant]

12. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond.

Beoordeling van het hoger beroep van het college

Proceskosten

13. Het hoger beroep van het college is uitsluitend gericht tegen de veroordeling van het college tot vergoeding van de proceskosten. Daarover betoogt het college allereerst dat de rechtbank het college ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte reiskosten. Het college wijst erop dat een verzoek om vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. [appellant] heeft echter pas tijdens de zitting bij de rechtbank verzocht om vergoeding van de reiskosten in de bezwaarfase, aldus het college. Daarnaast betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant] ten tijde van de hoorzitting en de zitting in beroep in Spanje woonde, waardoor de reiskosten te hoog zijn vastgesteld. Volgens het college woonde [appellant] op dat moment in Duitsland. Op alle rekeningen die [appellant] naar de gemeente stuurt, vermeldt hij zijn adres in Duitsland. Het adres in Spanje is slechts een postadres, en geen woonadres. Verder betoogt het college dat de rechtbank hem ten onrechte geen gelegenheid voor wederhoor heeft gegeven, omdat zij tijdens de zitting heeft toegezegd dat zij het college in de gelegenheid zou stellen om te reageren op het verzoek om vergoeding van de reiskosten. Het college stelt zich op het standpunt dat het hierdoor benadeeld is, waardoor de uitspraak in zoverre vernietigd moet worden.

13.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [appellant] heeft op 31 mei 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 20 mei 2020. Daarin heeft [appellant] niet verzocht om vergoeding van de proceskosten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank echter in de e-mail van 24 april 2021, al dan niet met aanvulling van de rechtsgronden, terecht gelezen dat [appellant] om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten heeft verzocht. Dit verzoek is gedaan voordat het college op 24 juni op 2021 op zijn bezwaar heeft beslist en het besluit van 16 april 2020 heeft herroepen. De rechtbank heeft daarom terecht het college veroordeeld tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte reiskosten.

13.2. Het betoog slaagt niet.

13.3. Omdat de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond heeft verklaard, is het college veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op een bedrag van € 2.388,40, volledig toe te rekenen aan de reiskosten die [appellant] heeft gemaakt om de hoorzitting in bezwaar en de zitting bij de rechtbank bij te kunnen wonen. Bij de berekening van de proceskosten is de rechtbank ervan uitgegaan dat [appellant] op dat moment in Spanje woonde en van Spanje naar Nederland heeft moeten reizen om de hoorzitting en de zitting bij te wonen.

13.4. De Afdeling is van oordeel dat wat het college naar voren heeft gebracht geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de wijze waarop de rechtbank de proceskostenveroordeling heeft vastgesteld, daarbij uitgaande van een woonplaats in Spanje. De Afdeling stelt vast dat [appellant] de rechtbank op 1 december 2021 heeft bericht dat hij toekomstige correspondentie op een adres in Spanje wenst te ontvangen. [appellant] heeft hierover toegelicht dat hij in die periode op aanraden van een arts voor medische redenen zijn hoofdverblijf in Spanje had. Dit wordt ondersteund door een verklaring van zijn dermatoloog. De Afdeling stelt verder vast dat de rechtbank meerdere brieven heeft verzonden aan [appellant], gericht aan het door hem opgegeven adres in Spanje. De Afdeling kan niet uit het dossier opmaken dat zich bij [appellant] problemen hebben voorgedaan met de ontvangst van deze brieven. Het college heeft gewezen op meerdere afschriften waaruit volgens het college blijkt dat [appellant] staat ingeschreven op een adres in Duitsland. Wat daar ook van zij, deze afschriften dateren allemaal van ná de datum van de uitspraak van de rechtbank. Hieraan kan daarom niet de waarde worden gehecht die het college daaraan gehecht wenst te zien.

13.5. De Afdeling merkt verder nog op dat zij vandaag ook uitspraak doet in de zaak met nummer 202500136/1/A3, over andere verzoeken die [appellant] op grond van de Wet open overheid heeft ingediend bij het college (zie de uitspraak van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2947). Daaruit volgt dat de rechtbank in haar in die zaak aangevallen uitspraak van 4 december 2024 heeft overwogen dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dat moment in Pinoso, Spanje, woonde en dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding van de reis- en verblijfkosten vanuit Spanje. Vervolgens heeft de rechtbank het college in de proceskosten veroordeeld en zijn de reiskosten van [appellant] berekend vanaf zijn verblijfplaats in Spanje. In die procedure heeft het college geen hoger beroep ingesteld tegen de proceskostenveroordeling. De Afdeling heeft er, zoals ook op de zitting is besproken, mede om die reden geen begrip voor dat het college het hoger beroep in de onderhavige procedure tegen de proceskostenveroordeling na de rechtbankuitspraken van 4 december 2024 heeft gehandhaafd.

13.6. Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroep college

14. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak bevestigen, voor zover aangevallen.

15. Het college moet de proceskosten vergoeden. Deze bestaan uit de reis- en verblijfkosten die [appellant] heeft gemaakt om de zitting bij de Afdeling te kunnen bijwonen, vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en uitgaande van één overnachting.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 27 juli 2022

16. Bij besluit van 27 juli 2022 heeft het college het besluit van 24 juni 2021 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

16.1. Bij besluit van 27 juli 2022 heeft het college per document dat [appellant] in zijn verzoek van 16 april 2020 heeft genoemd, gemotiveerd of het verzochte document al openbaar is, of het college al eerder op het verzoek is beslist, of stukken zijn vernietigd en of stukken niet kunnen worden gevonden. In dat laatste geval heeft het college ook aangegeven welke zoekslag het heeft verricht.

16.2. Bij brieven van 25 september 2022, 22 november 2022 en 14 februari 2024 heeft [appellant] op het besluit van 27 juli 2022 gereageerd. [appellant] stelt dat het college nog steeds niet alle documenten heeft verstrekt die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Daarover voert [appellant] aan dat het college bewust jarenlang documenten heeft achtergehouden. [appellant] stelt dat het college hierdoor onrechtmatig handelt. Volgens [appellant] zijn ten onrechte documenten uit het archief vernietigd. Dat is door een oud- medewerker van de gemeente aan hem bevestigd.

16.3. Zoals onder 10.1 is overwogen, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

16.4. De Afdeling is van oordeel dat het college in het besluit van 27 juli 2022 uitvoerig, per document, heeft toegelicht of het desbetreffende document al openbaar is dan wel of, en zo ja, waarom, het document niet onder het college berust. Het college heeft daarbij steeds toegelicht welke zoekslag het heeft verricht. Op basis van dit onderzoek kom het college tot de conclusie dat niet meer informatie onder het college berust dan al is verstrekt. Die conclusie komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. [appellant] heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat toch meer documenten onder het college berusten.

16.5. [appellant] stelt ook dat het college zich niet aan de termijn heeft gehouden die de rechtbank heeft gegeven voor het nemen van het besluit van 27 juli 2022. De rechtbank heeft haar uitspraak gedaan op 15 juni 2022 en verzonden op dezelfde dag. De termijn voor het nemen van een nieuw besluit was binnen zes weken na verzending van de uitspraak. Dat is uiterlijk op 27 juli 2022. Het nieuwe besluit is dus precies binnen de termijn genomen.

16.6. Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep tegen het besluit van 27 juli 2022

17. Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2022 is ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juli 2022 ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 110,63.

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Venema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

973

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.S. Venema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand