ECLI:NL:RVS:2026:3056

ECLI:NL:RVS:2026:3056

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 202201917/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 12 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Blaricum aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een strandpaviljoen voor de duur van maximaal 10 jaar in het natuurgebied Voorland op het perceel [locatie] (voorheen aangeduid als Stichtseweg, ongenummerd) te Blaricum. De vergunninghoudster heeft op 19 augustus 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een tijdelijk strandpaviljoen voor de duur van maximaal tien jaar in het gebied. Het Voorland bij de Stichtse Brug, waarin het gebied is gelegen, is een natuurgebied met recreatiestrand en is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Op de locatie geldt volgens de Beheersverordening ‘Voorland Stichtse Brug’ de bestemming "Zone recreatie" met dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie lage verwachting" en "Waarde-EHS". Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning in strijd met de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 19, derde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2019 is verleend. Daartoe voert het college aan dat het tijdelijke strandpaviljoen niet tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN leidt, omdat de grond waarop het strandpaviljoen wordt geplaatst deel blijft uitmaken van het NNN-gebied.

Uitspraak

202201917/1/R4.

Datum uitspraak: 27 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Blaricum,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 17 februari 2022 in zaak nr. 21/98 in het geding tussen:

Vereniging Vrienden van het Gooi (hierna: VVG)

en

het college

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2020 heeft het college aan [vergunninghoudster] (hierna: de vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een strandpaviljoen voor de duur van maximaal 10 jaar in het natuurgebied Voorland op het perceel [locatie] (voorheen aangeduid als Stichtseweg, ongenummerd) te Blaricum (hierna: het gebied).

Bij besluit van 2 december 2020 heeft het college het door VVG daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit aangevuld.

Bij uitspraak van 17 februari 2022 heeft de rechtbank het door VVG daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 12 februari 2020 geschorst tot zes weken na de datum waarop het college een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

VVG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een door haar als incidenteel hogerberoepschrift aangeduid stuk ingediend.

Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2020 gegrond verklaard voor zover het bezwaar betrekking heeft op de herbegrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en voor het overige ongegrond verklaard.

VVG heeft gronden ingediend tegen het besluit van 21 december 2023.

Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college het besluit van 21 december 2023 gewijzigd.

Het college heeft een zienswijze gegeven op het incidenteel hoger beroep.

VVG heeft gronden ingediend tegen het besluit van 17 december 2024.

VVG en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, advocaat te Deventer, mr. H.J.M. de Jong en D.B.M. Grote Beverborg, en VVG, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde C], zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend. VVG en het college hebben nadere stukken ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen van de partijen verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 19 augustus 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. De vergunninghoudster heeft op 19 augustus 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een tijdelijk strandpaviljoen voor de duur van maximaal tien jaar in het gebied. Het Voorland bij de Stichtse Brug, waarin het gebied is gelegen, is een natuurgebied met recreatiestrand en is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: het NNN). Op de locatie geldt volgens de Beheersverordening ‘Voorland Stichtse Brug’ de bestemming "Zone recreatie" met dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie lage verwachting" en "Waarde-EHS". Het college heeft bij besluit van 12 februari 2020 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht de gevraagde omgevingsvergunning verleend. VVG is het niet eens met de verlening van de vergunning en vreest voor aantasting van het NNN.

3. De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Het hoger beroep van het college

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning in strijd met de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 19, derde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2019 (hierna: de PRV) is verleend. Daartoe voert het college aan dat het tijdelijke strandpaviljoen niet tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN leidt, omdat de grond waarop het strandpaviljoen wordt geplaatst deel blijft uitmaken van het NNN-gebied. Verder wijst het college op de door Royal Haskoning verrichte "Natuurtoets strandpaviljoen Voorland Stichtsebrug" van 25 november 2020 die ten grondslag ligt aan het besluit van 2 december 2020. Volgens het college leidt de tijdelijke plaatsing en het gebruik van het strandpaviljoen met de in de natuurtoets opgenomen maatregelen per saldo ook niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied. De maatregelen die zijn voorgesteld in de natuurtoets zijn ook opgenomen en geborgd in het inrichtings- en beheerplan van 25 november 2020 dat onderdeel uitmaakt van het besluit van 2 december 2020.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de plaatsing en het gebruik van het strandpaviljoen met een oppervlakte van circa 693 m2 op gronden binnen de begrenzing van een NNN-gebied, leidt tot een feitelijke afname van de oppervlakte van het NNN. Dat heeft het college op de zitting ook bevestigd. Het college heeft eveneens ter zitting bevestigd dat in het inrichtings- en beheerplan van 25 november 2020 geen maatregel is opgenomen die is gericht op deze vermindering van de oppervlakte als gevolg van het strandpaviljoen. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat met de onderbouwing in het besluit van 2 december 2020 niet aannemelijk is dat het door de omgevingsvergunning mogelijk gemaakte strandpaviljoen per saldo niet leidt tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit van 2 december 2020 in strijd met artikel 19, derde lid, van de PRV is genomen.

Het betoog slaagt niet.

Incidenteel hoger beroep VVG?

5. VVG heeft in haar brief van 20 juni 2022 te kennen gegeven dat zij incidenteel hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze brief kan echter niet worden aangemerkt als een incidenteel hoger beroepschrift. Voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, is niet bepalend dat daarin uitdrukkelijk is gesteld dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld, maar is bepalend of het stuk gronden bevat die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. VVG voert geen gronden aan die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze brief is dan ook geen incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb, maar moet worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting.

Conclusie hoger beroep

6. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De beroepen tegen de besluiten van 21 december 2023 en 17 december 2024

7. Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college opnieuw op het bezwaar van VVG beslist en, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2020 gegrond verklaard voor zover het bezwaar betrekking heeft op de herbegrenzing van het NNN en voor het overige ongegrond verklaard. Verder heeft het college bij het besluit twee nieuwe voorschriften verbonden aan de vergunning. Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college het besluit van 21 december 2023 gewijzigd vastgesteld. De wijziging betreft onder andere een uitbreiding van de aan het besluit van 21 december 2023 verbonden voorschriften.

De besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling zal daarom in deze uitspraak de beroepen van VVG tegen de besluiten van 21 december 2023 en 17 december 2024 behandelen.

8. VVG betoogt dat het college ook in de besluiten van 21 december 2023 en 17 december 2024 niet heeft onderbouwd dat de tijdelijke plaatsing niet in strijd is met artikel 19, derde lid, van de PRV. Daartoe wijst VVG erop dat het strandpaviljoen niet als doel heeft om natuurwaarden te behouden, zodat sprake is van een vorm van ruimtebeslag dat ten koste gaat van de oppervlakte van het NNN. Verder leiden de maatregelen uit de inrichtings- en beheerplannen van 25 november 2020, 3 oktober 2023 en het Addendum Beheerplan voorland Stichtse Brug 3 oktober 2023 er per saldo niet toe dat de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN niet significant zullen worden aangetast.

8.1. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is als gevolg van het strandpaviljoen sprake van een verlies aan oppervlakte van het NNN. Hoewel de Afdeling ziet dat naast het inrichtings- en beheerplan van 25 november 2020, in het inrichtings- en beheerplan van 3 oktober 2023 en het Addendum Beheerplan voorland Stichtse Brug 3 oktober 2023 extra natuurmaatregelen zijn opgenomen, stelt de Afdeling vast dat de oppervlakte van het NNN als gevolg van het strandpaviljoen zal verminderen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de besluiten van 21 december 2023 en 17 december 2024 in strijd met artikel 19, derde lid, van de PRV zijn genomen.

De betogen slagen.

Conclusie beroepen

9. De beroepen tegen het besluit van 21 december 2023 en het besluit van 17 december 2024 zijn gegrond. Deze besluiten moeten worden vernietigd.

Slotoverwegingen

10. Het college moet de proceskosten vergoeden.

11. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt griffierecht van het college geheven.

12. Omdat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de besluiten van 21 december 2023 en van 17 december 2024 worden vernietigd, moet het college een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak van de Afdeling. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, het besluit van 12 februari 2020 te schorsen tot zes weken na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen van Vereniging Vrienden van het Gooi tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum van 21 december 2023, kenmerk Z23004552, en het besluit van burgemeester en wethouders van Blaricum van 17 december 2024, gegrond;

III. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum van 21 december 2023, kenmerk Z23004552 en van 17 december 2024;

IV. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum van 12 februari 2020 met kenmerk WABO 2019-0687 tot zes weken na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Blaricum tot vergoeding van bij Vereniging Vrienden van het Gooi in verband met de behandeling van het hoger beroep en de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 109,22;

VI. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Hoekstra

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vermeulen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026

700-1096

Bijlage

PRV

Artikel 3

In deze verordening wordt mede verstaan onder een bestemmingsplan:

[…]

d. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, of artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

Artikel 19

1. Een bestemmingsplan voor gebieden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als natuurnetwerk Nederland of als natuurverbinding strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen.

3. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Vermeulen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand