202403307/1/R4.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Krimpen aan den IJssel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2024 in zaak nr. 23/5240 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsommen van in totaal € 9.000,00.
Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 6 maart 2026, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. V.E. Bajra, mr. S. Molendijk en C. Schouwstra, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] gebruikt het perceel [locatie] te Krimpen aan den IJssel (het perceel) voor bedrijfsdoeleinden. Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft het college [appellant] gelast:
1) de hoeveelheid gasflessen die buiten de daartoe bestemde opslagvoorzieningen staan, terug te brengen tot onder de 125 liter waterinhoud, binnen 1 week na verzenddatum van de brief, waarbij per keer dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last een dwangsom wordt verbeurd van € 1.500,00 per keer, met een maximum van € 7.500,-, waarbij per etmaal maximaal één constatering kan plaatsvinden, en
2) de activiteiten met betrekking tot het vullen van gasflessen te staken en deze activiteiten gestaakt te houden door bijvoorbeeld de compressor en aanverwante pompen te verwijderen of af te koppelen, binnen 1 week na verzenddatum van de brief, waarbij per keer dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last een dwangsom wordt verbeurd van € 7.500,00 per keer, met een maximum van € 22.500,-, waarbij per etmaal maximaal één constatering kan plaatsvinden.
Tegen het besluit van 26 augustus 2021 heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte vaststaat. Op 24 oktober 2022 is een controle uitgevoerd, waarbij is geconstateerd dat de lasten niet zijn nageleefd. De constateringen zijn vastgelegd in het controlerapport van 27 oktober 2022.
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsommen die volgens het college zijn verbeurd. [appellant] is het hier niet mee eens omdat hij van mening is dat hij de lasten wel heeft nageleefd. Hij heeft de invordering daarom aangevochten. Het besluit om tot invordering over te gaan is zowel in bezwaar als in beroep in stand gebleven.
Zijn de lasten nageleefd?
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet aan de lasten is voldaan. Ten aanzien van last 1 voert [appellant] aan dat de flessen niet werden opgeslagen, maar buiten stonden voor transport. Ten aanzien van last 2 voert [appellant] aan dat de apparatuur alleen voor onderhoud ter plaatse was, wat volgens [appellant] blijkt uit een leenovereenkomst en een gesprek met een productiemanager. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat de compressor en aanverwante pompen afgekoppeld waren.
2.1. Vast staat dat bij de controle op 24 oktober 2022 is geconstateerd dat meer dan 200 liter aan gasflessen buiten de daarvoor bestemde opslagvoorziening stonden. Dit wordt door [appellant] ook niet betwist. De gronden die [appellant] ten aanzien van last 1 in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder rechtsoverweging 15 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
2.2. [appellant] is gelast de activiteiten met betrekking tot het vullen van gasflessen te staken en gestaakt te houden door bijvoorbeeld de compressor en aanverwante pompen te verwijderen of af te koppelen. Vast staat dat bij de controle op 24 oktober 2022 de apparatuur is aangetroffen. De Afdeling overweegt dat het enkele feit dat deze apparatuur ter plaatse aanwezig was ten tijde van de controle, onvoldoende is voor het oordeel dat last 2 niet is nageleefd. [appellant] is immers gelast de activiteiten met betrekking tot het vullen van gasflessen te staken en gestaakt te houden, wat onder meer kan worden bereikt door de compressor en aanverwante pompen te verwijderen of af te koppelen. Uit het controlerapport blijkt dat deze apparatuur was afgekoppeld, zoals ook onweersproken door [appellant] is gesteld op de zitting van de Afdeling. De Afdeling ziet in de bevindingen, anders dan de rechtbank, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat last 2 niet is nageleefd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de last was overtreden en het college bevoegd was om tot invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom over te gaan.
Het betoog slaagt in zoverre.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze ziet op de invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom van € 7.500,00. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 juli 2023 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover dit ziet op de invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom van € 7.500,00. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2023 gegrond te verklaren en dit besluit te herroepen voor zover dat ziet op de invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom van € 7.500,00, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 4 juli 2023.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2024 in zaak nr. 23/5240, voor zover deze ziet op de invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom van € 7.500,00;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel van 4 juli 2023, kenmerk 013-053-621-245, voor zover dit ziet op de invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom van € 7.500,00;
V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel van 28 maart 2023, kenmerk onbekend, voor zover dit ziet op de invordering van de aan last 2 verbonden dwangsom van € 7.500,00;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 juli 2023, voor zover vernietigd;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
700-1194