ECLI:NL:RVS:2026:3165

ECLI:NL:RVS:2026:3165

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 202504056/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overname van een private schuld afgewezen. [appellante] is erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire. In verband daarmee heeft zij een schuldenlijst ingediend waarop, onder meer, een schuld aan haar ouders in verband met een lening is vermeld. [appellante] heeft om overname van deze schuld verzocht. De minister heeft aan het besluit van 18 april 2024 ten grondslag gelegd dat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aan het vereiste van opeisbaarheid is voldaan. Het belang van opeisbaarheid ziet op het risico dat de gedupeerde verder in de schulden raakt door incassomaatregelen voor een opeisbare schuld. Gezien dit doel en de onbepaalde aard van het door haar ouders aan haar verleende uitstel, ligt het in de rede om de schuld als opeisbaar aan te merken.

Uitspraak

202504056/1/A2.

Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 19 juni 2025 in zaak nr. 24/2754 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overname van een private schuld afgewezen.

Bij besluit van 18 april 2024 heeft de minister, in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar [appellante], vergezeld door [persoon] en bijgestaan door mr. R.H. Bouwman, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B] zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire. In verband daarmee heeft zij een schuldenlijst ingediend waarop, onder meer, een schuld aan haar ouders in verband met een lening is vermeld. [appellante] heeft om overname van deze schuld verzocht.

2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is geregeld onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking komt voor overname en betaling van een private schuld. Uit artikel 4.1, tweede lid, volgt dat een schuld slechts wordt overgenomen, indien zij is ontstaan na 31 december 2005, voor 1 juni 2021 opeisbaar was en niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. De minister heeft aan het besluit van 18 april 2024 ten grondslag gelegd dat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd.

4.1. Op grond van de wettelijke regeling komt de schuld niet voor overname in aanmerking. [appellante] is met haar ouders overeengekomen dat zij uitstel voor de terugbetaling krijgt. Omdat aan dit uitstel geen eindtermijn is verbonden, is dit een uitstel voor onbepaalde tijd, zodat vóór 1 juni 2021 geen sprake was van opeisbare betalingsachterstanden op de lening. Verder blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of betalingsachterstanden onder de regeling te laten vallen. De eis van opeisbare schulden behoort tot de kern van de regeling en is een steeds terugkerend uitgangspunt. De wetgever heeft de uiterlijke datum van opeisbaarheid op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen bekend werd gemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Het alleen overnemen van opeisbare achterstanden van schulden sluit ook aan bij het doel van de Wht. De regeling is niet bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van lopende betalingsverplichtingen, maar is met name bedoeld om te voorkomen dat de ouder verder in de schulden komt, doordat een schuldeiser incassomaatregelen neemt voor de opeisbare schulden.

4.2. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] geen belang meer bij behandeling van de beroepsgrond dat het ontbreken van een notariële akte of executoriale titel haar niet mag worden tegengeworpen vanwege het bij haar gewekte vertrouwen door uitlatingen in telefoongesprekken die zij heeft gevoerd. Zelfs al zou het bestaan van de schuld vaststaan, dan neemt dat niet weg dat niet is voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid.

4.3. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. De stukken die [appellante] heeft overlegd en de omstandigheden die zij heeft aangevoerd geven onvoldoende inzicht in haar actuele situatie. Niet is gebleken dat haar actuele situatie zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.

Hoger beroep

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aan het vereiste van opeisbaarheid is voldaan. Het belang van opeisbaarheid ziet op het risico dat de gedupeerde verder in de schulden raakt door incassomaatregelen voor een opeisbare schuld. Gezien dit doel en de onbepaalde aard van het door haar ouders aan haar verleende uitstel, ligt het in de rede om de schuld als opeisbaar aan te merken. Dat geen einddatum is afgesproken, neemt niet weg dat de schuldeiser op elk moment alsnog kan besluiten om de vordering op te eisen, zodat de dreiging van verergering van de situatie nog altijd als een zwaard van Damocles boven het hoofd van de schuldenaar hangt. Omdat de lening binnen de familiaire sfeer is verstrekt, is de uitstelregeling afhankelijk van de onderlinge verhoudingen, wat aanvullende spanningen oplevert, aldus [appellante].

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat op de peildatum van 1 juni 2021 niet was voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid. [appellante] had immers met haar ouders de afspraak gemaakt dat zij voor onbepaalde tijd uitstel van betaling had. Dat, zoals [appellante] terecht aanvoert, haar ouders de afspraak hadden kunnen opzeggen, neemt niet weg dat de afspraak op de peildatum nog steeds van toepassing was. Daarom was er op dat moment geen mogelijkheid voor de schuldeiser om betaling af te dwingen.

Het betoog slaagt niet.

6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bespreking van het beroep op het vertrouwensbeginsel achterwege kan blijven op grond van de conclusie dat niet aan het vereiste van opeisbaarheid wordt voldaan. Volgens [appellante] heeft de rechtbank hierbij miskend dat wel degelijk aan dat vereiste is voldaan.

6.1. De rechtbank is, gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 5.1 van deze uitspraak heeft overwogen, terecht tot het oordeel gekomen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel geen bespreking meer behoeft. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling niet geconcretiseerd waarom het vertrouwensbeginsel anderszins van betekenis zou kunnen zijn in haar geval.

Het betoog slaagt niet.

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. De minister had zich als bestuursorgaan meer moeten inspannen om alle relevante kennis te vergaren en om te voldoen aan zijn verplichtingen op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.1. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.3, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan de hardheidsclausule niet alleen in onbillijke situaties worden toegepast, maar ook in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend is geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaat om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat de degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen (zie de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).

7.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar actuele financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven. Zij heeft geen reactie gegeven op de brief van de Afdeling van 21 oktober 2025 waarin expliciet is verzocht zo duidelijk mogelijk inzichtelijk te maken welke feiten en omstandigheden volgens haar ertoe leiden dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Meijer

voorzitter

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

452-1190

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B. Meijer
  • mr. C.H. Bangma
  • mr. V.V. Essenburg

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand