202305238/1/A3.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de burgemeester van Bergen (LB),
2. [appellant sub 2], wonend in Nieuw-Bergen, gemeente Bergen (LB),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 juli 2023 in zaak nr. 22/880 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2021 heeft de burgemeester besloten tot het sluiten van de woning van [appellant sub 2] voor zes maanden.
Bij besluit van 7 maart 2022, gewijzigd bij besluit van 10 maart 2022, heeft de burgemeester het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de burgemeester en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester en [appellant sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 januari 2026, waar de burgemeester, door mr. S. Kerkhoff vertegenwoordigd via een videoverbinding, is verschenen.
Overwegingen
1. [appellant sub 2] huurt de woning aan de [locatie] in Nieuw-Bergen. Bij een doorzoeking in haar woning zijn 23,8 gram hennep, 27,75 gram amfetamine, negen XTC-pillen, lege gripzakjes, een keukenweegschaal met daarop een residu van vermoedelijk verdovende middelen en vier BB-guns met munitie aangetroffen. De politie heeft van de doorzoeking een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. De burgemeester heeft bij het besluit van 8 november 2021 besloten tot het sluiten van de woning voor de duur van zes maanden. De burgemeester heeft de sluiting bij het besluit van 7 maart 2022, gewijzigd bij het besluit van 10 maart 2022, gehandhaafd. Doordat de voorzieningenrechter zowel hangende bezwaar als hangende beroep de besluiten heeft geschorst, is de woning feitelijk gesloten geweest van 20 april 2022 tot 6 mei 2022.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester mogen concluderen dat sluiting van de woning noodzakelijk was en had hij niet hoeven volstaan met een minder ingrijpende maatregel. Ook heeft de burgemeester een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang van sluiting van de woning dan aan het belang van [appellant sub 2]. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent volgens de rechtbank echter niet dat de burgemeester in dit geval ook nu nog tot feitelijke sluiting van de woning mag overgaan, nu ten tijde van haar uitspraak meer dan een jaar is verstreken sinds de datum van de voorgenomen sluiting. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756 moet de burgemeester in dit geval beoordelen of de noodzaak tot sluiting gelet op dit tijdsverloop nog steeds bestaat. De burgemeester zal daartoe een nieuw besluit moeten nemen als hij overgaat tot sluiting van de woning.
Hoger beroep van [appellant sub 2]
3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk is. De aangetroffen drugs zijn van de voormalig partner van [appellant sub 2]. Er is niet vanuit de woning gehandeld, er zijn geen potentiële kopers van drugs naar de woning gekomen en er is geen overlast gemeld door buurtbewoners. Er is ook geen loop naar het pand. Volgens [appellant sub 2] had kunnen worden volstaan met een waarschuwing. De sluiting is verder niet evenredig, omdat [appellant sub 2] en haar twee kinderen op straat komen te staan, de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal worden ontbonden en [appellant sub 2] op een zwarte lijst wordt geplaatst waardoor zij in de regio geen sociale huurwoning zal kunnen vinden.
3.1. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
3.2. De gronden die [appellant sub 2] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant sub 2] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.3. Het betoog slaagt niet.
Hoger beroep van de burgemeester
4. De burgemeester betoogt in hoger beroep dat de rechtbank met haar oordeel dat een nieuw besluit moet worden genomen als de burgemeester alsnog tot sluiting van de woning wil overgaan niet heeft onderkend dat zich hier een ander geval voordoet dan waar de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021 over gaat. In die uitspraak was het een bewuste keuze van de burgemeester om met de feitelijke sluiting van het pand te wachten en eerst de bestuursrechtelijke procedures over het sluitingsbesluit te doorlopen. In het geval van [appellant sub 2] heeft de burgemeester de woning op 20 april 2022 gesloten en heeft die sluiting geduurd tot 6 mei 2022, de datum waarop de voorzieningenrechter de werking van het sluitingsbesluit schorste. Daardoor ontstond voor de burgemeester de onmogelijkheid om de woning van [appellant sub 2] te sluiten en gesloten te houden. Als de voorzieningenrechter de sluiting niet onmogelijk had gemaakt, dan had de woning al een half jaar gesloten kunnen zijn geweest, aldus de burgemeester. Volgens de burgemeester moet de Afdelingsjurisprudentie worden genuanceerd in die zin dat, als de omstandigheid zich voordoet dat door eigen toedoen van de overtreder de burgemeester een woningsluiting niet heeft kunnen effectueren maar naderhand is vastgesteld dat de sluiting rechtmatig was, hem niet de mogelijkheid ontzegd mag worden om de woning zonder nadere beoordeling alsnog te sluiten.
4.1. De burgemeester betoogt verder dat het een misverstand is dat woningcorporaties overtreders van de Opiumwet op zwarte lijsten zetten. Plaatsing op een zwarte lijst kan alleen onder strenge voorwaarden, bewaakt door de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP). Er is geen besluit van de AP dat woningcorporatie Destion een zwarte lijst mag hanteren. Daarom heeft de rechtbank bij de beoordeling van de evenwichtigheid ten onrechte aangenomen dat [appellant sub 2] op een zwarte lijst van de woningcorporatie terecht zou komen.
Beoordeling hoger beroep van de burgemeester
5. In haar uitspraak van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756, onder 5, heeft de Afdeling overwogen dat tijdsverloop ertoe kan leiden dat sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Als een burgemeester een pand nog niet feitelijk heeft gesloten en daar nog wel toe wil overgaan, moet hij daarom opnieuw een beoordeling maken van de noodzaak van het alsnog sluiten als meer dan één jaar is verstreken sinds de datum dat de sluiting volgens het bestuursdwangbesluit in zou zijn gegaan.
5.1. Het hoger beroep van de burgemeester richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de noodzakelijkheid van de woningsluiting opnieuw zal moeten worden beoordeeld als de burgemeester alsnog tot feitelijke sluiting van de woning over wil gaan. De rechtbank is, met toepassing van de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, terecht tot dit oordeel gekomen. De vraag is in het geval van [appellant sub 2] namelijk niet of het besluit tot sluiting gelet op het tijdsverloop rechtmatig was. Als de gronden daarvoor aanleiding geven dient in dat kader te worden beoordeeld of de burgemeester bij de beoordeling van de geschiktheid of de noodzaak van een woningsluiting zich rekenschap heeft gegeven van het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het moment waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat (zie de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 9). De rechtbank heeft zoals hiervoor overwogen terecht geoordeeld dat het sluitingsbesluit rechtmatig was. Van belang is in dit geval of de rechtbank het tijdsverloop relevant heeft mogen vinden door de burgemeester op te dragen een nieuw besluit te nemen mocht hij alsnog tot sluiting willen overgaan. Die vraag moet, gelet op de uitspraak van 8 december 2021, bevestigend worden beantwoord, nu ruimschoots meer dan een jaar is verstreken sinds de datum dat de sluiting volgens het bestuursdwangbesluit in zou zijn gegaan.
5.2. Verder volgt uit de uitspraak van 16 juli 2025 dat niet relevant is aan wie het tijdsverloop te wijten is. Zowel in het primaire besluit, het besluit op bezwaar als een eventueel nader te nemen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. De Afdeling ziet geen grond om haar rechtspraak op dit punt te nuanceren.
5.3. Anders dan de burgemeester betoogt, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht bij haar oordeel over de evenwichtigheid van de sluiting heeft betrokken dat het voor [appellant sub 2] door de sluiting lastiger wordt om in de regio een sociale huurwoning te vinden. De sluiting heeft geleid tot een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door woningcorporatie Destion. In de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst staat dat een inschrijving van [appellant sub 2] in het woningzoekendesysteem zal worden geblokkeerd voor een periode van vijf jaar en dat zij zich over vijf jaar dus pas weer kan inschrijven als woningzoekende bij Destion. Hierdoor is het voor [appellant sub 2] lastig om een andere sociale huurwoning in de regio te vinden, omdat Destion een groot deel van het aanbod in de regio beheert. Dat de rechtbank hiervoor de woorden "zwarte lijst" heeft gebruikt maakt, wat daarvan verder zij, het voorgaande niet anders.
5.4. Het betoog van de burgemeester slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep van de burgemeester is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
7. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen ongegrond;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak;
III. veroordeelt de burgemeester van Bergen (LB) tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IV. bepaalt dat van de burgemeester van Bergen (LB) een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. B. Vermeulen en mr. dr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
317-1104