202504055/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 juni 2025 in zaak nr. 23/15 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overname van een private schuld afgewezen.
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister, in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar [appellante], vergezeld door [begeleider] en bijgestaan door mr. R.H. Bouwman, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire. In verband daarmee heeft zij een schuldenlijst ingediend waarop, onder meer, een private schuld aan Qander Consumer Finance (Qander) van € 664,88 is vermeld. [appellante] heeft verzocht om overname van deze schuld.
2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor overname en betaling van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van deze wet volgt dat schulden slechts worden overgenomen, indien zij zijn ontstaan na 31 december 2005, voor 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 2 mei 2022 is ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de schuld bij Qander vóór 1 juni 2021 opeisbaar was.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen bij haar oordeel betrokken.
4.1. Op grond van de wettelijke regeling komt de schuld niet voor overname in aanmerking. Dat de schuld zou zijn betaald met de door [appellante] ontvangen € 30.000,00 op grond van de Catshuisregeling, maakt dit niet anders, omdat in dat geval alleen aanspraak bestaat op overname als aflossing heeft plaatsgevonden van schulden die anders op 31 mei 2021 opeisbaar zouden zijn geweest en dan voor overname in aanmerking zouden zijn gekomen. Die situatie is in dit geval, waarbij het gaat om maandelijkse reguliere verplichte betalingen van een kredietkaartschuld, niet aan de orde.
4.2. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Weliswaar heeft de minister, in het schuldenoverzicht in de brief van 13 april 2022, een ongeclausuleerde toezegging aan [appellante] gedaan dat de schuld wordt overgenomen, maar dat neemt niet weg dat het belang van een juiste wetstoepassing zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij nakoming van die toezegging. Voor dat oordeel is relevant dat de minister de fout al heeft gecorrigeerd in het besluit van 2 mei 2022, dat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was, dat dit voor [appellante] kenbaar was of had moeten zijn en dat de fout in het schuldenoverzicht dus evident was. Bovendien is niet aannemelijk dat [appellante] enig nadeel heeft geleden doordat zij enige weken ten onrechte dacht dat de schuld zou worden overgenomen.
4.3. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt evenmin. De stukken die [appellante] heeft overgelegd en de omstandigheden die zij heeft aangevoerd, geven onvoldoende inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor haar heeft gehad, is niet aannemelijk gemaakt dat haar actuele situatie zodanig bijzonder of schrijnend is, dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Hoger beroep
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank het vertrouwensbeginsel onjuist heeft toegepast door het kenbaarheidsvereiste in de belangenafweging te betrekken. Ook heeft de rechtbank niet in de belangenafweging meegewogen dat zij schade van niet-kwantitatieve aard heeft geleden door de onverwachte beslissing van de minister om de schuld niet over te nemen.
5.1. In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de minister met een ongeclausuleerde toezegging in het schuldenoverzicht in de brief van 13 april 2022 bij [appellante] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de schuld wordt overgenomen.
5.2. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of het belang van derden, kunnen zwaarder wegen. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
5.3. [appellante] voert terecht aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij de belangenafweging niet aan de orde kan komen of de fout van de minister voor haar kenbaar was of moet zijn geweest. Dat is immers al beoordeeld in het kader van de vraag of sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen. Hoewel de rechtbank dit niet heeft onderkend, leidt dit, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
5.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het belang van een juiste wetstoepassing in dit geval zwaarder moet wegen dan het belang van [appellante] bij nakoming van de toezegging. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden, doordat haar, in de periode tussen de ontvangst van de brief van 13 april 2022 en de ontvangst van het besluit van 2 mei 2022, was toegezegd dat de schuld zou worden overgenomen. Niet is gebleken dat zij op basis van die toezegging iets heeft gedaan of nagelaten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zij slechts gedurende een korte periode over deze toezegging beschikte. Verder is uit de verklaringen van [appellante] ook niet gebleken dat zij immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft geleden. Dat neemt niet weg dat de Afdeling de teleurstelling en frustratie van [appellante], in het bijzonder vanwege haar toch al broze vertrouwen in de overheid als gedupeerde van de toeslagenaffaire, begrijpt.
Het betoog slaagt niet.
6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. De minister had zich als bestuursorgaan meer moeten inspannen om te voldoen aan zijn verplichtingen op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht om over alle relevante kennis te beschikken.
6.1. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.3, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan de hardheidsclausule niet alleen in onbillijke situaties worden toegepast, maar ook in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend is geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaat om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat de degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen (zie de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).
6.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar actuele financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven. Zij heeft geen reactie gegeven op de brief van de Afdeling van 21 oktober 2025 waarin expliciet is verzocht zo duidelijk mogelijk inzichtelijk te maken welke feiten en omstandigheden volgens haar ertoe leiden dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt, met verbetering van gronden, bevestigd.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
452-1190