202407735/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 december 2024 in zaak nr. 23/1255 in het geding tussen:
[appellant]
en
de deken van de orde van advocaten Overijssel (de deken).
Procesverloop
Bij e-mailbericht van 21 april 2023 heeft de deken [appellant] medegedeeld dat geen aanleiding bestond om in dit geval een minnelijke regeling te beproeven.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De deken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant] en de deken, vertegenwoordigd door mr. K. Land- van Emmerik zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 17 september 2022 heeft [appellant] bij de deken een klacht ingediend tegen mr. G. Kornet, advocaat te Zwolle. De deken heeft deze klacht in behandeling genomen. De deken heeft een onderzoek ingesteld naar de ingediende klacht en heeft op 6 april 2023 geconcludeerd dat de klacht ongegrond is. De deken heeft [appellant] erop gewezen dat hij, indien hij het niet eens is met de visie van de deken, om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline kan vragen. Ook heeft de deken [appellant] erop gewezen dat voor de behandeling van de klacht door de Raad van Discipline binnen vier weken € 50 griffierecht diende te worden betaald.
2. [appellant] heeft zich bij e-mail van 6 april 2023 op het standpunt gesteld dat de deken op grond van het bepaalde in artikel 46d, eerste lid, van de Advocatenwet verplicht is te trachten om de klacht in der minne te schikken en om hiertoe tenminste twee initiatieven te ondernemen. Bij e-mail van de 21 april 2023 heeft de deken [appellant] bericht dat geen aanleiding bestond om in dit geval een minnelijke regeling te beproeven, een zogenoemd dekenstandpunt. Tegen deze e-mail heeft [appellant] beroep ingesteld.
3. De rechtbank is tot het volgende oordeel gekomen. [appellant] heeft in deze procedure zijn bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden zonder redelijk doel aangewend. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen een e-mail van de deken die niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. [appellant] is er meermaals op gewezen dat hij tegen dergelijke mededelingen geen bezwaar kan maken. [appellant] kon daarom weten dat het instellen van beroep in deze procedure evident geen kans van slagen had. De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2024, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:2058. In deze zaken heeft de Afdeling de hoger beroepen van [appellant] tegen vergelijkbare berichten van dekens van diverse arrondissementen niet-ontvankelijk verklaard, wegens misbruik van recht. De rechtbank heeft overwogen dat de redenen voor dat oordeel ook in deze procedure bestaan. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van het recht om beroep in te stellen.
Beoordeling van het hoger beroep
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft, onder verwijzing naar de eerdere uitspraken van de Afdeling, terecht geoordeeld dat tegen dergelijke mededelingen van de deken geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover en in de onder 3.1 tot en met 3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De deken hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
594-1180