202504054/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 juni 2025 in zaak nr. 24/363 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluiten van 2 juli 2021 en 22 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd om [appellante] een aanvullende schadevergoeding toe te kennen.
Bij besluiten van 13 december 2023, aangevuld op 24 januari 2025, heeft de Dienst Toeslagen naar aanleiding van de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren, de besluiten van 2 juli 2021 en 22 september 2022 herroepen, zonder dat dit tot toekenning van aanvullende schadevergoeding heeft geleid.
Bij uitspraak van 19 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar [appellante], vergezeld door [persoon] en bijgestaan door mr. R.H. Bouwman, advocaat in Amsterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] heeft zich op 15 januari 2021 gemeld voor herstel als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Naar aanleiding daarvan is haar op grond van de zogenoemde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000,00 toegekend.
2. Vervolgens heeft een zogenoemde integrale beoordeling plaatsgevonden. In dat kader heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat in verband met de kinderopvangtoeslag over 2011 en 2012 geen fouten zijn gemaakt en dat voor deze jaren daarom geen compensatie wordt toegekend. Voor 2013 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat aan [appellante] een persoonlijke betalingsregeling voor de terugvordering van kinderbijslag is geweigerd wegens de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (O/GS-kwalificatie) ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering. Daarvoor zou [appellante] op grond van artikel 2.6, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een forfaitaire vergoeding van € 2.100,00 kunnen ontvangen. Verder heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de werkelijk geleden schade, als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de Wht, vastgesteld op € 22.097,69. Omdat de beide schadebedragen, bij elkaar opgeteld, niet hoger zijn dan de tegemoetkoming die [appellante] op grond van de Catshuisregeling al had ontvangen, heeft de Dienst Toeslagen geen aanleiding gezien om haar een aanvullende schadevergoeding toe te kennen.
3. In deze zaak is in geschil of [appellante] recht heeft op een hoger bedrag aan vergoeding ingevolge de integrale beoordeling of een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar uitspraak ten grondslag gelegd.
4.1. Vaststaat dat van [appellante] over het jaar 2011 een bedrag van € 284,00 aan kinderopvangtoeslag terecht is teruggevorderd, dat over het jaar 2012 in het geheel geen kinderopvangtoeslag van haar is teruggevorderd en dat over het jaar 2013 een bedrag van € 6.999,00 (inclusief € 319,00 heffingsrente) terecht is teruggevorderd, zodat [appellante] geen recht op compensatie op grond van artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wht heeft.
4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de integrale beoordeling de vergoeding correct berekend op het in artikel 2.6, tweede lid, van de Wht bedoelde forfaitaire schadebedrag. De Dienst Toeslagen had niet de mogelijkheid om af te wijken van dat bedrag.
4.3. De werkelijke schade, als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de Wht, komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover deze in causaal verband staat met de onterechte weigering van de persoonlijke betalingsregeling wegens de O/GS-kwalificatie. De Dienst Toeslagen heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd hoe hij is gekomen tot een totale vergoeding van € 22.097,69, bestaande uit € 20.300,00 aan immateriële schade en € 1.297,69 aan materiële schade, vermeerderd met een forfaitaire vergoeding voor procedurele kosten.
4.4. In artikel 2.6, vierde lid, van de Wht is bepaald dat geen aanvullende uitbetaling plaatsvindt, indien op andere wijze in een vergoeding is voorzien. Die situatie is hier, gelet op de eerder toegekende € 30.000,00 op grond van de Catshuisregeling, aan de orde. Niet is gebleken van concrete aanknopingspunten om te concluderen dat de Dienst Toeslagen het schadekader onjuist heeft toegepast of relevante omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat [appellante] volgens haar eigen verklaringen al vanaf 2009 met aanzienlijke schulden kampte. Deze schulden hielden geen verband met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag 2013 en de weigering van de door [appellante] gevraagde betalingsregeling in 2016.
Hoger beroep
5. In wat [appellante] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. [appellante] heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat de werkelijke schade hoger is dan de tegemoetkoming die zij op grond van de Catshuisregeling al heeft ontvangen.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
452-1190