202503838/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2025 in zaak nr. 24/2891 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2022 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd de geldschuld van [appellante] over te nemen.
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding van [appellante] afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 mei 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.R.R. Oevering, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag voor overname van haar private schulden ingediend. Dit gaat over een schuld van € 22.215,68 bij Interbank.
2. De regeling voor het overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen is aanvankelijk neergelegd in het Besluit betalen private schulden, dat gold vanaf 29 oktober 2021. Daarna is de regeling opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht), die op 5 november 2022 in werking is getreden.
3. Bij besluit van 1 april 2022 heeft de minister besloten de schuld niet over te nemen. Omdat het hiertegen gemaakte bezwaar niet binnen zes weken na 1 april 2022 is ingediend, heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij te laat bezwaar heeft gemaakt. De minister had [appellante] wel in de gelegenheid moeten stellen om toe te lichten waarom zij te laat bezwaar heeft gemaakt. Dat is een gebrek in het besluit van 6 mei 2024. In beroep heeft [appellante] toegelicht dat de termijnoverschrijding volgens haar verschoonbaar was, vanwege persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] geen begin van bewijs heeft geleverd van de door haar gestelde bijzondere omstandigheden. Omdat daarom niet aannemelijk is dat de minister een andersluidend besluit zou hebben genomen als [appellante] wel in bezwaar was gehoord, heeft de rechtbank het gebrek gepasseerd.
Hoger beroep
Artikel 6:22 van de Awb
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Awb is voorbijgegaan aan de schending van de hoorplicht.
5.1. Niet in geschil is dat de minister in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld door [appellante] in bezwaar niet te horen. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb redelijkerwijs heeft kunnen passeren. In dat verband is van belang dat [appellante] in beroep bij de rechtbank alsnog haar standpunt over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding naar voren heeft kunnen brengen. De minister heeft te kennen gegeven dat hij ook met deze toelichting het bezwaar niet-ontvankelijk zou hebben verklaard. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellante] door het gebrek is benadeeld.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding
6. Verder betoogt [appellante] dat door een combinatie van omstandigheden redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat zij in verzuim is geweest. In dat verband wijst zij erop dat zij erkend is als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire. In maart 2022 heeft zij te horen gekregen dat haar schoonvader was opgenomen in het ziekenhuis in Turkije. In de nacht van 10 op 11 april 2022 is haar schoonvader overleden. Op 8 april 2022 heeft zij zelf een operatie gehad voor een bypass. Omdat zij nog moest herstellen van de operatie, kon zij niet naar Turkije reizen voor de begrafenis van haar schoonvader. Ondanks dit alles heeft zij het besluit van 1 april 2022 gezien en naar aanleiding daarvan telefonisch contact opgenomen met het nazorgteam van de Dienst Toeslagen, die haar meedeelde dat bezwaar kansloos zou zijn. In de periode daarna kreeg zij lichamelijk klachten door een nierbekkenontsteking en adenomyose. Ook moest zij onderzoeken ondergaan naar mogelijke borstkanker en een knobbel bij haar schildklier. In juni 2022 is zij opnieuw geopereerd. Het was mentaal en fysiek een zwaar en stressvol jaar, aldus [appellante].
6.1. Niet in geschil is dat [appellante] te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 april 2022, omdat zij op 5 februari 2024 bezwaar heeft aangetekend. De vraag is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
6.2. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
6.3. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.
6.4. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
6.5. De Afdeling stelt vast dat de termijnoverschrijding één jaar en ongeveer negen maanden is. De minister heeft het bezwaarschrift op 5 februari 2024 ontvangen, terwijl de bezwaartermijn op 13 mei 2022 afliep. De omstandigheden die [appellante] naar voren heeft gebracht, in onderlinge samenhang bezien, bieden onvoldoende grond om deze zeer ruime termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hoewel de Afdeling begrijpt dat [appellante] in 2022 een zwaar jaar heeft gehad en ook bewijs van haar ziekenhuisopname op 8 april 2022 en de overlijdensakte van haar schoonvader heeft overgelegd, volgt hieruit niet dat zij niet eerder, bijvoorbeeld al in 2023, bezwaar had kunnen maken dan zij nu heeft gedaan. Het telefonisch gesprek dat zij naar aanleiding van het besluit van 1 april 2022 stelt te hebben gehad met het nazorgteam van de Dienst Toeslagen kan niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de minister het bezwaarschrift van 5 februari 2024 niet-ontvankelijk mocht verklaren.
6.6. Het betoog slaagt niet.
7. Omdat het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van wat [appellante] inhoudelijk heeft aangevoerd over het niet overnemen van haar schuld bij Interbank.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
1067