202503918/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2025 in zaak nr. 24/3451 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluiten van 8 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie na de herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag over de jaren 2017, 2018 en 2019.
Bij besluit van 23 september 2024 heeft de Dienst Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat in Best, via een digitale verbinding en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft over de jaren 2017, 2018 en 2019 kinderopvangtoeslag ontvangen. Op 12 januari 2021 heeft hij verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over deze jaren.
2. De Dienst Toeslagen heeft [appellant] op basis van de lichte toets als gedupeerde van de toeslagenaffaire aangemerkt en aan hem het forfaitaire bedrag van € 30.000,00 uit de Catshuisregeling uitbetaald.
3. De Dienst Toeslagen heeft zich in de besluiten van 8 september 2022 op het standpunt gesteld dat in de jaren 2017, 2018 en 2019 bij de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Bij besluit van dezelfde datum heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat over deze jaren ook geen sprake is geweest van hardheid van het stelsel. [appellant] komt dus niet in aanmerking voor compensatie. Deze besluiten zijn genomen na advies van de Commissie van Wijzen.
4. De Dienst Toeslagen heeft in het besluit van 23 september 2024 geconcludeerd dat enkel de aanspraak op compensatie over het jaar 2019 nog onderwerp van geschil is. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de kinderopvangtoeslag over 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen waren het gevolg van de uitkering van te hoge voorschotten en de voorschotten zijn op basis van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. [appellant] heeft geen onterechte kwalificatie Opzet of Grove Schuld (O/GS) gekregen, aldus de Dienst Toeslagen.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van [appellant] is toegespitst op de vraag of hij recht heeft op een Opzet/Grove Schuld-tegemoetkoming (O/GS-tegemoetkoming). Hoewel vaststaat dat [appellant] in 2019 een reguliere terugbetalingsregeling heeft gehad voor teveel uitbetaalde voorschotten kinderopvangtoeslag, is de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Dienst Toeslagen in dit jaar ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling heeft stopgezet, verlaagd of dat die eerder was geweigerd. Dat de Dienst Toeslagen bij het besluit over de lichte toets wel heeft aangenomen dat sprake was van een onterechte kwalificatie O/GS maakt dat niet anders. Die lichte toets is een minder gedegen beoordeling en de Dienst Toeslagen mag bij de integrale herbeoordeling tot een ander oordeel komen, zij het dat eiser het toegekende bedrag van € 30.000,00 mag houden. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat voor het jaar 2018 wel wordt voldaan aan de eisen voor een O/GS-tegemoetkoming, omdat hij ook in dit jaar een reguliere terugbetalingsregeling heeft gehad voor teveel uitbetaalde voorschotten kinderopvangtoeslag, slaagt het beroep ook niet. Ook voor het jaar 2018 heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de Dienst Toeslagen in dit jaar ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling heeft stopgezet, verlaagd of dat die eerder was geweigerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule. [appellant] heeft zijn stelling dat hij financieel en emotioneel in de problemen is gekomen niet onderbouwd.
Hoger beroep en de beoordeling daarvan
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in 2018 en 2019 een betalingsregeling had getroffen met de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft deze betalingsregeling eenzijdig stopgezet, door de nog resterende terug te betalen kinderopvangtoeslag te verrekenen met de zorg- en huurtoeslag over 2014 en 2015. Dit is een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Daarom moet de Dienst Toeslagen aan hem een O/GS-tegemoetkoming toekennen.
6.1. Volgens artikel 2.6, eerste lid, van de Wht, voor zover hier van belang, kent de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
6.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming voor de kinderopvangtoeslag over 2018 en 2019, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een persoonlijke terugbetalingsregeling is stopgezet, verlaagd of hem eerder is geweigerd. Voor de beoordeling hiervan is van belang of [appellant] een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft gedaan. Dit moet voor de terugvordering van € 492,00 over het jaar 2018 een verzoek zijn dat is gedaan na de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag 2018 op 12 juli 2019. Voor de terugvordering van € 284,00 over het jaar 2019 moet dit een verzoek zijn dat is gedaan na de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag 2019 op 30 juni 2020.
6.3. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] betoogt, expliciet overwogen dat [appellant] een terugbetalingsregeling heeft gehad voor de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag over 2018 en 2019, maar uit de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum van deze jaren volgt dat dit reguliere betalingsregelingen zijn geweest. Dit zijn dus geen persoonlijke betalingsregelingen, in de zin van artikel 2.6, eerste lid, van de Wht. De mail van 29 juli 2018 die [appellant] heeft overgelegd, waarin het gaat over de mondelinge afspraak dat [appellant] maandelijks een bedrag van € 432,00 aan de Dienst Toeslagen zou terugbetalen, dateert van vóór de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2018 en 2019. Deze mail heeft alleen al daarom geen betrekking op een betalingsregeling voor de terugvordering over deze jaren. Dat [appellant] in het kader van de huurtoeslag en zorgtoeslag over 2012 tot en met 2015 wel een tegemoetkoming heeft gekregen vanwege een onterechte kwalificatie O/GS, betekent niet automatisch dat dit ook het geval is bij andere toeslagen over andere jaren.
6.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
1067