202404784/1/R2 en 202404786/1/R2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. Milieuvereniging Oosterhout, gevestigd in Oosterhout,
2. [appellant sub 2], wonend in Den Hout, gemeente Oosterhout,
3. [appellant sub 3], wonend in Den Hout, gemeente Oosterhout,
4. [appellant sub 4], wonend in Den Hout, gemeente Oosterhout,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Oosterhout,
2. het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,
verweerders.
Procesverloop
Zaak nr. 202404786/1/R2
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgesteld voor de nieuwe woningen in het plangebied van het bestemmingsplan "CPO-project en sportpark Den Hout".
Tegen dit besluit heeft [appellant sub 3] beroep ingesteld.
Zaak nr. 202404784/1/R2
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "CPO-project en sportpark Den Hout" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben Milieuvereniging Oosterhout, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Milieuvereniging Oosterhout heeft nadere reacties ingediend.
De raad heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
Milieuvereniging Oosterhout heeft een nadere reactie en nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar Milieuvereniging Oosterhout, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant sub 2], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. M.R.A. Arntz, rechtsbijstandverlener in Roermond, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.P. Euverman, advocaat in Breda, J. Crezee, V.A. van Os, M.R. Buskens, R.K. Janssen en J. Rijnen, zijn verschenen. Verder is daar voetbalvereniging Irene ‘58, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen - behoudens provinciale wegen - het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "CPO-project en sportpark Den Hout" waarvan het ontwerp op 28 september 2023 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wgh, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van 28 woningen in Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) ter plaatse van het hoofdveld van voetbalvereniging Irene ‘58 aan het Ruiterspoor in de kern Den Hout. De beroepen richten zich niet daartegen. Doordat het hoofdveld van de voetbalvereniging komt te vervallen, voorziet het plan ook in de aanleg van een nieuw hoofdveld (sportpark) aan het Ruiterspoor aan de zuidrand van Den Hout, naast het bestaande oefenveld. Milieuvereniging Oosterhout kan zich daar niet in vinden. Zij vindt onder meer dat er geen noodzaak bestaat voor de aanleg van een nieuw veld en dat dit leidt tot een aantasting van natuurwaarden. [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] wonen aan het [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Zij verwachten overlast te zullen ondervinden van het geluid van het parkeerterrein bij het sportpark, de extra voertuigbewegingen en het sportpark zelf.
Besluit hogere waarden
3. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb.
3.1. In de kennisgeving in het Gemeenteblad van de terinzagelegging van het besluit hogere waarden is vermeld dat de Chw van toepassing is, dat de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen en dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend.
3.2. [appellant sub 3] heeft de gronden van zijn beroep tegen het besluit hogere waarden niet in zijn beroepschrift vermeld. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat [appellant sub 3] niet in verzuim is geweest bij het niet binnen de beroepstermijn aanvoeren van zijn beroepsgronden, is zijn beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk.
Bestemmingsplan
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Financiële uitvoerbaarheid en Chw
5. Artikel 1.6a van de Chw bepaalt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet bepaalt dat de raad bij de bekendmaking van een besluit moet vermelden dat de beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld. Dit heeft de raad gedaan. De voor het eerst door Milieuvereniging Oosterhout in een nader stuk na de beroepstermijn naar voren gebrachte beroepsgrond dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is, blijft op grond van artikel 1.6a van de Chw daarom buiten beschouwing.
Noodzaak sportpark
6. Milieuvereniging Oosterhout en [appellant sub 2] betogen dat geen noodzaak bestaat voor een nieuw sportpark. Het ledenaantal van voetbalvereniging Irene ’58 is volgens hen dalende. Onduidelijk is of er een behoeftebepaling heeft plaatsgevonden. Er is geen onderzoek gedaan naar het te verwachten toekomstige ledenaantal. Doordat dit is nagelaten, is geen analyse gemaakt van de mogelijkheid een voetbalvoorziening elders in of bij het dorp mogelijk te maken. Bovendien is sprake van een alternatief op een bestaand sportcomplex op een afstand van minder dan 1 km. Ook is het mogelijk te komen tot een clustering met de naastgelegen tennisvereniging. Ten onrechte is de raad volgens [appellant sub 2] tot de conclusie gekomen dat het belang van de herinrichting van het sportpark zwaarder weegt dan de landschappelijke belangen en de belangen van omwonenden ter voorkoming van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.
6.1. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking).
6.2. Niet in geschil is dat er zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte bestaat aan de op het hoofdveld van voetbalvereniging Irene ’58 voorziene 28 woningen. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting is de raad hier onder verwijzing naar de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op ingegaan. In deze paragraaf is de raad ook kort ingegaan op de verplaatsing van het hoofdveld. Niet in geschil is dat dit een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Wat in de plantoelichting in ruimtelijke zin over de verplaatsing van het voetbalveld staat, schiet echter als motivering voor een laddertoets tekort. Hier staat namelijk in de kern beschouwd alleen een beschrijving van de voorgenomen verplaatsing. De raad heeft daarom bij de vaststelling van het bestemmingsplan gehandeld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
De betogen slagen.
6.3. Naar aanleiding van de beroepen heeft Antea Group in opdracht van de raad alsnog een laddertoets voor de verplaatsing van het voetbalveld verricht. Het resultaat daarvan is neergelegd in een memo van 11 december 2024. De Afdeling zal aan de hand van de stukken, waaronder de plantoelichting, het verweerschrift en het memo beoordelen of alsnog deugdelijk is gemotiveerd dat het plan wat betreft de verplaatsing van het voetbalveld naar een plek buiten het bestaand stedelijk gebied voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
6.4. In de huidige situatie gebruikt voetbalvereniging Irene ’58 een wedstrijdveld en een oefenveld. Dat in de nieuwe situatie kan worden volstaan met het omzetten van het huidige oefenveld in een wedstrijd- en oefenveld, dus zonder aanleg van een nieuw hoofdveld, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. In dat geval zouden alle voetbalactiviteiten zich op één veld moeten afspelen wat niet haalbaar is. Uit de zienswijzenota volgt dat een behoeftebepaling op basis van het huidige aantal teams is opgesteld en dat daaruit volgt dat twee velden nodig zijn, waarbij één veld (het bestaande kunstgrasveld) voor wedstrijden en trainingen kan worden ingezet. Op de zitting heeft de voetbalvereniging tegengesproken dat het aantal leden dalende is. De vereniging is volgens haar juist groeiende en verdere groei wordt in de toekomst verwacht. Daarnaast bestaat bij de vereniging de wens alle wedstrijden op zaterdag te spelen.
De verplaatsing van het hoofdveld is onderdeel van de totale ontwikkeling. Met de verplaatsing naar de zuidkant van Den Hout worden de sportvoorzieningen geclusterd. Dit past binnen het beleid in de sportnota ‘Samen werken aan sporten en bewegen’ waarin staat dat een clustering van sportaccommodaties uit een oogpunt van doelmatigheid gewenst is. Ook staat daarin dat een ‘eigen voetbalvereniging’ per kerkdorp om sociale en maatschappelijke redenen gewenst is. Ook worden met de verplaatsing van het hoofdveld verkeersbewegingen en parkeer- en geluidsoverlast weggenomen uit een woonomgeving. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat een locatie aan de rand van de bebouwde kom passender is voor sportvoorzieningen dan een locatie midden in de kern. Dat elders ruimte kan worden gevonden voor voetbalvereniging Irene ’58 hebben Milieuvereniging Oosterhout en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt. Uit het memo van Antea Group volgt dat er geen alternatieve plaatsen in Den Hout zelf zijn. Rondom Den Hout is alleen aan de zuidkant ruimte voor een nieuw veld. De raad heeft verder van belang kunnen achten dat Den Hout een eigen voetbalvereniging heeft.
Gelet op het voorgaande, heeft de raad kunnen uitgaan van de behoefte aan een nieuw sportpark met twee bij elkaar gelegen velden in Den Hout. Hij heeft alsnog een deugdelijke motivering gegeven voor de verplaatsing van het hoofdveld naar de locatie ten zuiden van Den Hout. Hij heeft het onder 6.2 vastgestelde gebrek daarmee hersteld. Op wat nog meer tegen de verplaatsing is aangevoerd, gaat de Afdeling hierna in.
Omvang bebouwing en parkeerterrein
7. Milieuvereniging Oosterhout voert aan dat de bouwmogelijkheden voor het sportpark te groot zijn. Dit gaat ten koste van de natuur. Verder betoogt zij, evenals [appellant sub 2], dat het parkeerterrein waar 94 plaatsen kunnen komen, overbemeten is. Een onderbouwing van dit aantal plaatsen is niet gegeven. Deze stedelijke activiteit zou volgens Milieuvereniging Oosterhout niet in het buitengebied moeten plaatsvinden en is strijdig met de gebiedsgerichte benadering in de omgevingsvisie Oosterhout. Er wordt onnodig beslag gelegd op het landelijk gebied.
7.1. Ingevolge artikel 6.4.2 van de planregels is het gebruik van de sportvelden en bijbehorende voorzieningen uitsluitend toegestaan na realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing binnen de bestemmingen "Natuur" en "Sport" in overeenstemming met het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen als bijlage 2 bij de planregels.
7.1.1. Tussen het bestaande en het nieuwe veld is binnen de bestemming "Sport" in de verbeelding voorzien in een bouwvlak van ongeveer 72 bij 18 m (1.296 m2) met een goothoogte van maximaal 5 m en een bouwhoogte van maximaal 7 m. Antea Group gaat uit van de komst van één gebouw met een oppervlakte van ongeveer 1.300 m2 waarin een ruimte voor materialen, een kantine en kleedkamers komen. Waarom hiervoor deze oppervlakte nodig is, maakt Antea Group evenwel niet inzichtelijk. Een verwijzing naar de normering van de KNVB is niet voldoende. Een berekening is niet te maken. Bijlage 2 bij de planregels is een landschappelijk inrichtingsplan van Orbis natuur, landschap en klimaat. Op de tekening is een nieuw te bouwen kantine van 505 m2 weergegeven. Daargelaten de vraag of tot die kantine ook de noodzakelijke kleedkamers behoren, legt het plan deze kleinere oppervlakte niet bindend vast. Daarbij komt dat de raad op de zitting heeft gesteld dat het inrichtingsplan achterhaald is maar ook dat een bouwvlak van 1.300 m2 niet nodig is. Het activiteitenplan in het kader van de flora- en fauna-activiteit van 9 september 2025 gaat uit van een kleiner gebouw dan 1.300 m2 op een iets andere plek. Volgens de raad is de bouwhoogte van 7 m, twee bouwlagen, wel nodig, maar ook die noodzaak heeft de raad niet toegelicht. Uit het voorgaande volgt dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom een bouwvlak van ongeveer 1.300 m2 en een bouwhoogte van 7 m mogelijk zijn gemaakt.
Het betoog van Milieuvereniging Oosterhout slaagt in zoverre.
Op wat zij heeft aangevoerd over de gebiedsgerichte benadering, gaat de Afdeling hierna in het kader van de toets aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in. Op het beslag op het landelijk gebied is de Afdeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking al ingegaan.
7.2. Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn binnen de bestemming "Sport" parkeervoorzieningen mogelijk ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein". In de verbeelding is met deze aanduiding bepaald waar in de nieuwe situatie geparkeerd moet worden, namelijk aan de kant van het Ruiterspoor met de mogelijkheid van een ontsluiting op die weg. In het landschappelijk inrichtingsplan van Orbis zijn de parkeervakken ingetekend.
7.2.1. In paragraaf 4.1.3.3 van de plantoelichting is de raad ingegaan op het benodigde aantal parkeerplaatsen. De raad is uitgegaan van een parkeernorm van 27 parkeerplaatsen per ha netto terrein. In de nieuwe situatie zijn er twee velden van elk 7.226 m², totaal 14.452 m² (afgerond 1,5 ha). Dit leidt tot een aantal van 40,5 parkeerplaatsen. Een concreet op de voorliggende situatie afgestemde redenering leidt tot een hogere parkeerbehoefte, namelijk van 48 parkeerplaatsen. Er worden 56 parkeerplaatsen aangelegd. Daarin zit volgens de raad een berekening voor wedstrijddagen. Er is ruimte om uit te breiden naar 94 parkeerplaatsen. Hiermee wordt volgens de raad ruimschoots voldaan aan de norm.
7.2.2. Niet in geschil is dat het aanduidingsvlak groot genoeg is voor het aanleggen van 94 parkeerplaatsen. In het landschappelijk inrichtingsplan van Orbis zijn de parkeervakken ingetekend. Het zijn er 56 en bij reservering 38. Uitgangspunt van de raad is dat er in eerste instantie 56 parkeerplaatsen worden aangelegd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dat aantal van 56 niet passend voor het nieuwe sportpark heeft kunnen achten. De raad heeft echter niet onderkend dat de 38 volgens Orbis gereserveerde parkeerplaatsen direct en bij recht kunnen worden aangelegd. Het plan voorziet daarmee in 94 parkeerplaatsen. De raad heeft niet kunnen toelichten waarop het extra aantal van 38 is gebaseerd en waar die plaatsen voor nodig zijn.
De betogen van Milieuvereniging Oosterhout en [appellant sub 2] slagen in zoverre.
Beschermd dorpsgezicht
8. Milieuvereniging Oosterhout voert aan dat het nieuwe sportpark nadelige gevolgen heeft voor het beschermd dorpsgezicht van Den Hout.
8.1. Anders dan de locatie voor de nieuwe woningen ligt het sportpark buiten het als beschermd dorpsgezicht op 15 februari 2008 aangewezen gebied van Den Hout. Dat betekent dat de ruimtelijke beperkingen die uit die aanwijzing voortvloeien, niet van toepassing zijn op de gronden van het sportpark en in het bestemmingsplan voor die gronden geen regeling hebben hoeven krijgen.
Tussen het voorziene sportpark en Den Hout bevindt zich, ook buiten het gebied van de aanwijzing, een brede als "Natuur" aangewezen bosstrook. Dat het sportpark tot nadelige gevolgen voor het beschermd dorpsgezicht, met name de verderop gelegen cultuurhistorisch waardevolle Brink (Houtse Heuvel), zal leiden, heeft Milieuvereniging Oosterhout niet aannemelijk gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Omdat deze beroepsgrond niet slaagt, gaat de Afdeling niet in op het betoog van de raad dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb aan een vernietiging van het plan vanwege deze beroepsgrond in de weg staat.
Interim omgevingsverordening
9. Milieuvereniging Oosterhout betoogt dat het bestemmingsplan strijdig is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov). Het sportpark is geen bestaande functie als bedoeld in artikel 3.71, maar een nieuwvestiging als bedoeld in artikel 3.73. Bovendien wordt niet aan de voorwaarden van artikel 3.71 voldaan. En omdat geen sprake is van een bestaand bouwperceel, is het bestemmingsplan ook strijdig met artikel 3.73.
9.1. Paragraaf 3.6.7 van de Iov heeft betrekking op de ontwikkeling van niet-agrarische functies. Artikel 3.71 van de Iov heeft betrekking op bestaande niet-agrarische functies in Landelijk gebied.
Ingevolge artikel 3.71, aanhef en onder c, van de Iov bevat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied regels voor een bestaande niet-agrarische functie die kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
In artikel 1.1 van de Iov is het begrip uitbreiding gedefinieerd als ‘vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak’.
9.2. De raad is in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting en in het verweerschrift ingegaan op de Iov. De raad heeft voor het mogelijk maken van het extra veld toepassing gegeven aan artikel 3.71 van de Iov.
De Afdeling overweegt allereerst dat het plandeel voor het extra veld is gelegen in Landelijk gebied als bedoeld in de Iov. De mogelijkheid van een extra veld is naar het oordeel van de Afdeling een uitbreiding in de zin van de Iov. Immers, het veld sluit aan op het oefenveld dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)" uit 2014 al voor "Sport" is bestemd. Artikel 3.71, aanhef en onder c, van de Iov is, anders dan Milieuvereniging Oosterhout aanvoert, naar het oordeel van de Afdeling van toepassing.
In de plantoelichting is een uiteenzetting gegeven van de gebiedsgerichte benadering, de effecten op andere aspecten en de versterking van de omgevingskwaliteit, waaronder een zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Kort weergegeven heeft de raad uiteengezet dat de ontwikkelingsrichting van het gebied het samenvoegen van sportvoorzieningen in Den Hout betreft. Met deze samenvoeging worden de verkeersbewegingen en eventuele geluidsoverlast geconcentreerd ten zuiden van de bebouwde kom. Het nieuwe voetbalveld wordt samen met het aanwezige oefenveld voorzien van een groene rand waarmee de velden worden ingepast in het buitengebied. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het een redelijke uitbreiding van een bestaand sportterrein is. Als reactie op de beroepsgronden heeft adviesbureau Partners RO in opdracht van de raad een notitie van januari 2025 opgesteld die het voorgaande bevestigt. Milieuvereniging Oosterhout heeft hier verder niets naders tegen ingebracht. De raad heeft de van belang zijnde aspecten uit artikel 3.71, onder c, van de Iov bij het bestreden besluit betrokken en is daarop toereikend ingegaan. Dat een sportvoorziening niet past in agrarisch gebied, zoals Milieuvereniging Oosterhout stelt, maakt niet dat zo’n voorziening daar niet mogelijk gemaakt kan worden. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan niet strijdig is met artikel 3.71 van de Iov.
Aan wat Milieuvereniging Oosterhout over artikel 3.73 van de Iov heeft aangevoerd, komt de Afdeling, gelet op het voorgaande, niet toe.
Het betoog slaagt niet.
Natuur Netwerk Brabant (NNB) en gemeentelijk groenbeleid
10. Milieuvereniging Oosterhout betoogt dat het bestemmingsplan leidt tot een aantasting van natuurwaarden. Een gebied met een grootte van 1,8 ha is uit het NNB gehaald zonder onderzoek, compensatie en herbegrenzing als bedoeld in de artikelen 3.21 en 3.22 van de Iov. Verder is de voorziene bomenkap in strijd met het gemeentelijke Beleidskader Blauw-GroenStructuurvisie (de visie) uit 2023.
10.1. Door een ambtshalve provinciale kaartaanpassing in 2022 ligt het plangebied niet in of aangrenzend aan een gebied dat is aangewezen als NNB. De reden voor het verwijderen van de desbetreffende geïsoleerd gelegen gronden uit het NNB is dat een hier indertijd waargenomen zeldzame diersoort, de zomertortel, al lang niet meer is aangetroffen. Dat de zomertortel ter plaatse niet meer is aangetroffen, heeft Milieuvereniging Oosterhout niet betwist. Nu, anders dan Milieuvereniging Oosterhout betoogt, die herbegrenzing van het NNB in 2022 niet heeft plaatsgevonden op een verzoek van het college van burgemeester en wethouders om het sportpark mogelijk te maken, kan in hetgeen Milieuvereniging Oosterhout terzake aanvoert, geen aanleiding worden gevonden die herbegrenzing onverbindend te verklaren, dan wel buiten toepassing te laten. De dichtstbijzijnde NNB-percelen bevinden zich nu op een afstand van ongeveer 550 m ten oosten en zuiden van het plangebied. Daarvan kon bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden uitgegaan.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
10.2. Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van de Iov bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk gebied of in Landelijk gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het NNB, in aanvulling op de Wet natuurbescherming (Wnb) dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22.
10.2.1. Artikel 3.16 van de Iov betreft de zogenoemde externe werking van een NNB. De raad is in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting ingegaan op de afstand van het plangebied tot het NNB en de kenmerken van het NNB. Daarbij heeft de raad zich gebaseerd op paragraaf 4.2 van het rapport ‘Woningbouwinitiatief Den Hout Oosterhout, Quickscan flora en fauna en bomeninventarisatie’ (quickscan) van Witteveen+Bos van 27 juli 2023, bijlage 3 bij de plantoelichting. De raad heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting of verlies van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB door het sportpark. Milieuvereniging Oosterhout heeft zich beperkt tot het betoog inzake de herbegrenzing en heeft dus niet toegelicht waarom niet van de conclusie van de raad kan worden uitgegaan. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan strijdig is met de in artikel 3.16 van de Iov bedoelde externe werking. Er was daarom ook geen aanleiding voor compensatie als bedoeld in artikel 3.22 van de Iov.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
10.3. Voor het oprichten van de bebouwing van het sportpark moeten daar aanwezige bomen (een houtwal van ongeveer 700 m2) worden gekapt. Die gronden maken evenwel, anders dan Milieuvereniging Oosterhout en de raad aannemen, geen onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur zoals neergelegd op de kaart in de visie uit 2023. De hoofdgroenstructuur eindigt in de visie aan de zuidkant van het oefenveld. Wat op pagina 17 van de visie over het sportpark staat beschreven, beperkt zich naar het oordeel van de Afdeling tot het oefenveld omdat het voorliggende bestemmingsplan ten tijde van het vaststellen van de visie nog niet was vastgesteld. Verder gold ter plaatse tot dusver een agrarische bestemming. Nog daargelaten dat uit de visie niet volgt dat daar niet van kan worden afgeweken dan wel dat de kap van bomen, mits gecompenseerd, daarmee in overeenstemming kan zijn, is het bestemmingsplan dus niet in strijd met de visie vastgesteld. Dat de visie na de planvaststelling is aangepast, is niet van belang omdat bepalend is de visie zoals deze gold ten tijde van de planvaststelling.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Beschermde soorten
11. Volgens Milieuvereniging Oosterhout is ontoereikend ingegaan op de gevolgen van het plan voor het leefgebied van beschermde soorten, zoals zomertortel, ijsvogel, torenvalk, steenuil, kerkuil en marterachtigen. Het sportveld komt op een afstand van minder dan 50 m van de broedplaats van een steenuil en kerkuil. De bevindingen van Witteveen+Bos in de stukken van 27 januari 2025 en 9 september 2025 komen niet met elkaar overeen. Leef- en foerageergebied gaat verloren, de dieren worden verjaagd door het geluid van speakers, muziek en gejoel en er is niet voorzien in mitigerende en compenserende maatregelen dan wel alternatieve locaties. Verder is het huidige gebied als natuur ingericht en geschikt voor marterachtigen. Er heeft geen cameraonderzoek plaatsgevonden. De noodzakelijke omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit zal niet verleend kunnen worden, zo voert Milieuvereniging Oosterhout aan.
Ook [appellant sub 2] betoogt dat het effect van de geluidsbelasting van het nieuwe sportpark op steenuil en kerkuil, vleermuizen en marterachtigen niet voldoende in kaart is gebracht. Er zullen volgroeide bomen worden gekapt. Omdat het jaren zal duren voordat de nieuw te planten bomen volgroeid zullen zijn, zullen dieren permanent wegtrekken wat leidt tot een verarming van de biodiversiteit.
11.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
11.2. Voor het bestemmingsplan is ecologisch onderzoek gedaan door Witteveen+Bos. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de quickscan van 27 juli 2023 die als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd. Verder is als bijlage 4 het rapport ‘Woningbouwinitiatief Den Hout Oosterhout, Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek’ (het aanvullende ecologische onderzoek) van 23 november 2022, met daarachter een eerdere versie van de quickscan van 7 november 2022, bij de plantoelichting gevoegd. In paragraaf 4.2.1 van de plantoelichting heeft de raad een samengevatte weergave van deze rapporten opgenomen.
11.3. Witteveen+Bos heeft veldonderzoek gedaan. Er is in het plangebied een groot aantal vogelsoorten, zoals koolmees, roodborst, pimpelmees, spreeuw, ekster, kauw, heggenmus en huismus, waargenomen, maar niet zomertortel en ijsvogel. Waarom die twee soorten bij het onderzoek over het hoofd zouden zijn gezien, maakt Milieuvereniging Oosterhout niet duidelijk. De omstandigheid dat deze soorten in het verleden in het plangebied aanwezig waren, geeft geen aanleiding om het onderzoek naar soorten ondeugdelijk te achten. Milieuvereniging Oosterhout stelt bovendien ook niet zelf dat deze soorten ter plaatse nog aanwezig zijn. Verder valt uit de aanpassing van de begrenzing van het NNB, zoals besproken onder 10.1, op te maken dat de zomertortel na 2002 niet meer in en om het plangebied is waargenomen. Dit wordt bevestigd in de notitie van Witteveen+Bos van 27 januari 2025 (de ecologische notitie) waarin deze de constatering van de provincie onderschrijft. Verder staat in die notitie dat het op basis van bekende natuurgegevens niet aannemelijk is dat het plangebied van belang is voor deze twee soorten. Voor zover bekend, is het aantal waarnemingen van zowel zomertortel als ijsvogel binnen een straal van enkele kilometers rondom Den Hout in de periode 1999-2024 zeer beperkt. De raad heeft van deze bevindingen kunnen uitgaan. Milieuvereniging Oosterhout heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders ligt. Gelet hierop, heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime voor zomertortel en ijsvogel op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dit geldt ook voor de torenvalk waarvan Milieuvereniging Oosterhout alleen heeft gezegd dat deze soort in het plangebied goed gedijt.
Het betoog van Milieuvereniging Oosterhout slaagt in zoverre niet.
11.4. Naar de soorten kerkuil en steenuil en naar marterachtigen heeft na de quickscan en het aanvullende ecologische onderzoek in 2025 verder onderzoek plaatsgevonden. Daaruit volgt en ook is niet in geschil dat de onderzoeken naar deze soorten die ten grondslag zijn gelegd aan het bestemmingsplan niet toereikend waren en inmiddels achterhaald zijn. In zoverre heeft de raad het bestemmingsplan met het oog op deze soorten niet deugdelijk voorbereid. Dit betekent dat de betogen van Milieuvereniging Oosterhout en [appellant sub 2] slagen. De Afdeling zal beoordelen of de raad zich op basis van de meest recente onderzoeken op het standpunt heeft kunnen stellen dat op voorhand de soortenbescherming niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.
11.5. In de bij het verweerschrift gevoegde ecologische notitie van 27 januari 2025 is ingegaan op steenuil en kerkuil. Witteveen+Bos is daarin tot de conclusie gekomen dat het bestemmingsplan niet leidt tot een zodanige afname van het foerageergebied van de steenuil dat het functioneren van de nestplaats in het geding is. Wat betreft een door Milieuvereniging Oosterhout genoemde nestplaats op het perceel [locatie 4] van de kerkuil merkt Witteveen+Bos op dat die haar niet bekend is. Daarbij merkt zij op dat het foerageergebied van een kerkuil heel groot is en dat het plangebied slechts een marginaal deel daarvan is. Steenuil en kerkuil vormen voor het project geen belemmering, mits algemene maatregelen tijdens de uitvoering in acht worden genomen, zoals beschreven in de ecologische rapporten. Een vergunning is volgens Witteveen+Bos niet nodig.
In het verweerschrift heeft de raad evenwel uiteengezet dat inmiddels, de Afdeling begrijpt op 28 oktober 2025, een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor steenuil en kerkuil bij de provincie is ingediend. Bij de vergunningaanvraag behoort het rapport ‘Ecologische ondersteuning BP Sportpark Den Hout, Activiteitenplan steenmarter, steenuil en kerkuil’ (het activiteitenplan) van 9 september 2025. Daarin zijn mitigerende en compenserende maatregelen beschreven om de negatieve effecten zoveel mogelijk te verzachten of te compenseren. Op korte termijn leidt het plan mogelijk indirect tot het ongeschikt raken van één nestplaats van de steenuil en één nestplaats van de kerkuil. Dit is het gevolg van verstoring van de nestplaatsen (optische verstoring, verstoring door geluid en/of verstoring door licht), zowel tijdens de uitvoeringsfase van de werkzaamheden als tijdens de toekomstige gebruiksfase. Voor de steenuil is dit daarnaast het gevolg van een afname van het areaal van het essentiële foerageergebied rondom de nestplaats. Voor de kerkuil speelt de afname van het areaal aan foerageergebied geen rol, omdat dit gebied aanzienlijk groter is dan bij de steenuil en dus grotendeels intact en beschikbaar blijft. Door het treffen van mitigerende maatregelen wordt voorkomen dat de lokale staat van instandhouding van steenuil en kerkuil wordt aangetast als gevolg van de werkzaamheden. De individuen kunnen de betreffende nestplaatsen blijven gebruiken, doordat maatregelen worden genomen, zoals het behoud van de schuur met de nestgelegenheid daarin op het perceel [locatie 4], om de verstoring van deze nestplaatsen en het verlies aan foerageergebied tegen te gaan. Op de lange termijn zijn negatieve effecten van het voornemen op de lokale staat van instandhouding van steenuil en kerkuil daarmee volgens Witteveen+Bos uitgesloten.
De raad stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor de aanname dat de vergunning niet kan worden verleend. Daarbij is de raad ingegaan op het geldende beoordelingskader in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen andere bevredigende oplossing is, dat het plan niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding van steenuil en kerkuil en dat het gaat om een wettelijk belang. Aan de omgevingsvergunning kunnen de noodzakelijke mitigerende en compenserende maatregelen als voorwaarde worden verbonden. Milieuvereniging Oosterhout heeft opgemerkt dat de voorgenomen maatregelen niet voldoen en er een kans is dat de vergunning niet wordt verleend omdat niet kan worden voldaan aan het beoordelingskader. Wat zij heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de Afdeling, nu het hier gaat om een uitvoerbaarheidstoets in de bestemmingsplanprocedure, onvoldoende om aan wat de raad heeft uiteengezet voorbij te gaan. Met wat de raad alsnog heeft laten onderzoeken, zoals ook neergelegd in het activiteitenplan, en de motivering in het verweerschrift heeft hij alsnog aannemelijk gemaakt dat het soortenbeschermingsregime voor steenuil en kerkuil niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Het onder 11.4 vastgestelde gebrek is daarmee hersteld.
11.6. Bij het verweerschrift heeft de raad de ecologische notitie van 27 januari 2025 overgelegd. Witteveen+Bos is daarin tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is voor nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor kleine marterachtigen. Niettemin is alsnog nader onderzoek uitgevoerd in de periode mei tot en met juli 2025. Daarbij is gebruik gemaakt van camera’s. Dat onderzoek heeft geleid tot het rapport ‘Soortgericht onderzoek marterachtigen’ van Witteveen+Bos van 9 september 2025. In dit rapport staat dat aannemelijk is dat het plangebied een functie vervult als foerageergebied voor de steenmarter. In verband met de noodzakelijke kapwerkzaamheden is een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit nodig. In dit rapport staat niet dat dit ook het geval is voor andere marterachtigen. Uit de door Milieuvereniging Oosterhout overgelegde foto’s van overreden andere marterachtigen, volgt niet dat ook voor andere marterachtigen dan de steenmarter vergunningverlening nodig is.
In het verweerschrift heeft de raad uiteengezet dat inmiddels, de Afdeling begrijpt op 28 oktober 2025, een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de steenmarter bij de provincie is ingediend. Bij de vergunningaanvraag behoort het activiteitenplan van 9 september 2025. Daarin zijn mitigerende en compenserende maatregelen beschreven om de negatieve effecten zoveel mogelijk te verzachten of te compenseren. Negatieve effecten als gevolg van verstoring in de gebruiksfase van het voetbalveld, de parkeerplaats en het clubgebouw (optische verstoring, verstoring door geluid en/of verstoring door licht) worden volgens het activiteitenplan niet verwacht, aangezien in de bestaande situatie al sprake is van een vergelijkbare mate van verstoring, en de steenmarter daarnaast voornamelijk nachtactief is, wanneer op en rondom het voetbalveld geen activiteiten plaatsvinden.
De raad stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor de aanname dat de vergunning niet kan worden verleend. Daarbij is de raad ingegaan op het geldende beoordelingskader in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen andere bevredigende oplossing is, dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de steenmarter in het verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en dat het gaat om een wettelijk belang. Aan de omgevingsvergunning kunnen de noodzakelijke mitigerende en compenserende maatregelen als voorwaarde worden verbonden. Milieuvereniging Oosterhout heeft alleen opgemerkt dat er een kans is dat de vergunning niet wordt verleend omdat niet kan worden voldaan aan het beoordelingskader. Dat is naar het oordeel van de Afdeling in deze procedure onvoldoende om aan wat de raad heeft uiteengezet voorbij te gaan. Met wat de raad alsnog heeft laten onderzoeken en de motivering in het verweerschrift heeft hij alsnog aannemelijk gemaakt dat het soortenbeschermingsregime voor de steenmarter niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Het onder 11.4 vastgestelde gebrek is daarmee hersteld.
11.7. [appellant sub 2] heeft volstaan met de opmerking dat het effect van de geluidsbelasting van het sportpark op vleermuizen niet is onderzocht. In paragraaf 5.2.3 van de quickscan en in paragraaf 4.1 van het aanvullende ecologische onderzoek is ingegaan op vleermuissoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek in het plangebied geen waarnemingen gedaan van vleermuizen. Niet is uitgesloten dat het oude clubgebouw dient als verblijfplaats. Het plangebied is geschikt als foerageergebied. De te verwijderen bomen zijn mogelijk van belang als vliegroute, maar daarvoor zijn er voldoende alternatieven, ook in de vorm van nieuwe aanplant.
In de rapportages is verder ingegaan op de geluidsgevolgen van de werkzaamheden voor het nieuwe sportpark. Die gevolgen worden met name veroorzaakt door heien en intrillen van palen. Verstoring door geluid kan worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen. Als uit nader onderzoek een verblijfplaats van vleermuizen blijkt, is voor de werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Dat de geluidsgevolgen in de gebruikssituatie relevant anders zijn dat tijdens de werkzaamheden heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt. De velden worden grote delen van de week niet gebruikt en ook niet laat in de avond. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime voor vleermuizen niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt in zoverre niet.
Akoestische gevolgen
12. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de raad ten onrechte geen akoestisch onderzoek heeft gedaan naar de geluidsgevolgen van het parkeerterrein en het sportpark op de woningen aan het Ruiterspoor. Daarbij heeft de raad volgens hen niet onderkend dat er een voetbalveld bij komt en dat het ledenaantal van de voetbalvereniging hierdoor zal toenemen. Ook is de cumulatieve geluidsbelasting van het parkeerterrein, het sportpark en de nieuwe woningen op hun woningen ten onrechte niet onderzocht. Milieuvereniging Oosterhout voert aan dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is gedaan. Daardoor is onzeker of het sportpark kan voldoen aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
12.1. De raad beroept zich op het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb wat betreft de beroepsgrond van Milieuvereniging Oosterhout over de geluidsgevolgen. Milieuvereniging Oosterhout komt met name op voor de natuurbelangen in de omgeving. Dat is een belang waarvoor zij volgens haar statuten kan opkomen. Het geluid van het sportpark heeft ook invloed op de natuur. De Afdeling zal haar beroepsgrond dan ook beoordelen.
12.2. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] wonen in de nabijheid van de te maken toegangsweg tot het nieuwe sportpark. Een aanzienlijk deel van het verkeer naar en van het sportpark zal langs hun woningen rijden.
Als bijlage 8 is bij de plantoelichting het rapport ‘Rapportage onderzoek wegverkeerslawaai Ruiterspoor Den Hout’ van Econsultancy van 21 juni 2023 gevoegd. Dit rapport is evenwel beperkt tot de geluidsgevolgen van wegverkeerslawaai voor de in de kern van Den Hout nieuw te bouwen woningen. Op pagina 15 van de plantoelichting is volgens de raad toegelicht hoe bij de inrichting van het sportpark rekening is gehouden met de geluidsgevolgen van de sportaccommodatie. Op die pagina staat echter niet meer dan dat het gebouw met kantine en kleedkamers aan de noordzijde geen te openen delen zal bevatten waarmee eventuele geluidsoverlast ter hoogte van de woningen aan de Hoge Akker wordt voorkomen. Dat hiervoor akoestisch onderzoek is gedaan, is niet gebleken. Bovendien is dat ontoereikend omdat naar de geluidsgevolgen voor de woningen aan het Ruiterspoor door het extra verkeer naar en van het nieuwe sportpark, het gebruik van het sportpark zelf en de cumulatieve geluidsbelasting met het verkeer van de nieuwe woningen geen onderzoek is gedaan. Of aan de normering van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan, heeft de raad ook niet duidelijk gemaakt. Dit betekent dat de raad het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid.
De betogen slagen.
12.3. Met het aanvullende verweerschrift heeft de raad het gemeentelijke rapport ‘Geluidno[ti]tie bestemmingsplan CPO-project en sportpark Den Hout’ (het geluidrapport) van 20 november 2024 overgelegd. In dit rapport staat dat voldaan kan worden aan de geluidsnormen die gelden voor de sportaccommodatie en dat voor omwonenden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. In het rapport is daarbij onder meer van belang geacht dat ingevolge artikel 6.4.3 van de planregels het gebruik van de gronden met de aanduiding "parkeerterrein" als bedoeld in artikel 6.1 uitsluitend is toegestaan na realisatie en instandhouding van een dichte erfafscheiding met een minimale hoogte van 2 m ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2" binnen de bestemming "Natuur". Ingevolge artikel 1.27 is een dichte erfafscheiding een erfafscheiding waarmee lichthinder, veroorzaakt door motorvoertuigen, bij omliggende woningen wordt voorkomen.
12.4. In het geluidrapport is ingegaan op de enkelvoudige en cumulatieve geluidsgevolgen op de woningen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] van het sportpark. Volgens het rapport zal het industrielawaai (sportvelden, parkeerterrein, bedrijf) bij hun woningen toenemen, maar nog liggen onder het toekomstige wegverkeerslawaai en daarmee aanvaardbaar zijn, waarbij komt dat de geluidsbelasting bij de woningen in de kern van Den Hout, bij het huidige hoofdveld, zal afnemen.
Uit het geluidrapport kan worden opgemaakt dat bij de woning [locatie 3] de hoogste geluidsbelasting zal ontstaan. Het langtijdgemiddelde industrielawaai zal toenemen van 50 tot 61 dB(A) en de cumulatieve geluidsbelasting zal met 64 dB tamelijk slecht zijn. Om de geluidsbelasting van het industrielawaai te beperken is ervan uitgegaan dat er een dichte erfafscheiding komt. Daarbij heeft de raad het van belang geacht dat een erfafscheiding wordt geplaatst ter voorkoming van lichthinder bij woningen. Daartoe is de voorwaardelijke verplichting in artikel 6.4.3 van de planregels opgenomen. In de verbeelding is alleen aan de westzijde van het parkeerterrein, ter hoogte van de woning [locatie 3], voorzien in de - op die voorwaardelijke verplichting betrekking hebbende - aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2".
De vanwege mogelijke lichthinder noodzakelijk geachte erfafscheiding zal volgens de raad in de praktijk ook fungeren als geluidwering. De Afdeling maakt uit het geluidrapport op dat een geluidwerend scherm ook uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Niettemin is in de planregels niet geborgd dat de erfafscheiding ook een geluidwering van ongeveer 2 dB(A) zal bewerkstelligen. Daarbij is verder van belang dat die erfafscheiding alleen ter hoogte van de westelijk gelegen woning [locatie 3] mogelijk is gemaakt en niet ter hoogte van de noordwestelijk gelegen woningen [locatie 1] en [locatie 2]. Of de voorziene erfafscheiding voor die woningen leidt tot een noodzakelijk lagere geluidsbelasting, is niet duidelijk geworden, terwijl er in de conclusie van het geluidrapport wel van wordt uitgegaan dat er door een scherm ook bij die woningen een lagere geluidsbelasting zal zijn.
In paragraaf 5.3 van het geluidrapport wordt ervan uitgegaan dat 38 parkeerplaatsen voorlopig niet worden aangelegd. Of dit betekent dat die 38 plaatsen, die wel bij recht mogelijk zijn gemaakt, daarom niet zijn meegerekend, is niet duidelijk. Daar komt bij dat de woning [locatie 3] op korte afstand van de voorziene in- en uitrit van het parkeerterrein ligt. Er zal ter hoogte van die woning sprake zijn van afremmend en optrekkend verkeer. Uit wat op de zitting is besproken, is de Afdeling niet gebleken dat daar rekening mee is gehouden. Verder is voor de Afdeling onduidelijk gebleven of in het geluidrapport met de juiste bedrijfssituatie is gerekend. Uit wat in paragraaf 7.4 van dat rapport staat, lijkt onder meer te volgen dat is uitgegaan van 62 in plaats van 94 parkeerplaatsen, 8 in plaats van 10 voetbalteams en afwijkende gebruikstijden en -dagen.
De raad heeft met het geluidrapport daarmee niet deugdelijk gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning [locatie 3], en in het verlengde daarvan bij de woningen [locatie 1] en [locatie 3], waar ook hogere geluidsbelastingen zijn berekend, aanwezig zal zijn.
Hier komt verder bij dat in het geluidrapport ervan is uitgegaan dat het geluid van het parkeerterrein niet meegenomen hoeft te worden bij de beantwoording van de vraag of aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen normering zal worden voldaan, omdat dit als openbaar terrein geen deel uitmaakt van de inrichting. Duidelijk is evenwel dat het parkeerterrein alleen ten behoeve van de voetbalvereniging nodig is en aangelegd wordt en mogelijk voorzien wordt van een afsluiting. Het zal een functioneel onderdeel van het sportpark zijn. Onder die omstandigheden moet het parkeerterrein naar het oordeel van de Afdeling als onderdeel van de inrichting worden gezien. Dat betekent dat de geluidsgevolgen van het parkeren moeten worden betrokken bij de beoordeling of aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Dat in het rapport staat dat ook met het parkeerterrein aan de normen kan worden voldaan, acht de Afdeling niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Onduidelijk is welke uitgangspunten, zoals het aantal parkeerplaatsen en de geluidwering van het op te richten scherm, voor die aanname zijn gehanteerd. Dat met maatwerkvoorschriften of met fysieke maatregelen zoals een geluidsluis kan worden bewerkstelligd dat aan het Activiteitenbesluit kan worden voldaan, staat in het rapport, maar is verder niet inzichtelijk gemaakt. Daarbij is onduidelijk of dit noodzakelijk is en of het college van burgemeester en wethouders daartoe wil overgaan. Daarmee is niet inzichtelijk gemaakt of het sportpark onder de toepasselijke geluidsnormen kan functioneren.
Het onder 12.2 vastgestelde gebrek is niet hersteld. Het is daarom niet nodig in te gaan op het betoog van [appellant sub 4] dat de raad in strijd handelt met de goede procesorde door de late inzending van het geluidrapport.
Verkeer over het Ruiterspoor en alternatieve ontsluiting
13. [appellant sub 2] voert aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de toename van het aantal verkeersbewegingen op het Ruiterspoor. De gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat zijn niet bezien.
Verder voert [appellant sub 2] aan dat er voor de ontsluiting van het sportpark een beter alternatief is door deze achterlangs het perceel [locatie 4] aan te leggen. De raad heeft dit alternatief alleen om financiële redenen van de hand gewezen.
13.1. De ontsluiting van het sportpark komt op het Ruiterspoor uit, maar niet recht voor een woning. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad het alternatief van een ontsluiting achterlangs het perceel [locatie 4] niet alleen om financiële redenen afgewezen. Uit de zienswijzenota volgt dat de raad dit alternatief heeft afgewogen. De raad heeft dit alternatief niet hoeven kiezen omdat hij de nadelen daarvan groter heeft kunnen vinden dan die van de gekozen ontsluiting. Ten eerste heeft de gemeente de gronden niet in eigendom, ten tweede leidt dit tot een langer tracé met extra kosten en ten derde zou dat tracé leiden tot een aantasting van het landschap. Voor zover op de zitting nog is gesproken over een ander alternatief via de Herstraat is door de raad en de voetbalvereniging onweersproken gesteld dat die weg te smal is voor het toekomstige verkeer. Dat alternatief heeft de raad daarom ook niet hoeven kiezen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
13.2. De raad is in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting ingegaan op de voordelen van het wegnemen van verkeersbewegingen uit de woonomgeving. Hij heeft echter de gewijzigde verkeersbewegingen die door de verplaatsing van het sportpark over het Ruiterspoor ontstaan niet kenbaar onderzocht. Hij heeft in de genoemde paragraaf volstaan met de opmerking dat de aantallen verkeersbewegingen per auto wellicht toenemen, afhankelijk van het gekozen model. Verder staat in paragraaf 3.3.1 dat er onder meer op het Ruiterspoor een aandachtspunt ligt voor de verkeersveiligheid. Hoe de raad dat vervolgens heeft afgewogen, wordt niet duidelijk. In paragraaf 4.1.3.1 over de verkeersafwikkeling wordt alleen ingegaan op de toename van het aantal verkeersbewegingen op het Ruiterspoor door de nieuwe woningen. In paragraaf 4.5.1 staat dat de verplaatsing van het sportveld in beginsel geen of nauwelijks een verkeerstoename met zich zal brengen. Daarmee heeft de raad niet genoeg inzicht in de nieuwe situatie op het Ruiterspoor gegeven. Hij heeft het bestreden besluit daarom niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
Het betoog slaagt in zoverre.
13.3. In het geluidrapport van 20 november 2024 is wel dit inzicht gegeven. Uit dit rapport kan worden opgemaakt dat de verkeersintensiteit op het Ruiterspoor door het sportpark in noordelijke richting toeneemt van 2.522 naar 3.274 motorvoertuigen en in zuidelijke richting van 2.522 naar 2.710. Hierbij is uitgegaan van het gebruik van 94 parkeerplaatsen op het sportpark. Er is daarmee uitgegaan van de maximale plansituatie. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toekomstige verkeersintensiteiten zijn onderschat. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het Ruiterspoor die intensiteiten niet veilig zal kunnen verwerken. Gelet hierop, heeft de raad het vastgestelde gebrek in zoverre hersteld. Uit wat de Afdeling onder 12.4 heeft overwogen, volgt dat herstel wat betreft de akoestische gevolgen voor de omwonenden evenwel niet heeft plaatsgevonden.
Stikstof
14. Milieuvereniging Oosterhout acht het bestemmingsplan in strijd met de Wnb. Zo zijn de stikstofemissies van het verkeer van en naar het nieuwe sportpark en mobiele bouwmachines niet meegenomen in de berekening. Verder is uitgegaan van een onjuist rekenjaar en is een onjuiste versie van AERIUS Calculator gehanteerd. De koude start en het manoeuvreren op het bouwterrein zijn niet meegenomen. Ook zijn de afstanden waarbij het extra verkeer in het heersende verkeersbeeld opgaat veel groter dan is aangenomen.
14.1. Voor het bestemmingsplan is stikstofonderzoek gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport ‘Notitie stikstofdepositie, woningbouw en herinrichting voetbalvelden Den Hout' van 27 juli 2023, dat als bijlage 8 bij de plantoelichting is gevoegd. De conclusie van dit rapport is dat uit de stikstofberekeningen volgt dat er geen significante gevolgen zullen zijn voor Natura 2000-gebieden en dat wordt voldaan aan de Wnb.
14.2. Uit het rapport van 27 juli 2023 volgt dat de verkeersbewegingen van en naar het nieuwe sportpark in de gebruiksfase verwaarloosbaar zijn geacht en daarom niet zijn meegenomen. De Afdeling acht dit niet juist omdat de meeste rijbewegingen langer worden en er door de omvang van het parkeerterrein meer bewegingen worden verwacht. Dit betekent dat de raad zich niet op het rapport van 27 juli 2023 heeft kunnen baseren. De raad heeft het besluit tot vaststelling van het bestemmingplan niet zorgvuldig voorbereid. Alleen al daarom slaagt het betoog.
Wat Milieuvereniging Oosterhout verder over het rapport van 27 juli 2023 heeft aangevoerd, hoeft niet te worden besproken.
14.3. Bij het verweerschrift heeft de raad het rapport ‘Notitie actualisatie berekening stikstofdepositie woningbouw en herinrichting voetbalvelden Den Hout’ van 20 november 2024 gevoegd. De conclusie van dit rapport is dezelfde als die van het rapport van 27 juli 2023.
In het rapport van 20 november 2024 is gebruik gemaakt van de toen beschikbare versie van AERIUS Calculator van 1 oktober 2024. Dat was de op dat moment meest actuele versie. Voor het oordeel dat is uitgegaan van een onjuist rekenjaar, namelijk 2024 in plaats van 2026, ziet de Afdeling geen aanleiding omdat ervan kan worden uitgegaan dat 2024 ten opzichte van 2026 worst case is door het jaarlijks licht afnemen van de emissies van het wegverkeer. Uit het rapport van 20 november 2024 volgt verder dat het verkeer van en naar de sportvelden alsnog is meegenomen. Ook is de uitstoot van stationair draaien van mobiele werktuigen in aanmerking genomen.
In het rapport van 20 november 2024 zijn tot aan de Vrachelsestraat en het Terheijdensspoor, een afstand van enkele honderden meters, de rijlijnen berekend. In het rapport is rekening gehouden met 179 extra motorvoertuigen per etmaal in noordelijke richting en 45 in zuidelijke richting door de woningbouw op het Ruiterspoor. Voor het sportpark zijn de getallen uit het geluidrapport van 20 november 2024 aangehouden. Dit zijn er 752 in noordelijke richting en 188 in zuidelijke richting. Milieuvereniging Oosterhout heeft deze aantallen niet betwist. Overigens heeft de raad er daarbij terecht op gewezen dat er bij de verkeerscijfers vanwege het sportpark sprake is van een overschatting, omdat ook het bestaande sportpark immers al verkeer genereert, dat ook via het Ruiterspoor wordt afgewikkeld. De Afdeling heeft onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er in het stikstofrapport ten onrechte van is uitgegaan dat het verkeer vanwege het plan in het noorden vanaf de kruising met de Vrachelsestraat en in het zuiden vanaf de kruising met het Terheijdensspoor in het heersende verkeersbeeld is opgenomen. Daarvoor is van belang dat vanaf die kruisingen het verkeer zich niet meer in snelheid en rijgedrag onderscheidt van het overige verkeer en zich vanaf daar tot enkele procenten verdunt. Dat een zodanige verdunning pas bij de Weststadweg en Bredaseweg, enkele kilometers verderop, het geval is, heeft Milieuvereniging Oosterhout niet cijfermatig aannemelijk gemaakt.
Dat in het rapport van 20 november 2024 onvoldoende rekening is gehouden met de bouwfase volgt de Afdeling evenmin. Het rapport is gebaseerd op een in paragraaf 6.3 opgenomen gedetailleerde inschatting van de inzet van transportmiddelen en machines. Manoeuvreren op het bouwterrein is meegenomen als onderdeel van het brandstofverbruik en de bedrijfsduur. Milieuvereniging Oosterhout heeft niet aangegeven waarom de ingevoerde gegevens onjuist zouden zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de raad het onder 14.2 vastgestelde gebrek wat betreft de hier besproken punten heeft hersteld. Dat geldt echter niet voor de emissies van de zogenoemde koude start van voertuigen. Vanaf de in dit geval gebruikte versie van AERIUS Calculator van 1 oktober 2024 moet de koude start worden meegenomen. De raad heeft in het verweerschrift erkend dat de stikstofeffecten daarvan niet zijn meegenomen in het rapport van 20 november 2024, maar dat de koude starts naar verwachting slechts een zeer beperkte bijdrage zullen leveren, die niet zal leiden tot een depositie op Natura 2000-gebieden. Nu dat evenwel niet cijfermatig is onderbouwd, is daarmee niet de vereiste zekerheid verkregen dat er inderdaad geen depositietoename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal optreden op relevante Natura 2000-gebieden.
Landschapsinvesteringsregeling
15. Milieuvereniging Oosterhout voert aan dat het bestemmingsplan strijdig is met de landschapsinvesteringsregeling. Er is een aanvullende landschappelijke kwaliteitsverbetering nodig omdat het sportveld gekoppeld is aan de woningbouw en daardoor een grote waardevermeerdering plaatsvindt.
15.1. De raad volgt voor de toepassing van de landschapsinvesteringsregeling het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant' (vastgesteld in het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant van 18 december 2014), waarin de uitgangspunten voor toepassing van deze regeling zijn vastgelegd. Uit deze regeling volgt dat alleen een aanvullende landschappelijke kwaliteitsverbetering nodig is bij een waardevermeerdering. Het gaat hier om een ruimtelijke ontwikkeling in categorie 3 als bedoeld in de regeling.
15.2. Op pagina 12 van het landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd, is een berekening opgenomen van de benodigde investering in ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit. Uit deze berekening volgt volgens de raad dat de huidige waarde van het zuidelijke gedeelte van het plangebied hoger is dan de toekomstige waarde met het vergrote sportpark en de landschappelijke inpassing. Milieuvereniging Oosterhout bestrijdt die conclusie niet. De raad heeft de woningbouw in de kern van Den Hout naar het oordeel van de Afdeling niet bij de berekening hoeven te betrekken. Uit de regeling kan worden opgemaakt dat deze alleen van toepassing is op het landelijk gebied. Een waardevermeerdering van gronden binnen bestaand stedelijk gebied valt buiten het toepassingsbereik van de regeling. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat een aanvullende landschappelijke kwaliteitsverbetering naast wat met het bestemmingsplan bij het nieuwe veld al mogelijk wordt gemaakt, niet nodig is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
16. Gelet op wat Milieuvereniging Oosterhout, [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.
Gelet op de aard van de in deze uitspraak vastgestelde en niet herstelde gebreken in het bestemmingsplan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het doen van een tussenuitspraak. Aan de mogelijkheid om, zoals door de raad verzocht, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, kan geen toepassing worden gegeven. Een vernietiging van alleen het plandeel voor het sportpark is ook geen mogelijkheid omdat de raad zich op het standpunt stelt dat er een onlosmakelijke samenhang is tussen de plandelen voor de woningbouw en het sportpark.
17. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing aangeduide onderdeel III van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.
18. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.1, eerste alinea, blijft op een eventueel nieuw te nemen besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Proceskosten
19. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 4] vergoeden. Van Milieuvereniging Oosterhout, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout van 20 februari 2024 tot vaststelling van hogere waarden niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen van Milieuvereniging Oosterhout, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 23 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "CPO-project en sportpark Den Hout" gegrond;
III. vernietigt dat besluit;
IV. draagt de raad van de gemeente Oosterhout op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt op de landelijke voorziening;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Oosterhout tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Oosterhout aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 371,00 aan Milieuvereniging Oosterhout;
b. € 187,00 aan [appellant sub 2];
c. € 187,00 aan [appellant sub 3];
d. € 187,00 aan [appellant sub 4].
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
371