202500063/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2024 in zaak nr. 23/6315 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een verzoek van [appellante] om compensatie over het jaar 2013 afgewezen.
Bij besluit van 8 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.C. Scheermeijer, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft op 22 november 2019 een verzoek gedaan om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 tot en met 2014. De Dienst Toeslagen heeft voor de jaren 2010, 2011 en 2014 aan [appellante] een compensatie toegekend van € 69.521,00.
Bij besluit van 25 augustus 2021 heeft de Dienst Toeslagen [appellante] voor het jaar 2013 niet aangemerkt als gedupeerde ouder en het verzoek om compensatie afgewezen, omdat de neerwaartse correctie in dat toeslagjaar een reguliere wijziging was overeenkomstig de informatie van de kinderopvanginstelling. In het besluit van 8 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen daaraan toegevoegd dat [appellante] destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 van 15 mei 2015. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de correctie in die definitieve vaststelling niet juist is en dat zij over december 2013 geregistreerde opvang heeft afgenomen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom de volgens haar ontbrekende e-mails, telefoonnotities en stukken over interne communicatie relevant zijn voor de beoordeling van het verzoek om compensatie.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie over het jaar 2013 heeft toegekend en terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen bij de berekening van de kinderopvangtoeslag over dat jaar. De Dienst Toeslagen mag in beginsel uitgaan van de informatie die een kinderopvanginstelling verstrekt. Als [appellante] het niet eens was met de wijziging voor het toeslagjaar 2013 had zij daar bezwaar tegen kunnen maken. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dat niet kon. De Dienst Toeslagen heeft, ook na het nader onderzoeken van [appellante]s dossier, geen aanwijzingen gevonden dat zij betrokken is geweest bij een onderzoek in het kader van kinderopvang-, huur- of zorgtoeslag of het kindgebonden budget. Daarmee bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen nader onderzoek had moeten verrichten.
Hoger beroep
3. De beroepsgrond over de aanmerking als wanbetaler heeft [appellante] op de zitting ingetrokken.
Zij betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over het jaar 2013. De Dienst Toeslagen heeft namelijk vooringenomen gehandeld door te vertrouwen op de gegevens die door de kinderopvanginstelling zijn aangeleverd, zoals opgenomen in de zogenoemde KOI-viewer, zonder de juistheid daarvan bij haar te checken. Het was immers bekend dat diverse kinderopvanginstellingen onnauwkeurig omgingen met gegevens. De Dienst Toeslagen heeft dan ook in strijd gehandeld met de beoordelingslijn uit paragraaf 3.1.1 van versie 3.16 van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek door zonder meer van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer uit te gaan, terwijl die gegevens afweken van de gegevens die [appellante] heeft verstrekt. De Dienst Toeslagen had voorafgaand aan de neerwaartse correctie voor 2013 bij haar navraag moeten doen.
Verder betoogt [appellante] dat zij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen. Daarom kan zij niet zelf nagaan of zij in aanmerking komt voor de opzet of grove schuldregeling. [appellante] betoogt namelijk dat het niet anders kan dan dat zij een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS) heeft gekregen, gelet op de teruggevorderde bedragen en het toenmalige beleid.
3.1. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb heeft overgelegd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat invorderingsdossier relevant is voor de beoordeling van het besluit van 8 augustus 2023, omdat het niet ten grondslag ligt aan dat besluit. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, onder 6.1 en 6.2. De Dienst Toeslagen heeft terecht vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2013. Ook mag de Dienst Toeslagen in beginsel uitgaan van de informatie die een kinderopvanginstelling verstrekt. Hoewel versie 3.16 van het Handboek nog niet van kracht was ten tijde van het besluit van 8 augustus 2023, zijn de relevante onderdelen van paragraaf 3.1.1 inhoudelijk ongewijzigd gebleven sinds versie 3.1, die gold op het moment waarop dat besluit werd genomen. Dit volgt eveneens uit het versieoverzicht aan het begin van versie 3.16. De Afdeling wijst erop dat in het Handboek expliciet is vermeld dat het ontbreken van één of meer maanden opvang in de KOI-viewer niet per definitie betekent dat de Dienst Toeslagen een uitvraag had moeten doen. Dit is slechts anders als de Dienst Toeslagen redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de KOI-viewer, maar [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat [appellante] bezwaar had kunnen maken tegen het besluit met de neerwaartse bijstelling over 2013, als zij het niet eens was met die wijziging. [appellante] heeft met de enkele ontkenning van de ontvangst van dat besluit niet aannemelijk gemaakt dat dit besluit haar niet bekend was en het voor haar daarom niet mogelijk was daartegen bezwaar te maken. Ten slotte faalt het betoog over de O/GS-kwalificatie, omdat uit de door de Dienst Toeslagen overgelegde bijlagen bij de schriftelijke uiteenzetting volgt dat [appellante] nooit een O/GS-kwalificatie heeft gekregen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
705-1197