202503899/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 december 2024 in zaak nr. 24/2234 in het geding tussen:
[appellant]
en
de deken van de orde van advocaten van Den Haag (de deken).
Procesverloop
Bij beschikking van 8 december 2023 heeft de deken het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen.
Bij besluit van 29 februari 2023, bedoeld is 2024, heeft de deken het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De deken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant] en de deken, vertegenwoordigd door mr. A. de Groot en mr. N.M.A. Manning, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 2 maart 2023 heeft [appellant] op grond van artikel 13 van de Advocatenwet de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat voor diverse kwesties, waaronder een aansprakelijkstelling van de Staat wegens rechterlijke uitspraken die volgens [appellant] onjuist zijn en een aansprakelijkstelling van zijn voormalige advocaat. Op 12 mei 2023 heeft [appellant] aangegeven dat hij zijn verzoek opschort. Op 21 september 2023 heeft [appellant] de deken verzocht om de behandeling van het verzoek te hervatten. De deken heeft het verzoek op 8 december 2023 afgewezen. Bij die afwijzing heeft de deken [appellant] erop gewezen dat hij binnen zes weken beklag kan doen bij het Hof van Discipline. Het door [appellant] tegen de beschikking van 8 december 2023 gemaakte bezwaar is door de deken niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij daartegen geen bezwaar kon maken, maar beklag moest doen bij het Hof van Discipline.
2. De rechtbank is tot het volgende oordeel gekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid van de Advocatenwet staat de bestuursrechtelijke weg tegen de beschikking van 8 december 2023 niet open. Aan [appellant] is meermaals medegedeeld dat hij tegen dergelijke beschikkingen geen bezwaar kan maken. [appellant] kon daarom weten dat het instellen van beroep in deze procedure evident geen kans van slagen had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [appellant] de bevoegdheid om beroep in te stellen zonder redelijk doel heeft aangewend. De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2024, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:2058. In deze zaken heeft de Afdeling de hoger beroepen van [appellant] tegen vergelijkbare berichten van dekens van diverse arrondissementen niet-ontvankelijk verklaard, wegens misbruik van recht. De rechtbank heeft overwogen dat de redenen voor dat oordeel ook in deze procedure bestaan. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van het recht om beroep in te stellen.
Beoordeling van het hoger beroep
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft, onder verwijzing naar de eerdere uitspraken van de Afdeling, terecht geoordeeld dat tegen beschikkingen van de deken op grond van artikel 13 van de Advocatenwet geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover en in de onder 3.1 tot en met 3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De deken hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
594-1180