202504691/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de burgemeester van Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2025 in zaak nr. 24/8075 in het geding tussen:
de burgemeester
en
[wederpartij].
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2024 heeft de burgemeester de aan [wederpartij] verleende Alcoholwetvergunning per direct ingetrokken.
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2024 vernietigd, het besluit van 19 juni 2024 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Voesenek en S.C.M. Wulms, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. F.J. Poppelaars-Hoogenraad, advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op grond van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet wordt een vergunning door de burgemeester ingetrokken als de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.
2. [wederpartij] was de exploitant van het [horecabedrijf] , gelegen aan [adres]. Zij heeft het café inmiddels verkocht. Op 16 augustus 2016 heeft zij een vergunning aangevraagd voor het schenken van alcoholhoudende dranken. De burgemeester heeft deze vergunning op 10 november 2016 verleend op grond van de destijds geldende Drank- en Horecawet (DHw). De vergunning geldt met ingang van 1 juli 2021 volgens artikel 48b eerste lid van de Alcoholwet als een vergunning op grond van de Alcoholwet.
3. De voormalige exploitant van het café heeft op 12 november 2015 de burgemeester verzocht om de echtgenoot van [wederpartij], als leidinggevende bij te schrijven. Bij besluit van 31 december 2015 heeft de burgemeester dit verzoek afgewezen, omdat de echtgenoot in enig opzicht van slecht levensgedrag was in de zin van artikel 30a, vijfde lid, aanhef en onder a, van de DHW. Daarna is door [wederpartij] hetzelfde verzoek ingediend op 26 juni 2018, 8 november 2018 en 15 augustus 2023. Ook deze verzoeken zijn door de burgemeester afgewezen, waardoor het [wederpartij] niet toegestaan is om haar echtgenoot te laten optreden als leidinggevende van het café.
Besluitvorming
4. Bij brief van 14 maart 2024 heeft de burgemeester aan [wederpartij] medegedeeld dat hij voornemens was de vergunning in te trekken, omdat de feitelijke situatie in het café niet overeenkwam met de door haar aangevraagde vergunning en wel omdat de echtgenoot van [wederpartij] in het café optrad als eigenaar en leidinggevende. Bij brief van 16 maart 2024 heeft [wederpartij] tegen dit voornemen een zienswijze ingediend. Bij besluit van 19 juni 2024 heeft de burgemeester vervolgens de vergunning van [wederpartij] per direct ingetrokken, omdat de feitelijke situatie in het café niet overeenkwam met de door haar aangevraagde vergunning. De burgemeester heeft daarbij herhaald dat de echtgenoot in het café de rol van eigenaar en leidinggevende vervult, terwijl [wederpartij] hem op de aanvraag niet als leidinggevende heeft opgegeven. Zij heeft dan ook onjuiste of onvolledige gegevens als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet opgegeven bij de aanvraag. Als de burgemeester bij de beoordeling van de aanvraag in 2016 hiermee bekend was geweest, zou hij de vergunning niet hebben verleend.
Uitspraak van de rechtbank
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester niet aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] bij het indienen van de aanvraag voor een vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij de beoordeling of sprake is van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens de situatie op het moment van de aanvraag op 16 augustus 2016 van belang is. De rechtbank heeft overwogen dat de verzoeken tot bijschrijving van de echtgenoot pas vanaf 26 juni 2018 dateren. Hieruit volgt onvoldoende dat [wederpartij] al op 16 augustus 2016 van plan was haar echtgenoot als leidinggevende te laten optreden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de vorige exploitant in 2015 ook verzocht heeft hem als leidinggevende bij te schrijven. Dat de echtgenoot en zijn advocaat aan de politie en aan de media verklaard hebben dat hij eigenaar is van het café, betekent niet dat de aanvraag destijds verkeerd door [wederpartij] is ingevuld. Verder heeft [wederpartij] onweersproken gesteld dat zij op dat moment nog geen relatie had met haar echtgenoot. De burgemeester heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom zijn besluit onvoldoende gemotiveerd en niet voldaan aan de bewijslast voor het intrekken van de vergunning. Omdat deze beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
Beoordeling hoger beroep
6. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat [wederpartij] bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Volgens de burgemeester is sprake van een schijnconstructie, waarbij niet zij, maar haar echtgenoot leidinggevende van het café zou worden. De door hem naar voren gebrachte feiten en omstandigheden van vóór en na het verlenen van de vergunning bieden volgens de burgemeester voldoende grondslag om vast te stellen dat sprake is van een situatie die dwingt tot intrekking van de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet. Als deze informatie ten tijde van de beoordeling van de aanvraag van de vergunning beschikbaar was geweest, zou hij de aanvraag hebben afgewezen.
6.1. De Afdeling stelt met de rechtbank voorop dat de bewijslast bij een intrekkingsbesluit op grond van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet bij de burgemeester ligt. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester de vergunning terecht en op goede gronden heeft ingetrokken. Op basis van de door hem genoemde feiten en omstandigheden heeft hij aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt over wie als leidinggevende in het café zou optreden. Zij heeft namelijk bij de aanvraag nagelaten te vermelden dat ook haar echtgenoot leidinggevende zou worden van het café, terwijl dat toen al de bedoeling was en zij dat dus had moeten opgeven. De burgemeester heeft het intrekkingsbesluit kunnen baseren op de hierna genoemde feiten en omstandigheden van vóór en na de verlening van de vergunning in onderlinge samenhang bezien. Ook feiten en omstandigheden die blijken na of dateren van na de vergunningverlening kunnen namelijk leiden tot de conclusie dat de vergunning destijds op grond van een onvolledige of onjuiste opgave is verleend.
De echtgenoot was voordat [wederpartij] exploitant werd van het café al betrokken bij het café, namelijk in elk geval sinds het verzoek om hem als leidinggevende bij te schrijven op de vergunning van het café op 12 november 2015. Verder is door [wederpartij] niet bestreden dat de echtgenoot door toezichthouders vijf keer is aangetroffen in het café zonder dat er een leidinggevende, die vermeld stond op de vergunning of het bijbehorende aanhangsel, aanwezig was. Het gaat dan om controles op 16 februari 2017, 10 oktober 2020, 19 september 2021, 20 november 2022 en 24 januari 2023. Uit de processen-verbaal van controles van toezichthouders blijkt verder dat [wederpartij] zelf sinds 2016 tijdens geen enkele controle is aangetroffen in het café, wat volgens de burgemeester heeft bijgedragen aan het vermoeden dat zij zelf feitelijk geen leiding gaf aan het café. Op andere momenten heeft de echtgenoot zichzelf en in de media en aan de politie ook daadwerkelijk gepresenteerd aan de buitenwereld als feitelijk leidinggevende, dan wel exploitant van het bedrijf. Ook dit is door [wederpartij] niet bestreden. Tot slot heeft de burgemeester van belang kunnen achten dat de echtgenoot in 2023 in aanvullende gronden van bezwaar tegen één van de afwijzingen van de burgemeester om hem te laten bijschrijven als leidinggevende, heeft laten weten dat hij al acht jaar leidinggevende is van het café.
6.2. Nu de burgemeester herhaaldelijk geweigerd heeft om de echtgenoot als leidinggevende bij te schrijven omdat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag was, is duidelijk dat de bij de aanvraag opgegeven gegevens zodanig onjuist of onvolledig waren dat de burgemeester een andere beslissing zou hebben genomen als die volledig bekend zouden zijn geweest. De vergunning is dus terecht ingetrokken.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep tegen de beslissing op bezwaar van de burgemeester van 17 oktober 2024 . Daarbij bespreekt de Afdeling alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beoordeling beroep
8. [wederpartij] heeft in beroep betoogd dat de burgemeester misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de vergunning in te trekken. De intrekking van de vergunning houdt volgens haar namelijk verband met de procedure waarin de burgemeester heeft geweigerd haar echtgenoot bij te schrijven als leidinggevende. De bevoegdheid om de vergunning in te trekken is hier niet voor bedoeld.
8.1. De Afdeling volgt [wederpartij] niet in haar betoog. Zoals [wederpartij] terecht aanvoert, staan de besluiten, waarin de burgemeester heeft geweigerd om de echtgenoot bij te schrijven als leidinggevende, los van het besluit om de vergunning in te trekken. Die intrekking was nodig om de feitelijke situatie te stoppen waarbij de echtgenoot, die van enig slecht levensgedrag is, leidinggeeft aan het café. Dat de eerdere aanvragen wel een rol hebben gespeeld in de besluitvorming van de burgemeester, maakt niet dat de burgemeester hiermee dus misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Die afwijzingen ondersteunen het betoog van de burgermeester dat hij, als [wederpartij] destijds had vermeld dat (ook) haar echtgenoot zou optreden als leidinggevende van het café, de aanvraag zou hebben afgewezen.
9. Het beroep is ongegrond.
10. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2025 in zaak nr. 24/8075;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 17 oktober 2024 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
284-1180