202501190/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker] en anderen, allen wonend in [woonplaats],
verzoekers,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1520.
Procesverloop
Bij uitspraak van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1520, heeft de Afdeling het verzet van [verzoeker] en anderen tegen de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3932) ongegrond verklaard.
[verzoeker] en anderen hebben de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoeker] en anderen hebben nadere stukken overgelegd.
De Kiesraad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 18 mei 2026, waar [verzoeker], [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], en de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. M. Bijl, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
3. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [verzoeker] en anderen geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De Afdeling merkt op dat wat [verzoeker] en anderen in deze procedure aanvoeren ook al hebben aangevoerd in de vorige procedure. Het gaat hier met andere woorden niet om feiten of omstandigheden die bij [verzoeker] en anderen vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Deze feiten en omstandigheden heeft de Afdeling betrokken in haar uitspraak van 19 april 2023. Wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd komt neer op een heropening van het debat, omdat zij het niet eens zijn met de uitspraak van 19 april 2023. Zoals onder 2 overwogen, kan dat niet leiden tot herziening van de uitspraak.
4. Voor zover [verzoeker] en anderen ter onderbouwing van hun herzieningsverzoek hebben verwezen naar een rapport van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) van 28 februari 2024, merkt de Afdeling op dat dit rapport dateert van na de uitspraak van de Afdeling en daarom op grond van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen grond vormt voor herziening.
5. De Afdeling ziet bovendien geen aanleiding voor het stellen van de prejudiciële vragen die door [verzoeker] en anderen zijn geformuleerd. De opgeworpen vragen staan niet in (direct) verband met de in deze zaak voorliggende rechtsvraag. Beantwoording van die vragen is daarmee niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
6. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
1064