202502567/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2025 in zaak nr. 24/5590 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de minister geweigerd om, voor zover hier van belang, drie schulden van [appellant] over te nemen.
Bij besluit van 18 september 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 mei 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. J. Rhebergen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister heeft, voor zover van belang voor deze procedure, geweigerd om drie door [appellant] opgegeven schulden over te nemen. Dit betreft een schuld bij Mercedes-Benz Financial Services en twee informele schulden bij zijn broer en neef.
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een informele private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021.
In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen.
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de door [appellant] opgevoerde schuld bij Mercedes-Benz, geen schuld is die op grond van de Wht voor overname in aanmerking komt. Alleen geldschulden die zijn ontstaan ná 31 december 2005 en opeisbaar zijn vóór 1 juni 2021 kunnen op grond van de Wht worden overgenomen. [appellant] is op 31 mei 2021 een leaseovereenkomst aangegaan met Mercedes-Benz. Dit betekent dat de schuld wel binnen de referteperiode is aangegaan, maar dat deze op dat moment nog niet opeisbaar was.
Ook de schulden van [appellant] bij zijn familieleden komen niet voor overname in aanmerking. Deze schulden zijn niet vastgelegd in een notariële akte. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2045) heeft de rechtbank uiteengezet dat in dat geval aan de hand van authentieke documenten moet volgen dat aan het bestaan van de schuld en de gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De door [appellant] overgelegde stukken, de leenovereenkomsten en een aantal bankafschriften, zijn hiervoor niet voldoende. Hierdoor is [appellant] er niet in geslaagd om het bestaan van de schuld aan te tonen, aldus de rechtbank.
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11.1 en 12.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog het volgende aan toe. Op de zitting heeft [appellant] aangegeven dat hij teleurgesteld is dat zijn schulden bij zijn familieleden niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hij wijst erop dat de eisen uit de Wht niet aansluiten op hoe het er in de praktijk aan toe gaat als familie geld aan elkaar leent. De Afdeling acht de teleurstelling van [appellant] invoelbaar maar stelt vast dat de wetgever de eis van de notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken bewust in de wet heeft opgenomen, om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. Dit is gedaan in het besef dat informele leningen doorgaans niet in een notariële akte worden vastgelegd, zodat veelal niet aan dit vereiste zal kunnen worden voldaan. Dat de eis van de notariële akte in veel gevallen tot bewijsproblemen bij ouders kan leiden, waardoor een schuld niet voor overname in aanmerking komt en dus op de ouders blijft rusten, is de wetgever niet ontgaan. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2045).
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
1064