202505711/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 10 juli 2025 heeft de examinator voor de cursus Communicatie, Organisatie en Crisis (de cursus) [appellante] het eindcijfer 5,2 voor die cursus toegekend.
Bij beslissing van 6 oktober 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, de beslissing van 10 juli 2025 vernietigd, de examinator opgedragen om [appellante] binnen vier weken een extra reparatietoets aan te bieden in de vorm van een aanvullende of vervangende toets en de examinator opgedragen om het eindresultaat van de cursus binnen de reguliere nakijktermijn van tien dagen opnieuw vast te stellen.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Hartevelt, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. T.E. Riesthuis, via een videoverbinding, W.M. Mak en F. Baijens zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft de premaster Communicatie en Organisatie gevolgd aan de Universiteit Utrecht, met het doel door te stromen naar de daaropvolgende masteropleiding.
2. Het eindresultaat van de cursus wordt in eerste instantie bepaald door de weging van twee toetsen. Voor de eerste toets heeft [appellante] een 6,1 behaald. Dit resultaat telt voor 30% mee. Voor de tweede toets, een tentamen dat gemaakt werd op 17 juni 2025, heeft zij een 4,0 behaald. Dit resultaat telt voor 70% mee. [appellante] heeft tevens een reparatietoets gemaakt op 26 juni 2025. Hiervoor heeft zij een 5,7 behaald. Het eindresultaat na reparatie is als volgt berekend. De eerste toets telt voor 15% mee, de tweede toets voor 35% en de reparatietoets voor 50%. Hierdoor komt het eindcijfer uit op een 5,2. Omdat [appellante] de cursus niet succesvol heeft afgerond, is zij niet toegelaten tot de master Communicatie & Organisatie.
3. Op 17 juni 2025, de dag dat de tweede toets werd afgenomen, vond een landelijke OV-staking plaats. Dit was voor de universiteit geen reden om de toets uit te stellen. De docent van de cursus heeft voorafgaand aan de toets per e-mail van 12 juni 2025 aan de studenten te kennen gegeven dat diegenen die als gevolg van de OV-staking niet naar Utrecht konden reizen, de gemiste toets op een later moment zouden kunnen herkansen. [appellante] heeft wel deelgenomen aan de toets van 17 juni 2025.
Beslissing van het CBE
4. Het CBE heeft onder meer de volgende overwegingen aan de beslissing ten grondslag gelegd.
4.1. Zowel de reparatieregeling van artikel 5.5 van de Onderwijs- en examenregeling van de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht (de OER) als de toepassing van deze regeling binnen de cursus is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het CBE heeft de reparatieregeling getoetst aan de eisen van geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190). De reparatieregeling voldoet aan deze eisen. Het aanbieden van een reparatietoets past binnen de onderwijsvisie van de Universiteit Utrecht om studenten onder voorwaarden te laten repareren en niet te laten herkansen. Deze regeling is ook noodzakelijk om studenten vanaf het begin van de cursus te activeren om te gaan studeren. Verder is de toepassing van de reparatieregeling in dit concrete geval niet onevenredig. Het belang van [appellante] om op basis van zo gunstig mogelijke voorwaarden te kunnen repareren of herkansen weegt niet op tegen het belang van de opleiding om de toetsing op basis van een eigen onderwijsvisie te organiseren.
4.2. Wel is de beslissing van 10 juli 2025 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. In artikel 5.8 van de OER is bepaald dat de examencommissie een extra toetskans kan verlenen, indien het niet verlenen van een bijzondere toetsvoorziening zou leiden tot een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard. De examinator heeft een extra toetskans (inhaaltoets) toegewezen aan de studenten die het tentamen van 17 juni 2025 niet hebben gemaakt, ongeacht of sprake is van een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard. Daarmee is de door de examencommissie te maken belangenafweging voor het toekennen van een bijzondere toetsvoorziening overgeslagen. Blijkbaar heeft de examinator deze toetskans op basis van haar eigen discretionaire bevoegdheid toegekend. Gezien deze omstandigheden kon de examinator niet in redelijkheid weigeren om een extra toetskans (reparatietoets) aan studenten aan te bieden die het tentamen wel hebben gemaakt. De discretionaire bevoegdheid van de examinator staat er niet aan in de weg om ook een extra reparatietoets aan te bieden aan deze studenten. Hierbij is relevant dat de examinator is afgeweken van haar eerdere standpunt dat de landelijke OV-staking geen reden was om het tentamen niet te kunnen maken. Door strikt vast te houden aan de reparatieregeling van artikel 5.5 van de OER, maar andere studenten wel een extra inhaaltoets aan te bieden, heeft de examinator onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [appellante].
5. Naar aanleiding van de beslissing van het CBE heeft de examencommissie [appellante] een extra reparatietoets aangeboden. Zij heeft deze extra reparatietoets op 3 november 2025 gemaakt met als resultaat een 5,4. Dat was onvoldoende om de cursus succesvol af te ronden, omdat het resultaat van de reparatietoets voor 50% meetelt, waardoor het eindcijfer op een 5,0 is uitgekomen.
Beoordeling van het beroep
6. Met haar beroep wil [appellante] bereiken dat het eindcijfer van de cursus wordt vastgesteld op basis van de resultaten van de eerste toets en de reparatietoets van 26 juni 2025. Deze cijfers zouden resulteren in een voldoende voor de cursus, zodat zij de premaster kan afronden en, op een later moment, met de master kan beginnen.
7. [appellante] betoogt dat het CBE ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Deze omstandigheden vloeiden direct voort uit de landelijke OV-staking op 17 juni 2025. Die heeft bij haar hevige spanning veroorzaakt en haar prestaties tijdens de toets die zij op die dag heeft gemaakt aantoonbaar negatief beïnvloed. Het is aannemelijk dat het negatieve resultaat een gevolg is van omstandigheden die volledig buiten haar macht lagen en niet van een gebrek aan academische vaardigheid.
7.1. Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft de docent van de cursus aan de deelnemers aan het tentamen van 17 juni 2025 laten weten dat degenen die wegens de OV-staking niet naar Utrecht konden afreizen, op een later moment aan een herkansing, als eerste kans, mochten deelnemen. [appellante] heeft de keuze gemaakt om aan het tentamen deel te nemen. Blijkbaar was de OV-staking daarvoor geen belemmering. Het tentamen heeft onder normale omstandigheden plaatsgevonden.
Naar het oordeel van de Afdeling valt niet in te zien dat [appellante] door de OV-staking meer is geraakt dan anderen die eveneens aan het tentamen hebben deelgenomen. De staking heeft studenten niet gehinderd bij de voorbereiding op het tentamen. Hoewel voorstelbaar is dat de staking bij studenten tot spanning heeft geleid, bijvoorbeeld wegens onzekerheid over het kunnen bereiken van de tentamenlocatie, mag worden verwacht dat die spanning wegvalt nadat zij (tijdig) bij deze locatie zijn aangekomen en met het tentamen zijn begonnen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het negatieve resultaat van het tentamen een gevolg is van omstandigheden die volledig buiten haar macht lagen.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellante] betoogt verder dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld. Zij stelt dat zij, net als de studenten die door de landelijke OV-staking op 17 juni 2025 niet naar Utrecht konden afreizen en daardoor op die dag niet aan de toets konden deelnemen, een inhaaltoets had moeten krijgen. Omdat haar geen inhaaltoets is aangeboden, maar slechts een reparatietoets, blijft de onvoldoende meetellen, waardoor zij een hoger cijfer voor de reparatietoets nodig had om tot een voldoende te komen. Hierdoor is zij strenger beoordeeld dan de studenten die een inhaaltoets hebben gekregen.
8.1. Aan studenten die niet aan het tentamen van 17 juni 2025 hebben deelgenomen, is vooraf, op grond van de regeling voor bijzondere gevallen van artikel 5.8 van de OER, een inhaaltoets aangeboden. [appellante] heeft ervoor gekozen om niet van deze mogelijkheid gebruik te maken en op 17 juni 2025 naar Utrecht af te reizen en aan het tentamen deel te nemen. Voor haar was dat de eerste kans. Andere studenten, die het tentamen van 17 juni 2025 hebben gemist, hebben deze eerste kans later, met de inhaaltoets, gekregen. Op 26 juni 2025 heeft [appellante] de gelegenheid gehad om een eerste reparatietoets, als bedoeld in artikel 5.5 van de OER, af te leggen. Als gevolg van de beslissing van het CBE is zij bovendien, anders dan andere studenten, in de gelegenheid gesteld om een tweede reparatietoets af te leggen. Niet valt in te zien dat [appellante] slechter is behandeld dat studenten die niet aan het tentamen van 17 juni 2025 hebben deelgenomen en dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld door haar, nadat zij aan dat tentamen had deelgenomen, geen inhaaltoets aan te bieden.
Het betoog slaagt niet.
9. [appellante] betoogt verder dat, doordat bij toepassing van de reparatieregeling de eerdere onvoldoende blijft meewegen, het principe achter de reparatietoets wordt ondergraven. Deze toets is bedoeld om te beoordelen of de student inmiddels de leerdoelen beheerst en niet om een eerdere onvoldoende blijvend te laten doorwegen. De door het CBE aangevoerde reden om die onvoldoende niet buiten beschouwing te laten, namelijk het stimuleren van inzet tijdens de cursus, wordt met de inspanningseis voor de reparatietoets al voldoende gewaarborgd. In een vergelijkbare zaak heeft het CBE in een beslissing van 12 maart 2020, CBE/K1912006, geoordeeld dat de student aantoonbaar leerdoelen behaald had door het behalen van een voldoende voor de reparatietoets. Bovendien heeft het CBE in deze beslissing erkend dat het didactisch discutabel is om eerdere lage cijfers te blijven meewegen. Ten aanzien van het onderzoek, waarin het CBE geconcludeerd heeft dat de reparatieregeling in overeenstemming is met hogere rechtsregels, stelt [appellante] dat de onderbouwing van dit onderzoek ontbreekt.
9.1. In artikel 5.5, eerste lid, van de OER is bepaald dat studenten die aan alle inspanningsverplichtingen tijdens de cursus hebben voldaan, uitsluitend bij een onvoldoende van ten minste een 4 eenmaal in de gelegenheid worden gesteld een aanvullende of vervangende toets af te leggen. Volgens het tweede lid bepaalt de docent de inhoud en vorm van de aanvullende of vervangende toets. Het CBE heeft op de zitting toegelicht dat de docent, binnen de in de OER gestelde kaders voor de cursus, de reparatieregeling, die is neergelegd in onderdeel 7 van de Cursushandleiding Communicatie, Organisatie & Crisis 2024-2025, blok 4 heeft kunnen vaststellen. De Afdeling acht, gelet op wat het CBE heeft aangevoerd, de regeling geschikt om het daarmee nagestreefde belang - het motiveren van studenten om zich gedurende de hele cursus in te zetten - te dienen. De regeling laat bovendien een reële kans over om een voldoende eindcijfer te halen, omdat de te repareren onvoldoende slechts gedeeltelijk meeweegt. In de praktijk blijkt ook dat het grootste gedeelte van de studenten er in slaagt een onvoldoende met de reparatietoets te repareren. Gelet op het voorgaande is de reparatieregeling als zodanig niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel.
Het betoog slaagt niet.
10. [appellante] betoogt verder dat de gevolgen van de toepassing van de reparatieregeling niet evenredig zijn met de gevolgen ervan in haar geval. Door het niet behalen van het vak kon zij de premaster niet afronden en niet doorgaan met de masteropleiding, waarmee zij in september 2025, op grond van een voorlopige voorziening, is gestart. Het CBE heeft geen zichtbare afweging gemaakt tussen het doel van de regeling en de concrete gevolgen van de toepassing ervan in haar situatie, zoals artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vereist.
10.1. In het betoog van [appellante] is geen grond te vinden voor het oordeel dat de gevolgen van de onverkorte toepassing van de reparatieregeling voor haar onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de regeling. [appellante] heeft, naast de reparatietoets van 26 juni 2025, als gevolg van de beslissing van het CBE ook nog een tweede reparatietoets kunnen maken op 3 november 2025. Verder is van belang dat strenge eisen worden gesteld voor het behalen van een premaster, omdat het hierbij om bachelor-vakken gaat, terwijl het niveau van de vakken in de daaropvolgende masteropleiding hoger liggen. Bovendien heeft [appellante] de mogelijkheid om de premaster opnieuw te volgen om alsnog toegelaten te worden tot de master. Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op het voorgaande, in dit geval geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden, dat er aanleiding is om op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de reparatieregeling.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
452-1180