202307828/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
Pivot Park Screening Centre B.V. en Pivot Park Holding B.V.,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 november 2023 in zaak nr. 21/5799 in het geding tussen:
Pivot
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college de subsidie voor het project ‘COILED’ vastgesteld op € 1.071.229,64, de subsidie voor Pivot vastgesteld op nihil en een bedrag van € 72.899,10 teruggevorderd.
Bij besluit van 9 november 2021 heeft het college het door Pivot daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 november 2023 heeft de rechtbank het door Pivot daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft Pivot hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Het college heeft daarnaast voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 mei 2025, waar Pivot, vertegenwoordigd mr. R.J. de Heer en mr. A. Mahmoud, advocaten in Amsterdam, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Bouwmeester Berends, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. Pivot is een bedrijf dat zich toelegt op "extensive cellular and biochemical in-vitro screening experiments and High Throughput Screening services".
3. De Stichting Katholieke Universiteit - Radboud Universiteit heeft als penvoerder een subsidieaanvraag ingediend voor het R&D-project ‘Center for Open Innovation in LEad Discovery’ (COILED), een systeeminnovatieproject in de productie van farmaceutische halffabricaten (het project). Het betreft een subsidie voor activiteiten gericht op experimentele ontwikkeling of het verrichten van industrieel onderzoek in combinatie met experimentele ontwikkeling. Naast voornoemde Stichting waren als subsidieontvangers bij het project betrokken: Stichting Katholieke Universiteit - Radboud universitair medisch centrum, Pivot, Inntrest Consultancy B.V., BioAxis Research B.V. en Pansynt B.V..
4. Het college heeft, als Management Autoriteit Oost-Nederland, in het kader van de Uitvoeringswet EFRO (de Uitvoeringswet) en de Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016 (de Beleidsregel) aan het project subsidie verleend tot een totaalbedrag van € 1.752.893,00, waarvan € 531.440,00 was bestemd voor Pivot. Een van de subsidievoorwaarden in de Beleidsregel voor het verlenen van een subsidie van meer dan € 1.500.000,00 is dat ten minste drie mkb-ondernemingen ten minste 35% van de subsidiabele kosten maken en betalen (artikel 3.3.4, zesde lid, aanhef en onder a en b, van de Beleidsregel).
5. Het college heeft geconstateerd dat een van ontvangers van de subsidie, te weten Pivot, anders dan in het aanvraagformulier stond vermeld, geen mkb-onderneming is, maar een grootbedrijf. Daardoor is niet voldaan aan voornoemde subsidievoorwaarde. Het college heeft daarom het voornemen geuit de subsidieverlening voor het project met ingang van 1 oktober 2019 in te trekken. Die intrekking houdt in dat de kosten voor de andere subsidieontvangers dan Pivot tot en met 30 september 2019 subsidiabel kunnen zijn. Voor Pivot zal de subsidie op nihil worden vastgesteld.
Besluitvorming
6. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek tot vaststelling van de subsidie, de subsidie voor het project vastgesteld op € 1.071.229,64. Niet is voldaan aan de eis dat ten minste 35% van de subsidiabele kosten zijn gemaakt en betaald door mkb-ondernemingen. Op grond van artikel 3.3.6, vijfde lid, onderdeel d, van de Beleidsregel wordt de subsidie 100% lager vastgesteld als de mkb-ondernemingen 20% of minder van de subsidiabele kosten hebben gemaakt en betaald. Omdat het gerealiseerde percentage aan subsidiabele kosten van de mkb-ondernemingen in dit geval 6,6% bedraagt, is de subsidie voor Pivot met 100% lager vastgesteld. Het college heeft het te veel betaalde bedrag van € 72.889,10 bij Pivot teruggevorderd.
Uitspraak van de rechtbank
7. De rechtbank heeft vastgesteld dat de subsidie een Europeesrechtelijk karakter heeft waarop de Verordening (EU) nr. 1303/2013 (de Verordening) van toepassing is. Het college moet daarom de nationaalrechtelijke grondslag voor lagere vaststelling van de subsidie, te weten artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), conform de Verordening uitleggen.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een onregelmatigheid zoals bedoeld in artikel 2, zesendertigste lid, van de Verordening. Er wordt namelijk niet voldaan aan de in artikel 3.3.4, zesde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel vastgelegde eis dat ten minste 35% van de subsidiabele kosten moeten worden gemaakt en betaald door mkb-ondernemingen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Beleidsregel toepassing geeft aan het Unierecht, in het bijzonder de Verordening. In dit verband volgt uit het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 16 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:360 (Neamt en Bacau) dat het begrip ‘onregelmatigheid’ zo moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op inbreuken op de bepalingen van nationaal recht die bijdragen tot het verzekeren van de juiste toepassing van het Unierecht inzake het beheer van de door de Fondsen van de Unie gefinancierde projecten. Dat de in de Beleidsregel genoemde percentages niet uit de Verordening volgen, maakt volgens de rechtbank niet dat geen toepassing is gegeven aan de Verordening.
7.2. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college terecht een financiële correctie heeft toegepast. In artikel 143, eerste en tweede lid, van de Verordening, en zoals ook volgt uit de arresten van het HvJ van 14 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:562 (Miasto na prawach powiatu), en 6 december 2017, ECLI:EU:C:2017:940 (Compania Nationalá de Autostrázi Si Drumuri Na&nale din Románia), staat dat de lidstaten een financiële correctie moeten opleggen als een onregelmatigheid is geconstateerd. Dat artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb een ‘kan-bepaling’ is, doet daar niet aan af. Die bepaling moet verdragsconform worden uitgelegd en de Verordening biedt geen ruimte voor de toepassing van een discretionaire bevoegdheid.
7.3. De rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat het college ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt bij het vaststellen van de omvang van de financiële correctie. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 7:12 van de Awb, nu de belangenafweging niet blijkt uit het besluit. In artikel 143, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat bij het opleggen van een financiële correctie rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de Fondsen of het EFMZV, en dat de lidstaten een evenredige correctie toepassen. Het college heeft dus ten onrechte - automatisch - een financiële correctie van 100% toegepast. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest van het HvJ van 8 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:451 (ANAS). Verder volgt uit het arrest van het HvJ van 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2462 (SOMVAO) en het arrest Neamt en Bacau alleen dat bij een onregelmatigheid een financiële correctie moet volgen. Daaruit volgt niet hoe in het concrete geval aan de financiële correctie invulling moet worden gegeven. De rechtbank heeft beoordeeld of het besluit van 9 november 2021 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
8. Over de aard en ernst van de overtreding heeft de rechtbank overwogen dat de subsidie van Pivot op nihil is vastgesteld, omdat zij geen aanspraak kan maken op de subsidie. Zij is namelijk geen mkb-onderneming, wat zij niet bij de aanvraag heeft aangegeven. Subsidieverlening aan Pivot betekent volgens de rechtbank dan ook verlies voor de financiële fondsen. De rechtbank is verder van oordeel dat de nihil-stelling van de subsidieverlening de (Unierechtelijke) evenredigheidstoets kan doorstaan. Over de noodzaak en geschiktheid van de maatregel heeft de rechtbank van belang geacht dat de aan Pivot verleende subsidie was bedoeld om mkb-ondernemingen te ondersteunen. Omdat Pivot geen mkb-onderneming is, is de subsidieverlening aan het doel van de subsidie voorbij geschoten. Dat Pivot de gesubsidieerde activiteiten wel heeft uitgevoerd, doet aan de juiste besteding van de subsidiegelden dus niet af. De rechtbank heeft verder overwogen dat de maatregel evenwichtig is. Van Pivot mocht als professionele marktpartij worden verwacht dat zij weet wat haar status is. Daarbij komt dat, voor zover de vragen die hebben geleid tot de door Pivot ingeleverde mkb-verklaring onduidelijk waren, zij ook de verklaring mkb-toets kon invullen, zoals twee van haar projectpartners hebben gedaan. Daarin is expliciet de vraag gesteld of één of meer overheidsinstanties gezamenlijk of indirect zeggenschap over 25% van het kapitaal of stemrecht van de onderneming heeft, wat bij Pivot het geval is. Verder kan het college niet worden verweten dat hij wist of had moeten weten dat Pivot geen mkb-onderneming is. Weliswaar heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag de concernrelaties opgevraagd bij de Kamer van Koophandel, maar dit was alleen om het formulier ‘verklaring geen financiële moeilijkheden’ te toetsen. Voor de toets naar de mkb-status van Pivot heeft het college zich beperkt tot de door Pivot ingeleverde mkb-verklaring. Het college mocht daarbij uitgaan van de juistheid van de door Pivot verstrekte gegevens. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het op nihil stellen van de subsidie voor Pivot onredelijk bezwarend is, is niet gebleken, aldus de rechtbank.
9. De rechtbank is tot slot tot het oordeel gekomen dat er geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Niet is gebleken van een rechtens vergelijkbaar geval dat door het college ongelijk is behandeld. De overige projectpartners hebben namelijk bij de aanvraag geen onjuiste gegevens verstrekt. Dat alle projectpartners samen verantwoordelijk zijn voor de indiening van de subsidieaanvraag, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat in de Beleidsregel wordt gesproken over nihil-stelling van de subsidie. Het college heeft in beroep toegelicht waarom ervoor is gekozen de Beleidsregel alleen ten aanzien van Pivot toe te passen, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Is sprake van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening?
10. Pivot betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen sprake is van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening. Het percentage over de betrokkenheid van mkb-ondernemingen, waar het college naar verwijst, staat niet in de Verordening. Er is dus geen inbreuk op het Unierecht. Ook is de voorwaarde niet af te leiden uit de Regeling Europese EZ-subsidies, waardoor ook geen inbreuk wordt gemaakt op nationaal recht ter uitvoering van Unierecht. De rechtbank heeft artikel 4:46 van de Awb dan ook ten onrechte verdragsconform toegepast.
10.1. De Verordening definieert in artikel 2, zesendertigste lid, een onregelmatigheid als elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken economisch subject, waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld. Hierbij leveren ook inbreuken op bepalingen van nationaal recht die bijdragen tot het verzekeren van de juiste toepassing van het Unierecht inzake het beheer van de door de fondsen van de Unie gefinancierde projecten een onregelmatigheid op (vergelijk het arrest van het HvJ van 26 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:360, onder 37 (Județul).
10.2. De Verordening beoogt verbetering van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de fondsen die steun verlenen in het kader van het cohesiebeleid, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Artikel 9, onder 3, van de Verordening bepaalt dat een van de thematische doelstellingen is: de vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven. In bijlage XI, onder punt 3, van de Verordening wordt daarover verder uiteengezet wat in het kader van EFRO de investeringsprioriteiten en ex-antevoorwaarden zijn en aan welke criteria moet worden voldaan.
10.3. De grondslag naar nationaal recht voor de uitvoering van de Verordening is de Uitvoeringswet EFRO. Artikel 9 van die wet bepaalt dat de daarvoor aangewezen autoriteit (hier: het college) algemene uitgangspunten over de uitoefening van haar bevoegdheden rond subsidieverstrekking vaststelt in een beleidsregel. Hiertoe behoort ook het formuleren van de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden verleend. In dit kader heeft het college de Beleidsregel vastgesteld. De Beleidsregel en het daaraan ten grondslag liggende Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016 zijn op grond van artikel 29 van de Verordening en overeenkomstig artikel 3, vijfde lid, van de Uitvoeringswet door de Europese Commissie goedgekeurd. Uit het voorgaande volgt dat de Beleidsregel bijdraagt aan de juiste toepassing van het Unierecht, in het bijzonder de Verordening. Dit betekent dat een inbreuk daarop een onregelmatigheid is als bedoeld in artikel 2, zesendertigste lid, van de Verordening.
10.4. Vast staat dat Pivot geen mkb-onderneming is. Daarmee is niet voldaan aan de subsidievoorwaarde voor subsidieverlening van meer dan € 1.500.000,00. Dit betekent dat er sprake is van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening, waarop een financiële correctie moet volgen De rechtbank heeft daarom terecht artikel 4:46 van de Awb conform de eisen van de Verordening toegepast.
10.5. Het betoog slaagt niet.
Toepassing van het evenredigheidsbeginsel
11. Pivot betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het op nihil vaststellen van de subsidie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De subsidie is namelijk volledig besteed aan het doel waarvoor de subsidie is verleend. Daarbij komt dat Pivot de mkb-verklaring juist en naar eer en geweten heeft ingevuld. Het is niet te wijten aan Pivot dat achteraf blijkt dat door de vraagstelling in die verklaring de uitkomst anders had moeten zijn. Pivot ziet verder niet in waarom de subsidie voor de andere projectpartners niet op nihil is vastgesteld. Ook had het college bij het toetsen van de aanvraag zelf kunnen controleren of Pivot een mkb-onderneming is.
11.1. Artikel 143, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat de lidstaten een financiële correctie toepassen die noodzakelijk is in verband met individuele of systemische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd. Hierbij houden de lidstaten rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheid en met het financiële verlies voor de Fondsen en passen zij een evenredige correctie toe. Hieruit volgt dat het college bij de constatering van een onregelmatigheid een financiële correctie moet toepassen, waarbij het college bij het toepassen van de financiële correctie een belangenafweging maakt.
11.2. Omdat sprake is van een onregelmatigheid als bedoeld in de Verordening, moet het college een financiële correctie toepassen. Artikel 143, tweede lid, van de Verordening vereist dan dat de financiële correctie voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Eenzelfde evenredigheidsbeoordeling is ook naar nationaal recht vereist.
11.3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het op nihil vaststellen van de subsidie van Pivot niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarvoor is van belang dat het aan Pivot te wijten is dat bij de subsidieaanvraag onjuiste gegevens over haar bedrijfsstatus zijn verstrekt. Pivot heeft immers zelf verklaard een mkb-onderneming te zijn, terwijl het een grootbedrijf is. Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, mocht van Pivot als professionele marktpartij worden verwacht dat zij weet wat haar status is. Het college mocht daarom de subsidie van Pivot op nihil vaststellen. Van de andere subsidieontvangers is niet gebleken dat zij geen mkb-onderneming zijn; zij hebben voor de subsidieaanvraag de juiste gegevens aangeleverd. Zoals het college op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, zou het onverkort toepassen van de Beleidsregel op de andere projectpartners voor hen een onevenwichtig besluit opleveren. De Afdeling ziet daarom niet in waarom de subsidie voor hen ook op nihil had moeten worden vastgesteld.
11.4. Het betoog slaagt niet.
Is er strijd met het gelijkheidsbeginsel?
12. Op grond van hetzelfde argument (zie 11.3), slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel evenmin. Er is namelijk geen sprake van een rechtens vergelijkbaar geval, nu alleen Pivot onjuiste informatie over haar status heeft aangeleverd bij de subsidieaanvraag.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
13. Het college heeft op de zitting van de Afdeling medegedeeld dat hij het incidenteel hoger beroep heeft ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van Pivot gegrond is. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is, waarmee deze voorwaarde dus niet wordt vervuld. Het incidenteel hoger beroep van het college komt daarom te vervallen.
Conclusie
14. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
284-1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
Artikel 2
[…].
36. "onregelmatigheid": elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.
Artikel 122
[…].
2. Onregelmatigheden worden door de lidstaten voorkomen, opgespoord en gecorrigeerd en zij vorderen onverschuldigd betaalde bedragen terug, evenals eventuele rente wegens laattijdige betaling. Zij stellen de Commissie in kennis van onregelmatigheden die 10 000 EUR aan steun uit de fondsen overschrijden en houden haar op de hoogte van significante vooruitgang van de desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures.
Artikel 143
1. De lidstaten zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het onderzoeken van onregelmatigheden, voor het toepassen van de vereiste financiële correcties en voor het doen van terugvorderingen. Bij een systemische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle concrete acties die daarbij betrokken kunnen zijn.
2. De lidstaten passen de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met individuele of systemische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma's zijn geconstateerd. Financiële correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan een concrete actie of operationeel programma. De lidstaten houden rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de Fondsen of het EFMZV en passen een evenredige correctie toe. Financiële correcties worden door de managementautoriteit opgenomen in de rekeningen voor het boekjaar waarin tot de intrekking wordt besloten.
[…].
Artikel 144
1. De Commissie past financiële correcties toe door de bijdrage van de Unie aan een operationeel programma door middel van uitvoeringshandelingen volledig of gedeeltelijk in te trekken overeenkomstig artikel 85 als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie komt dat:
[…].
c) de uitgaven in een betalingsaanvraag onregelmatigheden vertonen die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.
De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde individuele onregelmatigheden en houdt er rekening mee of de onregelmatigheid systemisch is. Wanneer het bedrag van de onregelmatige uitgaven die aan de Fondsen of het EFMZV in rekening zijn gebracht niet precies kan worden bepaald, past de Commissie een vast percentage of een geëxtrapoleerde financiële correctie toe.
2. De Commissie neemt bij haar besluit over een correctie overeenkomstig lid 1 het proportionaliteitsbeginsel in acht door rekening te houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid, en met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen in beheers- en controlesystemen die in het betrokken operationele programma zijn geconstateerd.
[…].
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
[…].
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
[…].
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
[…].
Regeling Europese EZ-subsidies
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
[…];
mkb: midden- en kleinbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, van Verordening 1303/2013;
[…];
subsidieontvanger: begunstigde als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van Verordening 1303/2013;
[…].
Artikel 5.2.1. Subsidiabele activiteiten
1. De managementautoriteit verstrekt subsidie voor activiteiten passend binnen het programma waarvoor de managementautoriteit is aangewezen.
2. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt in de vorm van een bijdrage aan een financieringsinstrument.
Artikel 5.2.2. Subsidieplafond en subsidiebedrag
1. De managementautoriteit stelt een subsidieplafond of twee of meer deelplafonds ter uitvoering van deze regeling vast, alsmede de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag onder het desbetreffende plafond.
2. De managementautoriteit kan een beschikbaar subsidiebedrag bestemmen voor een of meer financieringsinstrumenten.
3. De managementautoriteit maakt de criteria, bedoeld in artikel 125, derde lid, van Verordening 1303/2013, die worden gehanteerd binnen de wijze van verdeling, bedoeld in het eerste lid, bekend.
Uitvoeringswet EFRO
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…].
h. project: samenhangend geheel van activiteiten ter verwezenlijking van de doelstelling van een programma volgens de daarvoor in dat programma vastgestelde criteria;
Artikel 9
Een autoriteit als bedoeld in artikel 3 neemt algemene uitgangspunten omtrent de uitoefening van haar bevoegdheden rond subsidieverstrekking die zij vaststelt ingevolge een EFRO-verordening op in een beleidsregel.
Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2016
Artikel 3.3.1
1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op experimentele ontwikkeling of het verrichten van industrieel onderzoek in combinatie met experimentele ontwikkeling.
2. De in het eerste lid genoemde activiteiten zijn gericht op:
a. algemene innovatie, of
b. koolstofarme innovatie.
Artikel 3.3.2
Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
[…].
e. de mkb-ondernemingen als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, ten minste 30% van de subsidiabele kosten maken en betalen, en
Artikel 3.3.4
[…].
6. In afwijking van het vijfde lid bedraagt de maximale subsidie van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.3.1 € 2.500.000, indien:
a. subsidie aan ten minste drie mkb-ondernemingen wordt verstrekt, en
b. in afwijking van artikel 3.3.2, aanhef en onder e, de mkb-ondernemingen ten minste 35% van de subsidiabele kosten maken en betalen.