ECLI:NL:RVS:2026:3053

ECLI:NL:RVS:2026:3053

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202401997/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Nederweert het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Aan Veertien 2023" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een actualisering van het planologische regime voor het bedrijventerrein Aan Veertien. Op basis van nieuwe ontwikkelingen op het bedrijventerrein heeft de raad besloten het terrein uit te breiden en gereed te maken voor de toekomst. Het recyclingbedrijf Kargro is gevestigd binnen het plangebied aan de Kanaaldijk 14. Zij kan het om verschillende redenen niet eens zijn met het plan voor zover dit betrekking heeft op haar perceel. Haar perceel behelst de twee kadastrale percelen gemeente Nederweert, sectie M, nummers 1863 en 2172. Kargro voert aan dat de bouwhoogte in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Gelet op artikel 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels in combinatie met de verbeelding is ten onrechte geen maximale bouwhoogte van 15 meter voor haar hele perceel opgenomen. Daardoor wordt zij in de toekomst onnodig in haar bouwmogelijkheden beperkt. In dat verband wijst Kargro erop dat voor onder meer de percelen van Stichting Vergunningen Kanaaldijk 10 Nederweert wel een maximale bouwhoogte van 15 meter geldt.

Uitspraak

202401997/1/R1.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak in het geding tussen:

Kargro Recycling B.V., gevestigd in Nederweert,

appellante,

en

de raad van de gemeente Nederweert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Aan Veertien 2023" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Kargro Recycling beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Kargro heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2026, waar Kargro Recycling, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door [persoon A] en [persoon B], en de raad, vertegenwoordigd door ing. M.H.M. Houtappels, bijgestaan door [persoon C], zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 15 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan voorziet in een actualisering van het planologische regime voor het bedrijventerrein Aan Veertien. Op basis van nieuwe ontwikkelingen op het bedrijventerrein heeft de raad besloten het terrein uit te breiden en gereed te maken voor de toekomst.

Het recyclingbedrijf Kargro is gevestigd binnen het plangebied aan de Kanaaldijk 14. Zij kan het om verschillende redenen niet eens zijn met het plan voor zover dit betrekking heeft op haar perceel. Haar perceel behelst de twee kadastrale percelen gemeente Nederweert, sectie M, nummers 1863 en 2172.

3. Ter plaatse van de percelen Kanaaldijk 14 geldt de bestemming "Bedrijventerrein" en dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 4." Voor de om het bouwvlak gelegen strook met bestemming "Water" geldt de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone watergang."

Relevante wettelijke bepalingen

4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Bouwhoogte

6. Kargro voert aan dat de bouwhoogte in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Gelet op artikel 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels in combinatie met de verbeelding is ten onrechte geen maximale bouwhoogte van 15 meter voor haar hele perceel opgenomen. Daardoor wordt zij in de toekomst onnodig in haar bouwmogelijkheden beperkt. In dat verband wijst Kargro erop dat voor onder meer de percelen van Stichting Vergunningen Kanaaldijk 10 Nederweert wel een maximale bouwhoogte van 15 meter geldt.

6.1. De raad heeft toegelicht dat in het plan overeenkomstig de plantoelichting uitvoering wordt gegeven aan de motie "Aan Veertien" van de raad van 28 mei 2019. Het doel van de motie is het afschalen van de (zware) bedrijvigheid vanwege de milieu impact. In het licht daarvan is een intensivering van het terrein met een generieke bouwhoogte van 15 meter niet wenselijk. Voor de toegestane bouwhoogte is daarom aangesloten bij de bestaande en vergunde bebouwing. Bovendien is het bedrijventerrein onderdeel van een buitengebied, waardoor de raad gelet op de ruimtelijke uitstraling terughoudend is met het toestaan van hogere bouwhoogtes. Eventuele afwijkingen van de maximaal toegestane bouwhoogtes zijn overeenkomstig de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 3.4.1 mogelijk, aldus de raad.

6.2. De Afdeling overweegt dat de raad de belangen van Kargro zorgvuldig heeft afgewogen en het plan voor zover het de maximaal toegestane bouwhoogtes betreft, heeft mogen vaststellen. Hiervoor acht de Afdeling de door de raad gegeven toelichting en het volgende van belang.

Op de zitting is vastgesteld dat Kargro, in tegenstelling tot

Stichting Vergunningen Kanaaldijk 10 Nederweert, geen bouwplannen heeft ingediend voor het moment van vaststelling van het plan, waardoor de raad geen rekening heeft hoeven houden met een concreet bouwinitiatief voor het perceel van Kargro. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat Kargro een hogere bouwhoogte voor de toekomst zeker wil stellen met het oog op flexibiliteit. De raad stelt dat het vorige bestemmingsplan het uitgangspunt is geweest voor dit plan en dat daarvan in beginsel niet wordt afgeweken. De Afdeling overweegt dat de raad dit als uitgangspunt heeft mogen nemen. Het perceel van Kargro ligt namelijk in een overgangszone naar het buitengebied. Bovendien moet er nog ruimtelijk onderzoek naar de eventuele toekomstige intensivering van het gebruik plaatsvinden. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat een generieke bouwhoogte van 15 meter op het perceel van Kargro niet wenselijk is in het licht van de motie en het afschalen van de bedrijvigheid.

Het betoog slaagt niet.

Rechtszekerheid

7. Kargro betoogt dat de nadere-eisenregeling in artikel 3.3 van de planregels gelet op de ruime formulering ervan in strijd is met de rechtszekerheid. Bovendien is artikel 8.4.1 in samenhang met artikel 8.4.2 in strijd met de rechtszekerheid. Doordat in artikel 8.4.2 geen definitiebepaling voor het ‘normale onderhoud’ of de ‘normale exploitatie’ staat, is voor de gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat - beschermingszone watergang" niet duidelijk wanneer een aanlegvergunning moet worden aangevraagd, zo betoogt Kargro. Tot slot stelt Kargro dat artikel 3.2.6 in strijd is met de rechtszekerheid door het ontbreken van een definitie van het begrip ‘schoorsteen.’ Daarmee is onduidelijk of de bestaande emissiepunten moeten worden beschouwd als bedrijfsschoorstenen in de zin van artikel 3.2.6 en of zij voldoen aan de toegestane maximale bouwhoogte, zo heeft Kargro op de zitting toegelicht.

7.1. De raad heeft aangegeven dat de nadere eisen in artikel 3.3 voldoende zijn toegespitst op specifieke gevallen en heeft toegelicht dat zo’n planregeling gebruikelijk is in bestemmingsplannen van de gemeente. Over artikel 8.4.1 heeft de raad naar voren gebracht dat dit artikel op zichzelf al voldoende zekerheid verschaft over wanneer een aanlegvergunning nodig is. Voor het begrip ‘bedrijfsschoorsteen’ in artikel 3.2.6 volgt uit de definitiebepalingen van ‘bouwwerk’ en ‘gebouw’ aan welke planregels een schoorsteen of een emissiepunt moet voldoen, zo stelt de raad. Hiervoor is aangesloten bij de bestaande situatie.

7.2. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat voornoemde artikelen van de planregels rechtsonzeker zijn. De Afdeling zet dat hierna uiteen voor respectievelijk artikel 3.3, artikel 8.4.1 en tot slot artikel 3.2.6.

7.3. Volgens artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het bevoegd gezag met inachtneming van de bij het plan te geven regels ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kan stellen. De Afdeling stelt allereerst vast dat artikel 3.3 daar toepassing aan beoogt te geven. De nadere eisen kunnen volgens artikel 3.3 worden gesteld aan de situering en afmetingen van bebouwing en bouwpercelen, de situering van ontsluitingswegen, parkeren op eigen terrein en het afkoppelen van hemelwater en de situering van waterhuishoudelijke voorzieningen. Deze aspecten worden overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro in het plan geregeld. Vervolgens staan in artikel 3.3 onder 1 tot en met 6 voorwaarden opgesomd waaronder van de regeling gebruik kan worden gemaakt. Wat Kargro over die voorwaarden aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 3.3 in het licht van artikel 3.6 van de Wro onvoldoende objectief is begrensd. Daarbij is van belang dat de nadere eisen onder meer niet zo ver mogen strekken dat afbreuk wordt gedaan aan de algemene bouw- en gebruiksmogelijkheden die het plan biedt. De onder 1 opgenomen voorwaarde vormt daarvan juist een waarborg.

Artikel 8.4.1 behelst een verbod om zonder vergunning (aanlegvergunning) bepaalde werkzaamheden uit te voeren op gronden met de bestemming "Waterstaat-Beschermingszone watergang". In artikel 8.4.2 is geregeld dat dit verbod niet van toepassing is op (onder andere) werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen. Het hanteren van zo’n uitzondering voor het normale onderhoud en de normale exploitatie is niet ongebruikelijk. Het feit dat deze begrippen niet zijn gedefinieerd, maakt deze planregeling naar het oordeel van de Afdeling niet rechtsonzeker. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat onder het normale onderhoud ook het opgraven van gasleidingen valt, als aan die gasleidingen onderhoud moet worden gepleegd. Deze uitleg komt de Afdeling juist voor.

Tot slot overweegt de Afdeling dat in de planregels inderdaad geen omschrijving gegeven is voor het begrip ‘schoorsteen’. Naar het oordeel van de Afdeling is dat ook niet nodig omdat artikel 3.2.6, onder b, voldoende duidelijkheid geeft over de toegestane bouwhoogte voor bedrijfsschoorstenen. Hieruit volgt namelijk dat voor de bedrijfsschoorstenen die al dan niet op gebouwen staan een maximale hoogte van 15 meter geldt, gemeten vanaf het peil. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, die geen erfafscheidingen of lichtmasten ter plaatse van de aanduiding "specifiek bouwaanduiding-1" zijn, geldt volgens artikel 3.2.5, aanhef en onder d, ook een maximale bouwhoogte van 15 meter. In zoverre maakt het dan ook niet uit of een emissiepunt in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, een bedrijfsschoorsteen is of niet, omdat hiervoor de maximale bouwhoogte geldt van 15 meter.

De betogen slagen niet.

Bouwafstand

8. Kargro voert aan dat de raad voor haar meest noordelijk gelegen gebouw I ten onrechte overeenkomstig artikel 3.2.2, aanhef en onder b, van de planregels een minimale bouwafstand van 5 meter tot aan zijdelingse en achterste perceelgrenzen heeft opgenomen. Gebouw I staat namelijk binnen 5 meter tot aan de zijdelingse perceelsgrens. Gelet daarop kan dit gebouw niet zonder meer onder overgangsrecht worden gebracht. Daarbij zijn haar belangen onvoldoende onderkend en afgewogen.

8.1. De raad heeft op de zitting erkend dat het niet de bedoeling is geweest om voor gebouw I de minimale bouwafstand van 5 meter te hanteren. Het gaat namelijk om een bestaand legaal gebouw. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Archeologie

9. Kargro stelt verder dat de raad eerst zorgvuldiger voor haar terrein moest inventariseren waar eventuele waardevolle archeologische vondsten zich bevinden, voordat de dubbelbestemming "Waarde —Archeologie" kan worden toegekend aan haar perceel. Daarbij is van belang dat er ernstige roeringen hebben plaatsgevonden in het naastgelegen kanaal en dat haar gehele perceel gedurende vele decennia is bebouwd en verhard en is voorzien van leidingtracés.

9.1. Over de dubbelbestemming "Waarde —Archeologie" heeft de raad aangegeven dat toekenning van de dubbelbestemming overeenkomstig archeologisch beleid is. Dit beleid wordt gevolgd voor nieuwe bestemmingsplannen. Bovendien kunnen de grondroeringen betrokken worden bij het archeologisch rapport dat volgens artikel 7.2.1 van de planregels door Kargro zal moeten worden opgesteld bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen.

9.2. Over de dubbelbestemming "Waarde —Archeologie" overweegt de Afdeling dat de raad aan de hand van de verwijzing naar beleid niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de eis in artikel 7.2.1 van de planregels van een archeologisch rapport door Kargro overeenkomstig beleid ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft zijn onderzoeksplicht daarmee ten onrechte naar een toekomstig moment, en naar Kargro als potentiële aanvrager om een omgevingsvergunning voor bouwen doorgeschoven. De raad heeft daarmee ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom de toevoeging van de dubbelbestemming in het bestemmingsplan ten opzichte van het oude bestemmingsplan gerechtvaardigd is. Het plan is daarom op dit punt niet met de daarvoor vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Hemelwater

10. Kargro stelt dat de raad in artikel 10.2 van de planregels over hemelwater ten onrechte niet de locatie specifieke omstandigheden van haar perceel heeft betrokken. Volgens haar is de eis van afkoppeling op eigen perceel onnodig beperkend.

10.1. Over het hemelwater heeft de raad toegelicht dat ook deze planregel overeenkomstig het beleid "Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2024" is. Dat beleid is de afgelopen jaren aangescherpt vanwege hevige regenval.

10.2. De raad heeft met alleen de verwijzing naar zijn rioleringsbeleid naar het oordeel van de Afdeling de nieuwe eis voor hemelwater ten opzichte van het oude bestemmingsplan niet deugdelijk gemotiveerd. Dat de raad heeft toegelicht dat dat het afkoppelen van hemelwater op eigen terrein te maken heeft met hevige regenval, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft namelijk niet voldoende de feitelijke situatie op het terrein onderzocht en ten onrechte niet bij zijn belangenafweging betrokken. Daarmee is niet zorgvuldig onderzocht of de afkoppeling van hemelwater op het perceel van Kargro mogelijk is. Bovendien is niet onderzocht of voor dit perceel afwijking van het rioleringsbeleid passend is door het afvoeren van water op de Winnerstaatlossing. Het plan is daarom op dit punt niet met de daarvoor vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Conclusie

11. Gelet op wat de Afdeling onder 8.1, 9.2 en 10.2 heeft overwogen is het besluit van de raad van 6 februari 2024 vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Omdat de geconstateerde gebreken zich daarvoor lenen, ziet de Afdeling met het oog op een finale geschillenbeslechting aanleiding om de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om deze gebreken te herstellen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft dan nog het vóór 1 januari 2024 geldende recht van toepassing. Met het oog op de aan de orde zijnde belangen van partijen zal de Afdeling voor het herstellen van bedoelde gebreken een termijn stellen van 26 weken. De raad moet daartoe:

- artikel 3.2.2 onder b zo aanpassen dat de minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens en achterste perceelsgrens van 5 meter niet geldt voor gebouw I;

- onderzoeken en motiveren of ook gelet op de feitelijke omstandigheden op het perceel van Kargro een dubbelbestemming "Waarde —Archeologie" kan en moet worden toegekend en eventueel het bestemmingsplan hierop aanpassen;

- onderzoeken en motiveren of ook gelet op de feitelijke omstandigheden op het perceel van Kargro artikel 10.2 over hemelwater voor dit perceel kan en moet gelden en eventueel het bestemmingsplan hierop aan passen.

De raad moet de Afdeling en Kargro de uitkomst meedelen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Het door de raad te nemen besluit hoeft niet opnieuw overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

12. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Nederweert op om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 11 de daarin omschreven gebreken in het besluit van 6 februari 2024 te herstellen, en

- de Afdeling de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

647-1168

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.6

1.Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

[..];

d. burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen.

[…]

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Aan Veertien 2023"

Artikel 3.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, geen bedrijfswoningen zijnde, gelden voorts de volgende regels:

a. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;

b. De afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen moet ten minste 5 meter te bedragen.

Artikel 3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a. Bouwwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het gehele bouwvlak worden opgericht.

b. Het bepaalde onder a geldt niet voor erfafscheidingen en lichtmasten ter plaatse van de aanduiding 'specifiek bouwaanduiding - 1'.

c. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag maximaal 3 meter bedragen.

d. De bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 15 meter bedragen.

Artikel 3.2.6 Bedrijfsschoorstenen

Voor bedrijfsschoorstenen gelden de volgende regels:

a. Ze mogen uitsluitend achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan worden gebouwd.

b. De bouwhoogte van al dan niet op gebouwen staande bedrijfsschoorstenen mag maximaal 15 meter bedragen, gemeten vanaf peil.

c. In afwijking van het bepaalde onder b is/zijn ter plaatse van de aanduiding

1. 'specifieke bouwaanduiding - 2', maximaal 1 bedrijfsschoorsteen met een grotere bouwhoogte toegestaan, maar niet hoger dan 25 meter.

2. specifieke bouwaanduiding - 3', maximaal 2 bedrijfsschoorstenen met een grotere bouwhoogte toegestaan, maar niet hoger dan 20 meter.

Artikel 3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan:

a. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

b. de situering en afmetingen van bouwpercelen;

c. de situering van ontsluitingswegen;

d. parkeren op eigen terrein;

e. het afkoppelen van hemelwater en de situering van waterhuishoudelijke voorzieningen.

Een en ander met dien verstande dat:

1. deze eisen blijven binnen de in het plan neergelegde begrenzingen;

2. zulks noodzakelijk is in verband met de woonsituatie in de directe omgeving;

3. zulks noodzakelijk is in verband met het straat- en bebouwingsbeeld;

4. zulks noodzakelijk is in verband met de verkeers-, sociale- en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;

5. zulks noodzakelijk is in verband met de milieusituatie;

6. zulks noodzakelijk is in verband met de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Artikel 3.4.1 Bouwhoogte

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder a, ten behoeve van het toestaan van een grotere bouwhoogte, met dien verstande dat de overschrijding ten opzichte van de toegestane hoogte maximaal 5,00 meter bedraagt en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a.de verhoging staat ten dienste aan het eigen bedrijf en is noodzakelijk vanuit de bedrijfsvoering dan wel in verband met het treffen van duurzaamheidsmaatregelen;

b. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat;

c. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit.

Artikel 7.2.1 Omgevingsvergunning

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

a. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op de voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld;

b. een onderzoek als bedoeld in sub a is niet vereist indien naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld;

c. het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport als bedoeld onder a genoegzaam blijkt dat:

1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

2. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de bouwvergunning verbonden voorschriften.

Artikel 8.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;

b. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

Artikel 8.4.2 Uitzonderingen op verbod

Het in 8.4.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Artikel 10.2 Afkoppelen hemelwater

a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is verzekerd dat in voldoende mate op eigen terrein in het afkoppelen/infiltreren van hemelwater wordt voorzien, overeenkomstig het ‘Gemeentelijk rioleringsplan Nederweert 2017-2021’ inclusief bijbehorende bijlagen (vastgesteld d.d. 13 december 2016).

b. Indien het ‘Gemeentelijk rioleringsplan Nederweert 2017-2021’ inclusief bijbehorende bijlagen wordt gewijzigd of herzien, moet rekening worden gehouden met deze wijziging dan wel herziening.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand