ECLI:NL:RVS:2026:3164

ECLI:NL:RVS:2026:3164

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 202600061/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Bij besluit van 29 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere de groenstrook aan de Daan Hoeksemastraat ter hoogte van de Flipjestraat in Almere, aangewezen voor het plaatsen van vier ondergrondse inzamelcontainers. In de gemeente Almere worden de aanwezige gezamenlijke inpandige afvalcontainers in hoogbouw-complexen vervangen door ondergrondse inzamelcontainers. Het college heeft in dat verband bij besluit van 29 december 2025 de locatie aan de Daan Hoeksemastraat aangewezen als locatie voor vier ondergrondse containers ten behoeve van de bewoners van het daar nabijgelegen appartementencomplex. Twee containers zijn bestemd voor restafval en plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken (pmd), één is bestemd voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) en de resterende is bestemd voor papier en karton. [appellant sub 1] en anderen wonen aan [locatie 1] en [locatie 2] en [appellant sub 2] woont aan [locatie 3]. Zij vinden de aangewezen locatie om verschillende redenen ongeschikt. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] is de alternatieve, initieel door het college beoogde locatie aan de Jochem Jofelstraat geschikter.

Uitspraak

202600061/1/R1.

Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Almere,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Almere, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2025 heeft het college de groenstrook aan de Daan Hoeksemastraat ter hoogte van de Flipjestraat in Almere, aangewezen voor het plaatsen van vier ondergrondse inzamelcontainers.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 april 2026, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem en N. Hoogenberg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In de gemeente Almere worden de aanwezige gezamenlijke inpandige afvalcontainers in hoogbouw-complexen vervangen door ondergrondse inzamelcontainers. Het college heeft in dat verband bij besluit van 29 december 2025 de locatie aan de Daan Hoeksemastraat aangewezen als locatie voor vier ondergrondse containers ten behoeve van de bewoners van het daar nabijgelegen appartementencomplex. Twee containers zijn bestemd voor restafval en plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken (pmd), één is bestemd voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) en de resterende is bestemd voor papier en karton. [appellant sub 1] en anderen wonen aan [locatie 1] en [locatie 2] en [appellant sub 2] woont aan [locatie 3]. Zij vinden de aangewezen locatie om verschillende redenen ongeschikt. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] is de alternatieve, initieel door het college beoogde locatie aan de Jochem Jofelstraat geschikter.

Beoordelingskader

2. Bij de keuze van een locatie voor ondergrondse containers moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ondergrondse containers.

3. In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor ondergrondse containers. De keuze van het college om voor de inzameling van onder meer restafval gebruik te maken van ondergrondse containers, ligt niet ter beoordeling voor. Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ondergrondse container, toeneming van verkeer van en naar een ondergrondse container en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van een ondergrondse afvalcontainer en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464. De Afdeling zal daarom alleen beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

4. Bij het aanwijzen van een locatie voor een ondergrondse inzamelcontainer hanteert het college de "Richtlijnen voor het plaatsen van ondergrondse inzamelcontainers Almere 2021". De richtlijnen betreffen:

- Leefbaarheid, waaronder voldoende mogelijkheid tot sociale controle en toezicht, het schoonhouden van locaties en het voorkomen van bijplaatsingen.

- Verkeerskundig veilige situatie.

- Toegankelijk en bereikbaar voor bewoners: ongeveer 450 huishoudens per papiercontainer. Voor de overige afvalsoorten wordt een maximale loopafstand van 250 m nagestreefd.

- Ruimtelijke aspecten: de container moet op een goede manier worden ingepast in de openbare ruimte.

- Technische richtlijnen.

Procedure

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat zij onvoldoende zijn betrokken bij het nemen van het besluit. [appellant sub 1] en anderen wijzen erop dat zij niet individueel schriftelijk zijn geïnformeerd via een bewonersbrief en niet zijn uitgenodigd voor een bijeenkomst, terwijl er wel overleg heeft plaatsgevonden met de bewoners van het appartementencomplex. Volgens [appellant sub 1] en anderen is dit laatste in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5.1. In hoofdstuk 5 van de richtlijnen staat dat de procedure van afdeling 3.4 van de Awb wordt gevolgd. Verder staat er dat bewoners binnen het verzorgingsgebied of die vanuit hun woning direct zicht hebben op de container, individueel schriftelijk worden geïnformeerd via een bewonersbrief. Waar mogelijk wordt er per wijk een bijeenkomst gehouden.

De Afdeling stelt vast dat het aanwijzingsbesluit overeenkomstig de richtlijnen is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet is gebleken dat het college niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpbesluit is op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en ter inzage gelegd. Daarbij is de gelegenheid geboden om een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. Deze zienswijzen, waaronder de zienswijzen van [appellant sub 1] en anderen, heeft het college betrokken in zijn afweging, zoals blijkt uit het aanwijzingsbesluit in samenhang met de nota van zienswijzen. Uit de Awb volgt niet de verplichting om in de fase voorafgaand aan de procedure in afdeling 3.4 van die wet omwonenden actief te betrekken bij de voorbereiding van het besluit. Naar het oordeel van de Afdeling volgt die verplichting in het geval van [appellant sub 1] en anderen ook niet uit het gemeentelijke beleid of een gemeentelijke inspraakverordening. Het college heeft toegelicht dat het [appellant sub 1] en anderen, gelet op de grotere afstand tot en het beperkte zicht op de containers, niet aanmerkt als bewoners die individueel moesten worden geïnformeerd of voor een bijeenkomst moesten worden uitgenodigd, in tegenstelling tot de bewoners van het appartementencomplex.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college [appellant sub 1] en anderen onvoldoende heeft betrokken bij het besluit of dat het wat de gevolgde procedure betreft in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

Het betoog slaagt niet.

Inzamelvoorzieningen in de buurt

6. [appellant sub 2] betoogt dat het niet nodig is om een ondergrondse containers op de locatie aan de Daan Hoeksemastraat worden geplaatst, omdat het aantal containers in de buurt al aanzienlijk is.

6.1. Het college heeft toegelicht dat de ondergrondse inzamelcontainers zijn bedoeld ter vervanging van de inpandige afvalcontainers van het appartementencomplex dat nabij de aangewezen locatie ligt. De Afdeling is van oordeel dat het college hiermee, gegeven de keuze om voor de inzameling van onder meer restafval gebruik te maken van ondergrondse containers, voldoende heeft toegelicht waarom de aangewezen locatie aan de Daan Hoeksemastraat voor ondergrondse containers uit een oogpunt van een evenwichtige spreiding wenselijk is.

Het betoog slaagt niet.

Mocht het college de aangewezen locatie geschikt achten?

7. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de aangewezen locatie niet geschikt is. Zij voeren aan dat de groenstrook door kinderen als speelplaats wordt gebruikt, zodat de containers en eventuele bijplaatsingen, waaronder bijplaatsingen van glas, tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. Ook zal dit volgens hen leiden tot verdere vervuiling van de buurt door zwerfafval. Volgens [appellant sub 1] en anderen is verderop in de wijk aan de Marten Toonderlaan al sprake van structurele afvaldumping.

Daarnaast voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat containers op de aangewezen locatie gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid voor hun kinderen die dagelijks over het aangrenzende voetpad en kruispunt lopen. Volgens [appellant sub 1] en anderen is de Daan Hoeksemastraat een doorgaande weg met een aanzienlijke hoeveelheid (school)verkeer en een onoverzichtelijk kruispunt. Door de containers zal er sprake zijn van verminderd zicht en tijdelijke blokkades tijdens het ledigen hiervan. Dit leidt tot gevaarlijke verkeerssituaties voor hun kinderen en andere weggebruikers, onder wie schoolgaande kinderen van de nabijgelegen basisschool. Het college heeft onvoldoende onderbouwd waarom de containers geen gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid en heeft de locatiespecifieke omstandigheden onvoldoende bij de beoordeling betrokken, aldus [appellant sub 1] en anderen.

Verder voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat de aangewezen locatie is aangewezen als verzamelplaats in de ontruimingsplannen van de nabijgelegen basisschool en het kinderdagverblijf. Door plaatsing van de containers zal de verzamelplaats volgens hen onvoldoende bereikbaar zijn.

De Afdeling bespreekt dit hieronder per onderdeel.

- Veiligheid spelende kinderen

7.1. Op de zitting is vast komen te staan dat de groenstrook direct naast de locatie geen aangewezen speelplaats is, maar dat zich een speeltuin met speeltoestellen aan de andere kant van de groenstrook bevindt. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting toegelicht dat kinderen wel over het aan de aangewezen locatie grenzende voetpad naar de speeltuin lopen. De Afdeling overweegt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het gebruik van (ondergrondse) afvalcontainers voor de inzameling van huishoudelijk afval gevaarlijke situaties oplevert voor kinderen. Maar die gevaren kunnen zich in beginsel op elke denkbare locatie voor een afvalcontainer voordoen. De Afdeling acht het, gelet op de stukken en wat besproken is op de zitting, niet aannemelijk dat de containers op de aangewezen locatie zo onveilig zijn voor spelende kinderen dat het college hierom niet voor de aangewezen locatie had mogen kiezen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat er ter plaatse geen glascontainer is voorzien, zodat het risico van de aanwezigheid van glasscherven rond de locatie beperkt is.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

- Verkeersveiligheid

7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat van een verkeersonveilige situatie door de ondergrondse containers geen sprake is, ook niet bij het ledigen hiervan. Daarbij heeft het college van belang mogen achten dat de inworpzuilen op ongeveer 1,5 m afstand van de weg komen te staan. Ook heeft het college van belang mogen achten dat, anders waar [appellant sub 1] en anderen van uitgaan, de containers niet in een rij naast elkaar komen te staan, maar in een blok van twee bij twee containers met een breedte van in totaal ongeveer 3,9 m. Volgens het college is dit veilig en met behoud van voldoende zicht voor weggebruikers in te passen op de groenstrook van 8 m lang. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] en anderen aanvoeren geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Verder zullen de containers volgens het college één tot twee keer per week worden geledigd. Het ledigen neemt slechts enkele minuten in beslag. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege de verkeerssituatie de aangewezen locatie niet had mogen kiezen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

- Ontruimingsplan basisschool

7.3. De containers hebben een oppervlakte van ongeveer 15 m². Het college heeft toegelicht dat het desbetreffende gebied ongeveer 800 m² bedraagt, waardoor de verzamelplaats niet onbruikbaar of minder bereikbaar zal zijn als gevolg van het plaatsen van de containers. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om deze toelichting van het college niet te volgen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

- Zwerfaval

7.4. Van overige locatiespecifieke of andere omstandigheden die maken dat het college daarin reden had moeten zien om de locatie aan de Daan Hoeksemastraat niet aan te wijzen, is niet gebleken. Als er toch afval naast de ondergrondse containers wordt geplaatst, is dit een kwestie van handhaving.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Conclusie over de geschiktheid van de locatie

8. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ondergrondse containers. Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locatie

9. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat er een geschiktere alternatieve locatie is. Zij wijzen op de door het college initieel beoogde locatie aan de Jochem Jofelstraat. [appellant sub 1] en anderen vinden deze locatie geschikter, omdat het een rustige zijstraat is met een lagere verkeersintensiteit, in tegenstelling tot de aangewezen locatie aan een relatief drukke doorgaande weg met een onoverzichtelijk kruispunt. Op de alternatieve locatie zullen de containers volgens hen minder snel tot verkeersonveilige situaties en verkeershinder leiden. Dit is ook in het belang van de verkeersveiligheid van schoolgaande kinderen, zo stellen zij. Daarnaast zijn aan de alternatieve locatie geen woningen gelegen, zodat er geen dagelijkse overlast voor omwonenden ontstaat. Verder voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat de alternatieve locatie direct voor de ingang van het appartementencomplex ligt voor wiens bewoners de containers zijn bedoeld. [appellant sub 1] en anderen wijzen er ook op dat de alternatieve locatie al jarenlang is gebruikt voor bovengrondse containers en dat het ook een door de gemeente aangewezen verzamelplaats voor containers aan huis is. Het college heeft volgens [appellant sub 1] en anderen onvoldoende gemotiveerd waarom die locatie niet meer geschikt is.

9.1. In overweging 8 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ondergrondse containers. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

9.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de alternatieve locatie ook geschikt is, maar dat de gekozen locatie de voorkeur heeft. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het, voorafgaand aan de procedure die heeft geleid tot het besluit van 29 december 2025, heeft overwogen om de locatie aan de Jochem Jofelstraat aan te wijzen. Daarvan heeft het college echter afgezien naar aanleiding van berichtgeving van de Vereniging van Eigenaren Bommelsteijn (VvE). Uit de berichtgeving volgt dat de VvE de locatie aan de Jochem Jofelstraat en de locatie aan de Daan Hoeksemastraat aan de bewoners van het appartementencomplex heeft voorgelegd, waarbij zes bewoners van de veertig hebben aangegeven een voorkeur te hebben voor de Daan Hoeksemastraat. De overige bewoners hebben niet gereageerd. Het college heeft vervolgens de locatie aan de Daan Hoeksemastraat aangewezen.

9.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet inzichtelijk gemaakt waarom het met voorbijgaan aan zijn oorspronkelijke voornemen tot het aanwijzen van de locatie aan de Daan Hoeksemastraat is overgegaan. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de aangewezen locatie langs de aanlooproute van schoolgaande kinderen ligt, aan een doorgaande weg met een kruispunt, een voetpad en een parkeerplaats, terwijl de alternatieve locatie zich volgens [appellant sub 1] en anderen in een rustige zijstraat bevindt. Het college heeft de verkeersintensiteit op beide locaties niet onderzocht. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de locatie aan de Jochem Jofelstraat zodanig geschikter is dat het college voor die locatie had moeten kiezen. Het college heeft volstaan met de motivering dat zes bewoners van het appartementencomplex de voorkeur zouden geven aan de aangewezen locatie. Daarmee heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom de alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie. Verder volgt uit de richtlijnen niet dat het college bij het aanwijzen van een locatie voor ondergrondse containers de voorkeur van omwonenden die het dichtst bij de mogelijke locaties wonen, moet laten prevaleren. Onder 4.1.2 van de richtlijnen staat juist als algemeen uitgangspunt dat het algemeen belang voor het individuele belang gaat.

9.4. Het voorgaande betekent dat het college het besluit tot aanwijzing van de containerlocatie onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

Conclusie en bestuurlijke lus

10. De conclusie is dat het besluit van 29 december 2025, voor zover dat betrekking heeft op alternatieve locatie aan de Jochem Jofelstraat, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog de onder 9.3 geconstateerde gebreken te herstellen. Het college moet daarvoor met inachtneming van wat onder 9.3 is overwogen, zo mogelijk motiveren dat de alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie. Als een dergelijke motivering niet te geven is, zal het college een andere locatie moeten aanwijzen dan de locatie aan de Daan Hoeksemastraat.

11. Het college dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Het college hoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, zodat het nieuwe of gewijzigde besluit niet eerst in ontwerp ter inzage hoeft te worden gelegd.

12. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Almere op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van wat onder 9.3 is overwogen de gebreken in het besluit van 29 december 2025 tot aanwijzing van een locatie voor het plaatsen van ondergrondse inzamelcontainers te herstellen;

- een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen en de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

195-1138

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. Sparreboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand