ECLI:NL:RVS:2026:3081

ECLI:NL:RVS:2026:3081

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 202406064/6/A2, 202501491/2/A2, 202501494/2/A2, 202503357/2/A2 en 202504330/2/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Wraking

Samenvatting

Bij e-mail, ingekomen op 20 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking (eerste verzoek) van de staatsraden mr. J.M. Willems, mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, als voorzitter en leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaken met nummers 202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2. Bij e-mail, ingekomen op 20 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking (tweede verzoek) van de staatsraden mr. P.H.A. Knol, mr. J.H. van Breda en mr. J.A.W. Huijben, als voorzitter en leden van de meervoudige kamer (wrakingskamer) belast met de behandeling van de zaken met nummers 202406064/6/A2, 202501491/2/A2, 202501494/2/A2, 202503357/2/A2 en 202504330/2/A2. [verzoeker] heeft aan het eerste verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraden partijdig en vooringenomen zijn, omdat zij zijn verzoek om uitstel ten onrechte hebben afgewezen.

Uitspraak

202406064/6/A2, 202501491/2/A2, 202501494/2/A2, 202503357/2/A2 en 202504330/2/A2.

Datum beslissing: 21 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de verzoeken van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],

verzoeker,

om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.

Procesverloop

Bij e-mail, ingekomen op 20 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking (eerste verzoek) van de staatsraden mr. J.M. Willems, mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, als voorzitter en leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaken met nummers 202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.

De staatsraden hebben niet in de wraking berust.

De staatsraden hebben een schriftelijke reactie gegeven.

Bij e-mail, ingekomen op 20 april 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking (tweede verzoek) van de staatsraden mr. P.H.A. Knol, mr. J.H. van Breda en mr. J.A.W. Huijben, als voorzitter en leden van de meervoudige kamer (wrakingskamer) belast met de behandeling van de zaken met nummers 202406064/6/A2, 202501491/2/A2, 202501494/2/A2, 202503357/2/A2 en 202504330/2/A2.

De Afdeling heeft het eerste verzoek op een zitting behandeld op 21 mei 2026, waar [verzoeker] is verschenen. Staatsraad Willems heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Beslissing

Bij mondelinge beslissing van 21 mei 2026 heeft de Afdeling het eerste verzoek afgewezen, het tweede verzoek niet in behandeling genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking van [verzoeker] in de zaken met nummers 202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2 niet in behandeling wordt genomen.

Overwegingen

Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen.

1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Als maatstaf geldt dat een staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.

3. Het tweede verzoek geeft evident blijk van misbruik van het wrakingsmiddel. Dit verzoek heeft [verzoeker] namelijk ingediend, zodra hem is medegedeeld dat het verzoek om wraking op een zitting op 21 mei 2026 om 10.00 uur, in plaats van de behandeling van de hoofdzaken, zou worden behandeld. Ook iedere mogelijkheid om [verzoeker] anders dan fysiek deel te laten nemen aan de zitting, heeft hij zonder uitleg afgewezen. Bovendien heeft hij aan het tweede verzoek geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hij heeft aan het tweede verzoek ook niet ten grondslag gelegd dat de voorzitter en/of de leden van de wrakingskamer vooringenomen of partijdig zijn en ook niet dat de schijn daarvan is gewekt. [verzoeker] heeft met het tweede verzoek enkel als doel gehad om te voorkomen dat een zitting op 21 mei 2026 doorgang zou vinden, waarmee hij misbruik heeft gemaakt van het wrakingsmiddel.

3.1. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022, in samenhang gelezen met het vijfde lid van deze regeling, wordt het tweede verzoek niet voorgelegd aan een andere wrakingskamer en wordt dit verzoek niet in behandeling genomen.

4. [verzoeker] heeft aan het eerste verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraden partijdig en vooringenomen zijn, omdat zij zijn verzoek om uitstel ten onrechte hebben afgewezen. Volgens [verzoeker] kan het niet zo zijn dat het belang van het doorgang laten vinden van de zitting, groter is dan het accepteren van het risico dat hij een hartaanval krijgt op de zitting.

4.1. De afwijzing van het verzoek om uitstel is een processuele beslissing. De vraag of dergelijke beslissingen juist zijn en deugdelijk zijn gemotiveerd, staat niet ter discussie in de wrakingsprocedure. Wraking is volgens vaste rechtspraak niet bedoeld als rechtsmiddel tegen processuele beslissingen. Zulke beslissingen kunnen alleen tot wraking leiden als deze op zichzelf, of in onderlinge samenhang bezien, een zeer duidelijke en zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de staatsraad die de beslissing heeft genomen daarbij vooringenomen of partijdig is geweest. Uit de processuele beslissing die is genomen, is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat de staatsraden vooringenomen of partijdig zijn en ook niet dat de schijn daarvan is gewekt. Daarom wordt het eerste verzoek afgewezen.

5. De Afdeling ziet daarnaast, gelet op de proceshouding van [verzoeker] zoals dat hiervoor is uiteengezet, aanleiding om op grond van artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat een volgend verzoek om wraking van [verzoeker] in deze zaken niet in behandeling zal worden genomen.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Knol

voorzitter

w.g. Tibold

griffier

853

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. J.H. van Breda
  • mr. J.A.W. Huijben

Griffier

  • mr. N. Tibold

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand